Provinciale milieuverordening Noord-Brabant

U bent hier:

  1. Regelgeving
  2. Algemeen register
  3. Milieubeheer
  4. Toelichting regeling

Provinciale Milieuverordening Noord-Brabant

Geldig sinds 01 januari 2008. Versies
Geldig tot 01 maart 2010.

Toelichting op deze verordening

Toelichting op de Provinciale Milieuverordening Noord Brabant, gevolgd door de Toelichting op de bijlagen

Inhoudsopgave Toelichting

  1. Algemeen
    1.1 Inleiding
    1.2 Globale inhoud en opbouw van de PMV
    1.3 Reikwijdte van de PMV
    1.4 Delegatie van regelgevende bevoegdheid

  2. Toelichting per module
    2.1 Hoofdstuk 2: Provinciale commissie voor milieu en water
    2.2 Hoofdstuk 3: Inspraak bij besluiten van algemene strekking
    2.3 Hoofdstuk 4: Algemeen provinciaal milieubeleid

    • Titel 4.3 Afvalstoffen
      • § 4.3.1 Huishoudelijke afvalstoffen
      • § 4.3.2 Afvalwater
      • § 4.3.3 Bedrijfsafvalstoffen
      • § 4.3.4 Gevaarlijke afvalstoffen
      • § 4.3.5 Voorschriften voor inrichtingen
    • Titel 4.4 Overige algemene regels
    2.4 Hoofdstuk 5: Bijzondere gebieden
    • Titel 5.1 Aanwijzing van bijzondere gebieden
    • Titel 5.3 Milieu effectrapportage
    • Titel 5.4 Instructies voor vergunningen voor inrichtingen in bijzondere gebieden
    • Titel 5.5 Rechtstreeks werkende regels voor gedragingen in bijzondere gebieden
    • Titel 5.6 Overige regels in bijzondere gebieden
      • § 5.6.1 Toetsing ammoniakreductieplannen
      • § 5.6.2 Adviseurs bij vergunningverlening in bijzondere gebieden
    2.5 Hoofdstuk 6: Bodemsanering
    2.6 Hoofdstuk 7: Ontheffingen
    2.7 Hoofdstuk 8: Vergoeding van kosten en schade
    2.8 Hoofdstuk 9: Handhaving
  3. Artikelgewijze toelichting
    3.1 Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen
    3.2 Hoofdstuk 2. Provinciale Commissie voor milieu en water
    3.3 Hoofdstuk 3. Inspraak bij besluiten van algemene strekking
    3.4 Hoofdstuk 4. Algemeen provinciaal milieubeleid

    • Titel 4.3 Afvalstoffen
      • § 4.3.1 Huishoudelijke afvalstoffen
      • § 4.3.2 Afvalwater
      • § 4.3.3 Bedrijfsafvalstoffen
      • § 4.3.4 Gevaarlijke afvalstoffen
    • Titel 4.4 Overige algemene regels
    3.5 Hoofdstuk 5. Bijzondere bepalingen
    • Titel 5.3 Milieu effectrapportage
    3.6 Hoofdstuk 6. Bodemsanering
    • Titel 6.1 Voorbereiding
    • Titel 6.3 Het saneringsplan
    • Titel 6.5 Beklag
    • Titel 6.6 Bijzondere regels inzake sanering van de waterbodem
    3.7 Hoofdstuk 7. Ontheffingen
    3.8 Hoofdstuk 10. Overgangs en slotbepalingen
  4. Toelichting op de bijlagen
    Bijlage 3. Parameters secundaire grondstoffen

    Bijlage 4. Aanwijzing van categorieen van afvalstoffen
    Bijlage 5. Gevaarlijke afvalstoffen
    Bijlage 6. Aanwijzing bijzondere gebieden
    Bijlage 8: Milieu effectrapportage
    Bijlage 9: Instructies voor vergunningen voor inrichtingen in bijzondere gebieden
    • Paragraaf 1 Vormgeving van de instructiebepalingen
    Bijlage 10: Regels voor gedragingen
    • Paragraaf 1 Verordenende bevoegdheid van de provincie
    • Paragraaf 2 Systematiek van bijlage 10, onderdeel B

## De toelichting is bedoeld als service voor de gebruiker van de verordening. Aan de inhoud van de toelichting kunnen derhalve geen rechten worden ontleend.

Algemeen

1.1 Inleiding

Ingevolge artikel 1.2 van de op 1 januari 1993 in werking getreden Wet milieubeheer is de provincie verplicht een verordening ter bescherming van het milieu vast te stellen. Aan deze verplichting is invulling gegeven door middel van de Provinciale milieuverordening Noord-Brabant (PMV), opgebouwd via tranches, waarmee tot dan toe bestaande verordeningen op milieugebied zijn komen te vervallen.

Door de nieuwe regeling is de versnipperde wetgeving ter zake van provinciale verordeningen (Wet geluidhinder, Wet bodembescherming en dergelijke) door een regeling vervangen. De leidende gedachte is dat de PMV als het ware een verlengstuk van het provinciaal milieubeleidsplan is. Dat brengt met zich mee, dat de inhoud van de verordening in belangrijke mate een afgeleide van het plan is. Zoals hiervoor al is aangegeven, is dat in artikel 1.2 van de wet tot uitdrukking gebracht.

1.2 Globale inhoud en opbouw van de PMV

De PMV maakt het mogelijk uitvoering te geven aan de verplichtingen die in de Wet milieubeheer ten aanzien van de provinciale verordenende bevoegdheid zijn opgenomen. De wet schrijft een aantal materiële regels voor (bijvoorbeeld ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning) en enkele formele regels (onder andere advisering door een provinciale milieucommissie, inspraak bij milieubeleidsplanning). Uitgangspunt voor het opnemen van een onderwerp in de PMV is dat regeling van het desbetreffende onderwerp voorgeschreven is, dan wel dat dit vanwege de externe werking gewenst is. Bepalingen die op de interne organisatie zijn gericht, behoeven niet in de verordening te worden geregeld. Mede daarom zijn enkele niet in de Wet milieubeheer voorgeschreven onderwerpen zoals een milieustimuleringsfonds en een geluidhinderdienst, niet in de verordening geregeld.

Voor de meer procedurele bepalingen van de milieuverordening is zoveel mogelijk de indeling van de Wet milieubeheer aangehouden. Procedurele bepalingen zijn te vinden in de hoofdstukken 1, 2, 3, 6, 7, 8 en 9. Voor de materiële regels is een onderscheid gemaakt in regels die voor de gehele provincie gelden (het "algemeen provinciaal milieubeleid") en regels voor bijzondere gebieden. De inhoud van deze materiele regels is voor afvalstoffen voor het grootste deel in de verordening zelf opgenomen, maar voor het hoofdstuk gebieden vooral in de bijlagen van de verordening. Deze bijlagen maken van de verordening deel uit en hebben derhalve geen andere juridische status dan de in de diverse hoofdstukken opgenomen artikelen. De bepalingen uit de bijlagen zijn alleen van toepassing voor zover dat expliciet is aangegeven. Het integreren van de bijlagen in de verordening zou betekenen dat voor elk gebied of elke soort gebieden een paragraaf met gedragsregels zou moeten worden opgenomen of per ge of verbodsbepaling aangegeven zou moeten worden in welke gevallen deze van toepassing is. Dat zou het inzicht in de opbouw van de verordening niet ten goede komen. Daarom is gekozen voor de opzet met bijlagen.

Bij de totstandkoming van de Noord Brabantse PMV is dankbaar gebruik gemaakt van een in interprovinciaal (IPO) verband ontwikkelde model PMV. Qua vormgeving en systematiek, maar ook inhoudelijk, bestaat er een grote mate van overeenkomst tussen het IPO model en de Noord Brabantse PMV. Op enkele plaatsen is het IPO model nader ingevuld. Dit geldt onder meer voor regelingen voor de toetsing van (inter )gemeentelijke ammoniakreductie plannen (titel 5.6), voor het verspreiden van baggerspecie en licht verontreinigde grond in waterwingebieden en beschermingszones (bijlage 10B), voor milieu effectrapportage (bijlage 8) en voor de aanwijzing van gebieden (bijlage 6). De voorliggende integrale versie van de PMV is zoals aangehaald opgebouwd uit verschillende onderdelen de zogenaamde tranches die na elkaar in werking zijn getreden. Hiermee heeft de PMV het karakter van zogenaamde "aanbouwregelgeving". De huidige Noord Brabantse PMV bestaat uit de tranches 1, 2A en 2B. Tranche 1 is op 1 januari 1994 in werking getreden. Deze tranche bevat regelingen inzake: de Provinciale commissie voor milieu en water (PCMW), de inspraak bij besluiten van algemene strekking, de melding en inzameling van gevaarlijke afvalstoffen, en bodemsanering. Tranche 2A is op 1 maart 1995 in werking getreden en heeft met name betrekking op de zogenaamde niet inrichtinggebonden activiteiten in grondwaterbeschermingsgebieden. Tranche 2B is op 6 oktober 1995 door Provinciale Staten vastgesteld. Deze tranche is op 1 januari 1996 gefaseerd in werking treden. Een belangrijk deel van tranche 2B heeft betrekking op de melding en registratie van bedrijfsafvalstoffen en op de toepassing van secundaire grondstoffen. Tranche 3 ziet vooral op wijzigingen als gevolg van jurisprudentie en hogere regelgeving met name op de onderdelen Afvalstoffen, Secundaire grondstoffen, Bodemsaneringen en Bijzondere gebieden. Tranche 4 richt zich vooral op technische aanpassingen op het onderdeel Afvalstoffen en wijziging van de onderdelen Mobiele installaties en Grondwaterbeschermingsgebieden.

1.3 Reikwijdte van de PMV

Het begrip "milieu"

De regeling in de wet is beperkt van omvang en globaal van opzet gehouden. Dat biedt ruimte voor een vrij grote mate van zelfstandige invulling door de provincies. Naast de aanduiding van al dan niet facultatief te regelen onderwerpen bepaalt artikel 1.2 van de wet slechts dat Provinciale Staten de verplichting hebben een verordening in het leven te roepen, die strekt ter bescherming van het milieu. In die zin wordt het begrip "milieu" opgevat als het object van de bescherming, het fysieke milieu, de fysieke omgeving van de mens in al zijn verschijningsvormen. Daartoe behoort per definitie ook natuur en landschap. Dat de bescherming van natuur en landschap een provinciale (milieu)zorg is, blijkt ook uit artikel 4.9, vierde lid, van de wet: natuurmonumenten en gebieden vallend onder de Ramsar Conventie dienen in het plan te worden aangeduid als gebieden waarin de kwaliteit van het milieu of van een of meer onderdelen daarvan bijzondere bescherming behoeft (artikel 4.9, vierde lid, van de wet) en zouden uit dien hoofde object van de bescherming door de PMV kunnen zijn. De PMV kent ten behoeve van de bescherming van de natuur, in de lijn van aanduiding van de milieustimuleringssgebieden in het plan, regels ter voorkoming en beperking van geluidhinder in de voormalige stiltegebieden en een aanvullende m.e.r. plicht voor grondwateronttrekkingen in en nabij gebieden die horen tot het natuurmonument "De Groote Peel". Vooralsnog is, op gronden welke in het provinciale milieubeleidsplan zijn aangegeven, afgezien van regulering ten behoeve van de specifieke bescherming van de bodem.

Een uitputtende regeling

De bevoegdheid tot het stellen van regels, die de provincie op grond van artikel 1.2, derde lid, van de wet toekomt, is overigens even ruim als de bevoegdheid die de provincie daarvoor op grond van artikel 90 Provinciewet bezat. Het in artikel 1.2 opgenomen criterium "voor zover dit naar het oordeel van Provinciale Staten van meer dan gemeentelijk belang is" is immers naar de inhoud gelijk aan dat van artikel 90 Provinciewet. Volgens de wetgever wordt met het criterium van artikel 1.2, derde lid, van de wet tot uitdrukking gebracht, dat de provincies bij het stellen van verdere regels (dan die welke in het tweede lid zijn voorgeschreven) de nodige terughoudendheid moeten betrachten. Zij zullen met name niet mogen treden in onderwerpen, die van uitsluitend lokaal belang zijn en als zodanig op lokaal niveau thuishoren. Dat schept bij verschil van mening tussen gemeente(n) en provincie een motiveringsplicht om aan te geven waaruit die belangen bestaan.

Grenzen van de verordenende bevoegdheid

De bevoegdheid de burgers bindende regels in de verordening op te nemen kent drie uitzonderingen.

Ten eerste is het niet toegestaan regels te stellen ten aanzien van de samenstelling of de eigenschappen van de produkten. Er kunnen geen beperkingen worden gesteld aan het in de handel brengen van bepaalde stoffen of toestellen van bepaalde constructie. Dat sluit niet uit dat met name in bijzondere gebieden regels worden gesteld aan het gebruik of de opslag van bepaalde soorten produkten. Ten tweede is het niet mogelijk rechtstreeks werkende regels op te nemen die betrekking hebben op de agrarische bedrijfsvoering in gebieden die door de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM) in overeenstemming met de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (LNV) zijn aangewezen. Ten derde gelden restricties voor rechtstreeks werkende regels die betrekking hebben op inrichtingen.

Regels die rechtstreeks betrekking hebben op inrichtingen De ratio van het verbod om in de PMV regels op te nemen die rechtstreeks betrekking hebben op inrichtingen, is dat zoveel mogelijk recht wordt gedaan aan het uitgangspunt van de Wet milieubeheer om degene die een inrichting drijft met zo min mogelijk bronnen van milieuvoorschriften te confronteren. Alleen in de volgende gevallen is een uitzondering op dit principe gemaakt:

  • - als het gaat om regels ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning: ten aanzien van aangewezen categorieen van inrichtingen waarvoor geen vergunningplicht geldt;
  • - als het gaat om een verbod om in de verordening aangewezen categorieen van inrichtingen op te richten of op een aangegeven wijze te veranderen;
  • - als het gaat om regels ter uitvoering van enkele in artikel 1.2, zesde lid, onder c, van de wet aangegeven bepalingen van het hoofdstuk afvalstoffen, voor daarbij aangegeven categorieen van inrichtingen.

In andere gevallen kunnen voor vergunningplichtige inrichtingen in de verordening wel bij wijze van instructie regels worden opgenomen, die door het vergunningverlenend gezag niet zijnde een orgaan van het Rijk in acht moeten worden genomen. Het zal niet altijd zonder meer duidelijk zijn of een activiteit al of niet moet worden gezien als een activiteit verricht in het kader van een inrichting en dus ook niet of rechtstreeks werkende regels voor die activiteit mogen worden gesteld. Mogelijk dat voor het antwoord op deze vraag aanknopingspunten kunnen worden gevonden in de vergunningaanvraag en in de jurisprudentie ter zake van het inrichtingsbegrip. In twijfelgevallen verdient het echter aanbeveling (tevens) het instructie instrument te hanteren.

Handhaving van regels met betrekking tot inrichtingen De handhaving van "het met betrekking tot de inrichting bij of krachtens de betrokken wetten bepaalde" is volgens artikel 18.2 van de wet een taak van het bevoegd gezag voor de inrichting. Wat moet evenwel worden verstaan onder "het met betrekking tot de inrichting bepaalde"? Die vraag is vooral van belang voor de handhaving van regels op grond van het hoofdstuk afvalstoffen van de verordening die zich tot een ieder richten. Als in een bepaald geval de houder van een inrichting degene is die zich van afvalstoffen ontdoet, is dan artikel 18.2 van toepassing en het bevoegd gezag voor de inrichting met de handhaving belast? We gaan ervan uit dat dit inderdaad het geval is.

Het is immers duidelijk de bedoeling van de wetgever geweest dat het bevoegd gezag voor de inrichting toezicht houdt op de naleving van regels gesteld bij of krachtens het hoofdstuk afvalstoffen. In de Memorie van toelichting bij het wetsontwerp afvalstoffen 21246, nummer 3, pagina 92, staat: "Ook de op de handhaving van dit wetsvoorstel betrekking hebbende bepalingen zijn ondergebracht in bedoeld hoofdstuk Handhaving respectievelijk in de Wet op de economische delicten. Overeenkomstig de reeds in het bedoelde hoofdstuk opgenomen bepalingen, ligt daarbij zo veel mogelijk het accent op een koppeling van toezicht aan vergunningverlening door middel van het leggen van de verantwoordelijkheid voor het toezicht op de naleving van de voorschriften bij het orgaan dat als bevoegd gezag vergunning verleent."

De positie van de gemeente bij instructiebepalingen Voor zover de medewerking van de gemeenten bij de vaststelling en uitvoering van het beleid wordt gevraagd, is niet van nieuwe taken sprake, maar van een normering van taken die de gemeenten reeds op grond van hoofdstuk 8 van de Wet milieubeheer moeten uitvoeren (instructies). Voor zover de gemeenten belast zijn met de handhaving van de regels van de provinciale verordening, volgt die verplichting niet uit de verordening, maar uit artikel 18.2 van de wet.

1.4 Delegatie van regelgevende bevoegdheid

Op grond van artikel 1.2 van de wet stellen Provinciale Staten de verordening vast. Op grond van diverse wetsbepalingen worden "bij de verordening" regels gesteld (onder andere artikel 1.2, derde lid, artikel 10.7 en verschillende andere artikelen van het hoofdstuk afvalstoffen). Ook komt men formuleringen tegen als "De verordening bevat geen regels ..." (artikel 1.2, vijfde lid), "Provinciale Staten kunnen in de verordening ... " (artikel 5.5 en artikel 7.6), "in de verordening gestelde regels ..." (artikel 8.14, tweede lid, onder d). In hoeverre kunnen Provinciale Staten hun regelgevende bevoegdheid nu aan Gedeputeerde Staten delegeren? Dat zou bijvoorbeeld van pas kunnen komen bij het vaststellen van lijsten van afvalstoffen ten aanzien waarvan bepaalde verplichtingen gelden, het vaststellen of wijzigen van de grenzen van bijzondere gebieden, en dergelijke. Bij het opstellen van de verordening is er van uit gegaan dat overdracht van regelgevende bevoegdheid slechts is toegestaan als daarvoor een wettelijke basis is aan te wijzen. Dit beginsel is ook neergelegd in artikel 10:15 van de Algemene wet bestuursrecht. Die wettelijke grondslag is niet te vinden in de Wet milieubeheer, maar wel in artikel 152 van de Provinciewet. Volgens dat artikel kunnen Provinciale Staten hun bevoegdheden aan Gedeputeerde Staten overdragen, maar voor zover het de bevoegdheid betreft tot het maken van verordeningen die door strafbepalingen of bestuursdwang worden gehandhaafd, slechts voor zover het betreft "de vaststelling van nadere regels met betrekking tot bepaalde door hen in hun verordening aangewezen onderwerpen".

Toelichting per module

2.1 Hoofdstuk 2: Provinciale commissie voor milieu en water Vervallen

2.2 Hoofdstuk 3: Inspraak bij besluiten van algemene strekking

Gezien de wettelijke afstemmingsverplichting van het milieubeleid met het waterhuishoudingsbeleid en het beleid op het gebied van de ruimtelijke ordening (haasje over constructie), is het wenselijk dat de voorbereidingsprocedures van de drie strategische provinciale plannen inzake het fysieke milieu milieubeleidsplan, waterhuishoudingsplan en streekplan zoveel mogelijk op elkaar zijn afgestemd. Bij de aanpassing van de Wet op de ruimtelijke ordening aan de Algemene wet bestuursrecht is voor de voorbereiding van streekplannen de 'openbare voorbereidingsprocedure' van afdeling 3.4 van laatstgenoemde wet van toepassing verklaard.

In de Verordening waterhuishouding Noord Brabant 1997 is afdeling 3.4 van toepassing verklaard op de totstandkoming van het waterhuishoudingsplan, en in artikel 3.1.1 van deze verordening wordt afdeling 3.4 van toepassing verklaard op de vaststelling van het milieubeleidsplan.

De inspraakbepalingen van deze verordening zullen ook van toepassing zijn op een besluit tot aanvulling en aanpassing van deze milieuverordening. Daarvoor is gekozen omdat het milieubeleidsplan in veel gevallen nog niet voldoende zicht zal kunnen geven op de concrete gevolgen van in de verordening te regelen zaken. Het belang hiervan voor de burgers kan groot zijn, te meer omdat deze verordening rechtstreeks bindende werking heeft.

Ingevolge de wijziging van de Wet bodembescherming is eveneens een inspraakregeling voor individuele onderzoeks en bodemsaneringsgevallen noodzakelijk. Deze specifieke regeling is in hoofdstuk 6 van de verordening opgenomen.

Hoofdlijnen van de regeling volgens de Wet milieubeheer Het Rijk heeft in de Wet milieubeheer gekozen voor een sobere procedure voor de totstandkoming van het provinciale milieubeleidsplan en het milieuprogramma. Het feit dat zowel het milieubeleidsplan als het milieuprogramma juridisch gezien een betrekkelijk lichte status hebben, is daarbij een belangrijk punt van overweging geweest. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht staat geen beroep open tegen het besluit tot vaststelling van het milieubeleidsplan en het milieuprogramma.

De voorbereiding van het provinciale milieubeleidsplan vindt ingevolge artikel 4.10 van de wet plaats door Gedeputeerde Staten. Bij de voorbereiding betrekken Gedeputeerde Staten de overheidsorganen, instellingen en organisaties die het meest een belang hebben bij de in het plan te behandelen onderwerpen. Ingevolge artikel 4.10 van de wet behoren daartoe in elk geval:

  • a. de colleges van Gedeputeerde Staten van de aangrenzende provincies;
  • b. de overheidsorganen waaraan provinciale bevoegdheden zijn overgedragen bij de uitoefening waarvan met het plan rekening moet worden gehouden, en
  • c. de inspecteur milieuhygiëne.

Aangezien dit minimumvereisten zijn, staat het Gedeputeerde Staten vrij ook andere personen en instanties bij de voorbereiding van het plan te betrekken indien zij dat ter vergroting van het draagvlak of anderszins noodzakelijk achten. In de praktijk zal reeds in een vroegtijdig stadium van het planningsproces worden overlegd met andere overheidsorganen en de belangrijkste doelgroepen van het provinciale milieubeleid. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan gemeenten, waterschappen, de industrie en de landbouw. Ook de Pcmw zal reeds in het beginstadium kunnen worden betrokken bij de advisering over de voorgenomen uitgangspunten en hoofdlijnen van het plan. Deze commissie zal ingevolge artikel 2.41 van de wet in ieder geval moeten worden gehoord over het ontwerp plan.

De regeling in de provinciale milieuverordening Met bestuurlijk overleg, het doelgroepenoverleg en het advies van de commissie kan niet worden volstaan. De eigenlijke inspraak vindt plaats op de beleidsvoornemens zoals deze zijn neergelegd in het ontwerp plan. Hoewel de kring van inspraakgerechtigden volgens de wet (artikel XVII van het wetsvoorstel Plannen en Milieukwaliteitseisen) beperkt zou kunnen worden tot ingezetenen en in de provincie een belanghebbende natuurlijke en rechtspersonen, is er voor gekozen inspraak mogelijk te maken voor 'een ieder'. Dit betekent tegelijkertijd een verruiming van de kring van inspraakgerechtigden neergelegd in afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht, die in beginsel alleen 'belanghebbenden' daartoe rekent. Het tweede lid van artikel 3:13 3:15 Algemene wet bestuursrecht maakt die verruiming mogelijk. Ook in de nieuwe regeling van de Wet op de ruimtelijke ordening voor de voorbereiding van het streekplan, en in de Verordening waterhuishouding Noord Brabant 1997 voor de voorbereiding van het waterhuishoudingsplan is van die mogelijkheid gebruik gemaakt. Deze uitbreiding kan het maatschappelijk draagvlak van het plan vergroten. Het voorkomt bovendien interpretatievragen zoals wat onder "een in de provincie een belang hebbende persoon" moet worden verstaan. Tevens wordt daarmee bereikt dat andere organisaties en instellingen dan die welke in artikel 4.10 van de Wet milieubeheer met name zijn genoemd of ambtshalve door het provinciaal bestuur reeds bij de voorbereiding van het plan zijn betrokken, hun zienswijze over de beleidsvoornemens naar voren kunnen brengen. Alvorens men kan inspreken, zal eerst het ontwerp plan moeten worden bekendgemaakt. Ingevolge artikel 3:12, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht geschiedt dit door kennisgeving van het ontwerp in een of meer dag , nieuws , of huis aan huisbladen of op een andere geschikte wijze. De eerst genoemde wijze van kennisgeving is overeenkomstig de bestaande provinciale praktijk. Op gelijke wijze als voor streekplannen in de Wet op de ruimtelijke ordening is in artikel 3.1.1, onder b, van deze verordening bepaald dat de kennisgeving in ieder geval in de Staatscourant moet worden geplaatst.

Vervolgens wordt het ontwerp plan ter inzage gelegd in het provinciehuis en bij de in de provincie gelegen gemeenten. Volgens artikel 3:12, derde lid, Algemene wet bestuursrecht moet in de kennisgeving worden vermeld waar en wanneer het ontwerp plan en de daarop betrekking hebbende stukken ter inzage zullen liggen, wie in de gelegenheid worden gesteld hun zienswijze naar voren te brengen en op welke wijze dat moet geschieden. Volgens artikel 3:13, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht moet aan belanghebbenden volgens artikel 3.1.1, onder c, van deze verordening: een ieder de keuze worden gelaten een zienswijze schriftelijk of mondeling naar voren te brengen. In de kennisgeving zal duidelijk moeten worden aangegeven op welke wijze mondeling, en op welke wijze schriftelijk gereageerd kan worden.

In artikel 3.1.2 van deze verordening wordt de hiervoor geschetste procedure van overeenkomstige toepassing verklaard op besluiten tot:

  • - wijziging van het plan (zie ook de toelichting bij artikel 3.1.2)
  • - vaststelling van het milieuprogramma, voor zover het betreft bodemsaneringsgevallen (het vroegere bodemsaneringsprogramma van de Interimwet bodemsanering) en
  • - een wijziging van deze verordening.

Daarbij is de termijn van terinzagelegging voor de vaststelling van het milieuprogramma, voorzover het betreft bodemsaneringsgevallen gesteld op vier weken en voor het overige op tenminste vier weken. Gememoreerd zij dat in alle gevallen in de kennisgeving, bedoeld in artikel 3:12 van de Algemene wet bestuursrecht, moet worden aangegeven op welke wijze een zienswijze mondeling naar voren kan worden gebracht. De memorie van toelichting op de Algemene wet bestuursrecht (TK, vergaderjaar 1988 1989, 21221, nr. 3 blz. 79 en 80) vermeldt een aantal methodes die kunnen worden gehanteerd . Het ontwerp besluit tot vaststelling van het provinciaal milieuprogramma voor zover het bodemsaneringsgevallen betreft en het ontwerp besluit tot wijziging van de provinciale milieuverordening hoeven niet in de Staatscourant te worden gepubliceerd. Het bepaalde in artikel 3.1.1, sub b, is op deze besluiten niet van toepassing.

De Wet milieubeheer bevat overigens zelf ook enkele procedurele bepalingen voor deze besluiten. Zo moeten bij de voorbereiding van het milieuprogramma tenminste de overheidsorganen waaraan bepaalde bevoegdheden zijn overgedragen (artikel 4.10 van de wet) worden betrokken, alsmede die welke betrokken zijn bij de bodemsaneringsactiviteiten, zoals de betreffende gemeentebesturen (artikel 4.15 van de wet). En bij de voorbereiding van de provinciale milieuverordening moet worden overlegd met de niet tot de provincie behorende overheidsorganen die het aangaat (zie artikel 1.4 van de wet). Zo kan overleg met gemeenten, samenwerkingsverbanden en recreatieschappen leiden tot een zorgvuldige afbakening van de onderwerpen die vanwege het bovengemeentelijk belang in de provinciale milieuverordening een plaats moeten krijgen. Bovendien zal moeten worden nagegaan wat de gevolgen van de provinciale milieuverordening voor de gemeentelijke verordeningen zullen zijn. Dat geldt ook voor verordeningen van recreatieschappen. Een zorgvuldige voorbereiding van de provinciale milieuverordening zal bijdragen tot een goed draagvlak voor het provinciale milieubeleid. Zodra Provinciale Staten een besluit als bedoeld in de artikelen 3.1.1 en 3.1.2 hebben vastgesteld, wordt dit bekendgemaakt en medegedeeld overeenkomstig afdeling 3.6 Algemene wet bestuursrecht en artikel 4.11 van de Wet milieubeheer. Op grond van artikel 3:42 Algemene wet bestuursrecht geschiedt de bekendmaking door kennisgeving van het plan of de zakelijke inhoud ervan in een van overheidswege uitgegeven blad, of een dag , nieuws of huis aan huisblad, dan wel op andere geschikte wijze. Artikel 4.11, tweede lid, Wet milieubeheer eist dat de kennisgeving in de Staatscourant wordt geplaatst. Opgemerkt wordt dat de verplichting tot publikatie in de Staatscourant alleen geldt voor de vaststelling van het provinciale milieubeleidsplan, dus niet voor de andere besluiten als bedoeld in hoofdstuk 3 van deze verordening, en ook niet voor een wijziging van het provinciale milieubeleidsplan.
Wat betreft de bekendmaking van het ontwerp plan en van de vaststelling van het plan, de termijn van terinzagelegging en de kring van personen en instanties die hun zienswijze naar voren kunnen brengen, zijn de regelingen in de Wet op de ruimtelijke ordening en de verordening gelijk. Dit geldt ook ten aanzien van het waterhuishoudingsplan met die uitzondering dat dit niet in de Staatscourant wordt gepubliceerd.

Ingevolge artikel 3:43, eerste lid, eerste volzin, Algemene wet bestuursrecht wordt tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking van de vaststelling van het plan mededeling gedaan aan degenen die bij de voorbereiding ervan hun zienswijze naar voren hebben gebracht. Desgewenst kan volstaan worden met een mededeling overeenkomstig artikel 3:12, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (via dagbladen etc.). Afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht eist niet dat expliciet op de ingebrachte zienswijzen wordt besloten. Uit de motivering van het besluit moet blijken wat het bestuursorgaan met de ingebrachte zienswijzen heeft gedaan. Hoewel dit niet wettelijk is vereist, ligt het voor de hand overheidsorganen, instellingen en organisaties die op een of andere wijze bij de voorbereiding van het plan betrokken zijn geweest, ook van de vaststelling van het plan op de hoogte te stellen als deze geen gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid ingevolge afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht c.q. artikel 3.1.1 van de verordening hun zienswijze naar voren te brengen. Volgens de tweede volzin van het eerste lid van artikel 3:43 Algemene wet bestuursrecht moet een adviseur in ieder geval mededeling worden gedaan indien van zijn advies wordt afgeweken. Evenzo ligt het voor de hand de toezending van het plan niet te beperken tot de verplichte toezending ingevolge artikel 4.11, eerste lid van de wet aan "Onze minister en aan de overheidsorganen waaraan provinciale bevoegdheden zijn overgedragen bij de uitoefening waarvan met het plan rekening moet worden gehouden".

Een regeling van beklag, zoals neergelegd in artikel 3.2, wordt voorgeschreven in artikel 147 Provinciewet (voorheen artikel XVII van het wetsvoorstel Plannen en Milieukwaliteitseisen). Ook artikel 52 Wet bodembescherming schrijft een beklagregeling voor. Deze laatste is opgenomen in hoofdstuk 6 van deze verordening. Op het beklag over de uitvoering van hoofdstuk 3 van deze verordening is de Verordening voor de commissie van klachten en verzoeken van toepassing. De klacht moet aan de commissie klachten en verzoeken worden gericht (Commissie klachten en verzoeken Provincie Noord Brabant, Postbus 90151, 5200 MC 's Hertogenbosch), en dient de naam en het adres van de indiener te bevatten. De klacht dient ook duidelijk gemotiveerd te zijn en moet voldoende feitelijke gegevens bevatten. De commissie kan de klager in de gelegenheid stellen zijn klacht nader toe te lichten. De klager kan zich daarbij laten vertegenwoordigen of bijstaan door een raadsman.

2.3 Hoofdstuk 4: Algemeen provinciaal milieubeleid

In dit hoofdstuk gaat het om het algemene materiële provinciale milieubeleid. Regels die in dit hoofdstuk worden gesteld gelden voor het gehele gebied van de provincie. Voorheen stonden in dit hoofdstuk vooral de regels met betrekking tot afvalstoffen en secundaire grondstoffen. Als gevolg van Europese en landelijke regelgeving zijn deze bepalingen voor een heel groot gedeelte van rechtswege vervallen. Dit betekent dat ook van de toelichting nog slechts enkele onderdelen relevant zijn.

Titel 4.3 Afvalstoffen

§ 4.3.2 Afvalwater

Op grond van artikel 10.33 van de Wet milieubeheer kunnen Gedeputeerde Staten ontheffing verlenen aan gemeenten van de zorgplicht voor de inzameling en het transport van afvalwater dat vrijkomt binnen de gemeente. Het is gewenst in de verordening een nadere regeling op te nemen voor de procedure bij de voorbereiding van een besluit tot ontheffing. De wet zelf regelt dat namelijk onvoldoende. In de verordening wordt daarom geregeld:

  • - welke gegevens de aanvraag tot ontheffing moet bevatten;
  • - dat de procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is;
  • - dat de betrokken waterbeheerders (kwaliteitsbeheerder en kwantiteitsbeheerder) in de gelegenheid moeten worden gesteld advies uit te brengen;
  • - dat binnen 12 weken wordt beschikt op de aanvraag. De inhoudelijke criteria voor verlening van een ontheffing zijn in de vorm van beleidsregels opgenomen in de nota Lozingen Buitengebied, die op 11 maart 2003 door Gedeputeerde Staten is vastgesteld.

Regeling van bedrijfsafvalstoffen in het geheel niet van toepassing

De regeling van de paragraaf bedrijfsafvalstoffen is in het algemeen niet van toepassing als voor de verwijdering van afvalstoffen in andere wetgeving een afdoende regeling is opgenomen. Hoofdstuk 10 van de wet, en dus ook deze paragraaf van de verordening, is volgens artikel 22.1, zesde lid, van de wet niet van toepassing op gedragingen voor zover daaromtrent voorschriften gelden, die zijn gesteld bij of krachtens de Bestrijdingsmiddelenwet 1962, de Wet voorkoming verontreiniging door schepen, de Diergeneesmiddelenwet, de Meststoffenwet, de Scheepvaartverkeerswet, de Destructiewet, de Kernenergiewet, de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, de Wet verontreiniging zeewater, behoudens in die gevallen wanneer uit de bepalingen van de betreffende wet of van de Wet milieubeheer anders blijkt.

Het gebruik van "dierlijke en overige organische meststoffen" valt in het algemeen niet onder de regeling. Volgens de toelichting op het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen worden toepassingen van dierlijke en overige organische meststoffen, mits wordt voldaan aan het Besluit gebruik dierlijke meststoffen, respectievelijk het Besluit kwaliteit en gebruik overige organische meststoffen, niet aangemerkt als het verwijderen van afvalstoffen.

In de toelichting bij het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen staat tevens: "Verder bestaat de mogelijkheid dat bepaalde stoffen ten behoeve van agrarische doeleinden (bemesting om het productievermogen van de bodem te behouden en/of te verbeteren. Het kan hierbij gaan zowel om voedingsstoffen, structuurverbeterende stoffen, zuurgraad beinvloedende stoffen toegepast als anti stuifdekken) op of in de bodem worden toegepast, terwijl daarvoor geen normen zijn vastgesteld in een uitvoeringsbesluit op grond van de Wet Bodembescherming. In die situaties zal het van de concrete toepassing afhangen of er al dan niet sprake is van het zich ontdoen van afvalstoffen door deze op of in de bodem te brengen".

Vooralsnog kan ervan worden uitgegaan dat het toepassen van deze reststoffen niet wordt aangemerkt als het verwijderen van afvalstoffen, indien aan de volgende drie voorwaarden wordt voldaan:

  • a. de bemestende waarde moet blijken uit de bijzondere danwel "gewone" ontheffing van het verbod een stof als meststof te verhandelen en transporteren (op grond van de Meststoffenwet van 1947). Deze ontheffingen worden verleend door respectievelijk de Directeur van het Rijks Kwaliteitsinstituut voor Land en Tuinbouwproducten te Wageningen en de Directeur Generaal voor Landbouw en Voedselvoorziening van het Ministerie van Landbouw, Natuurbehoud en Visserij;
  • b. de stof (afvalstof c.q. secundaire grondstof) moet voldoen aan de normen van de Streefwaarde Bodemkwaliteit. Indien er een vermoeden bestaat dat een toe te passen stof mogelijk een bepaalde verontreiniging bevat die niet is meegenomen in de Streefwaarde Bodemkwaliteit, kunnen Gedeputeerde Staten voor toepassing de ontdoener/leverancier tot een nader onderzoek verplichten. Op basis van dit aanvullend onderzoek kunnen Gedeputeerde Staten het op of in de bodem brengen van de stof al dan niet aanmerken als het verwijderen van een afvalstof;
  • c. de te verwerken hoeveelheid mag niet groter zijn dan de maximum dosering voor de betreffende toepassing.

Titel 4.4 Gebruik van gesloten stortplaatsen

Algemeen

Deze regeling vormt voor wat betreft de gesloten stortplaatsen een aanvulling op de regels welke zijn opgenomen in Titel 8.3 van de Wet milieubeheer. Tevens zijn in deze regeling opgenomen regels met betrekking tot voormalige stortplaatsen.

In Titel 8.3 van de wet is met betrekking tot gesloten stortplaatsen een regeling opgenomen die tot doel heeft te waarborgen dat zodanige maatregelen worden getroffen dat de gesloten stortplaats geen nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt dan wel dat de grootst mogelijke bescherming wordt geboden tegen nadelige gevolgen. De maatregelen staan beschreven in artikel 8.49 van de wet. Ter uitvoering van deze maatregelen stelt de exploitant van de stortplaats een nazorgplan op, dat de instemming behoeft van gedeputeerde staten. Vervolgens zijn ingevolge artikel 8.50 van de wet gedeputeerde staten belast met de uitvoering van de maatregelen.

De onderhavige regeling voorziet in de situatie dat er een voornemen bestaat om op een niet meer in bedrijf zijnde stortplaats activiteiten te verrichten dan wel aan die stortplaats een andere bestemming te geven. Het kan dan zowel om een gesloten stortplaats gaan in de zin van Titel 8.3 van de wet als ook om een stortplaats waar sinds een datum gelegen vóór 1 september 1996 geen afvalstoffen meer worden gestort. Op dit type stortplaatsen – in deze regeling aangeduid als “voormalige stortplaatsen” - is Titel 8.3 van de wet niet van toepassing. Het is denkbaar dat voor de stortplaatsen in de toekomst eveneens een regeling in de formele wet opgenomen wordt. Zolang deze regeling er niet is, geldt voor deze stortplaatsen de onderhavige regeling, die derhalve het karakter heeft van interim-wetgeving.

Het doel van de regeling is te waarborgen dat in geval van het verrichten van activiteiten op een voormalige of gesloten stortplaats de aanwezigheid van die stortplaats geen nadelige gevolgen voor het milieu heeft. Dit houdt tevens in dat aan de daartoe aangebrachte nazorgvoorzieningen geen schade wordt toegebracht en de daartoe uit te voeren maatregelen niet worden belemmerd. Het is aan gedeputeerde staten om te beoordelen of de voorgenomen handelingen nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Centraal in deze regeling staan daarom de verboden om op een voormalige of gesloten stortplaats in deze regeling nader omschreven handelingen te verrichten, behoudens ontheffing van gedeputeerde staten.

Indien op de stortplaats geen of niet voldoende nazorgvoorzieningen aanwezig zijn, zullen deze eerst moeten worden aangebracht. Dit zal met name het geval zijn op een voormalige stortplaats. Immers, Titel 8.3 voorziet niet in een regeling betreffende de nazorg van voormalige stortplaatsen. Uiteraard kunnen ook deze stortplaatsen nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Het is derhalve vanuit milieuhygiënisch oogpunt noodzakelijk om – alvorens op een dergelijke stortplaats bepaalde handelingen te verrichten dan wel voor hergebruik in te richten – op deze stortplaats nazorgvoorzieningen aan te brengen teneinde nadelige gevolgen voor het milieu te voorkomen. Dit dient ook in het hergebruikplan tot uitdrukking gebracht te worden.

Daar waar de nazorgvoorzieningen aangebracht zijn, zal gewaarborgd moeten worden dat aan die voorzieningen door de uit te voeren handelingen geen schade toegebracht wordt. Tevens zal gewaarborgd moeten worden dat de in het kader van het nazorgplan uit te voeren maatregelen doorgang kunnen blijven vinden.

Teneinde de bescherming van het milieu in bovenbedoelde zin in voldoende mate te waarborgen, dient de initiatiefnemer - degene die activiteiten op de voormalige of gesloten stortplaats wil gaan ondernemen teneinde deze voor hergebruik in te richten - een hergebruikplan in. In de “Nota hergebruik van stortplaatsen“ is verwoord aan welke voorwaarden een hergebruikplan moet voldoen. Indien gedeputeerde staten van oordeel zijn dat door de in het hergebruikplan voorgestelde maatregelen de bescherming van het milieu onvoldoende wordt gewaarborgd, zal dit voor hen aanleiding kunnen zijn om de ontheffing niet te verlenen.

Relatie met andere wetgeving

Ingevolge artikel 28, eerste lid, van de Wet bodembescherming moet degene die voornemens is de bodem te saneren dan wel handelingen te verrichten ten gevolge waarvan de verontreiniging van de bodem wordt verminderd of verplaatst, hiervan melding doen aan het bevoegd gezag. Naar aanleiding van de melding zal het bevoegd gezag vaststellen of er sprake is van een “ernstige verontreiniging van de bodem” in de zin van genoemde wet en, indien dit het geval is, of er van urgentie sprake is om het geval te saneren. Eén en ander wordt ingevolge artikel 29, eerste lid, van de wet vastgelegd in een beschikking. Bevoegd gezag in deze zijn hetzij gedeputeerde staten, hetzij burgemeester en wethouders van één van de vijf grote gemeenten in de provincie (Breda, Eindhoven, Helmond, ’s-Hertogenbosch en Tilburg).
Het is zonder meer noodzakelijk dat de besluitvorming met het oog op de beschikking ex artikel 29, eerste lid, van de Wet bodembescherming en de besluitvorming in het kader van de aanvraag om ontheffing op grond van de onderhavige regeling op elkaar afgestemd worden.

Instructiebepalingen ten aanzien van activiteiten binnen inrichtingen

De regelgeving in het kader van deze verordening kan geen betrekking hebben op activiteiten binnen inrichtingen waarvoor op grond van artikel 8.1 een vergunning benodigd is. Het is daarom aan het bevoegd gezag dat een besluit neemt op een aanvraag om vergunning om in de belangenafweging met betrekking tot de aanvraag de aanwezigheid van een voormalige of gesloten stortplaats te betrekken. Dit is in artikel 4.4.7 vastgelegd. Het verdient de voorkeur dat het bevoegde gezag, indien dit niet gedeputeerde staten zelf is, in een vroeg stadium van de besluitvorming overleg pleegt met gedeputeerde staten. In gezamenlijkheid kan dan worden bezien welke onderdelen van het in de Nota opgenomen beleid op de concrete situatie van toepassing zijn. In ieder geval dient contact opgenomen te worden met gedeputeerde staten als het voornemen bestaat om de aanvraag om vergunning te honoreren. Doel van het overleg met gedeputeerde staten zal dan zijn om vast te stellen door middel van welke voorschriften zo doeltreffend mogelijk de bescherming van het belang dat de voormalige of gesloten stortplaats geen nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt, gewaarborgd kan worden.

Handhaving

Tegen overtreding van het verbod om een voormalige of gesloten stortplaats zonder of in afwijking van een verleende ontheffing te gebruiken of overtreding van de voorschriften die aan een ontheffing zijn verbonden, kan zowel bestuursrechtelijk als strafrechtelijk worden opgetreden. Bestuursrechtelijk kan worden opgetreden op grond van artikel 122 Provinciewet in samenhang met hoofdstuk 5 van de Algemene wet bestuursrecht. De handhavingsinstrumenten bestaan uit bestuursdwang, dwangsomoplegging of intrekking van de ontheffing. Voor de laatstgenoemde sanctie is de wettelijke grondslag gelegen in artikel 18.12 van de Wet milieubeheer. Strafrechtelijk is van belang dat overtreding van de verbodsbepaling op grond van het (gewijzigde) artikel 9.1 van de verordening juncto art. 1a Wet op de economische delicten een economisch delict is. Dat geldt ook voor overtreding van de voorschriften die aan een ontheffing zijn verbonden (op grond van artikel 18.18 van de Wet milieubeheer juncto art. 1a Wet op de economische delicten). Als de aanvraag onderdeel uitmaakt van de ontheffing en er sprake is van een gedraging in strijd met het gestelde in de aanvraag die geen overtreding oplevert van een ontheffingsvoorschrift, is er sprake van overtreding van het verbod opgenomen in artikel 4.4.2. Hetzelfde geldt indien de initiatiefnemer handelingen verricht of nalaat in afwijking van het ingediende hergebruikplan.

2.4 Hoofdstuk 5: Bijzondere gebieden

Ingevolge artikel. 4.9, derde lid, onder c, van de wet vormt de aanduiding van gebieden waarin de kwaliteit van het milieu of van een of meer onderdelen daarvan bijzondere bescherming behoeft, een van de hoofdzaken van het door het provinciaal bestuur te voeren milieubeleid volgens het Provinciaal Milieubeleidsplan. Het plan geeft tevens richting aan het beleid ter bescherming van het milieu in die gebieden. Volgens artikel 4.9 van de wet behoren tot de hoofdzaken van het gebiedsgericht milieubeleid:

  • a. de in de betrokken periode van acht jaar beoogde resultaten inzake de kwaliteit van de onderscheiden onderdelen van het milieu voor de in het plan aangeduide gebieden waarin de kwaliteit van het milieu of van een of meer onderdelen daarvan bijzondere bescherming behoeft;
  • b. de in dezelfde periode beoogde resultaten inzake het voorkomen, beperken of ongedaan maken van gevolgen van menselijke activiteiten die het milieu in die gebieden verontreinigen, aantasten of uitputten.

Deze bijzondere bescherming is het noodzakelijk complement van de functietoekenning aan gebieden zoals die plaatsvindt in het kader van de ruimtelijke ordening, de waterhuishouding en het natuurbeschermingsbeleid. In de wettelijke regeling, in het bijzonder in het vierde en vijfde lid van artikel 4.9 van de wet, komt naar voren dat enerzijds de toekenning van functies aan gebieden en anderzijds de inzet van instrumentarium voor de instandhouding of verwezenlijking van die functies plaatsvinden in meerdere op elkaar afgestemde beleidskaders. De in het milieubeleidsplan opgenomen beleidsvoornemens zullen dan ook vaak een aanvulling vormen op hetgeen reeds is neergelegd in ruimtelijke en waterhuishoudingsplannen. In deze laatste plannen worden door afweging van de betrokken belangen primair de functies toegekend. Het milieubeleidsplan moet zorgen voor de milieucondities die voor de verwezenlijking en instandhouding van die functies nodig zijn (de sub a. geformuleerde beleidsdoelstellingen), en de daarbij behorende bescherming. Doorwerking in een andere richting is evenwel ook mogelijk en wenselijk. In het milieubeleidsplan worden dan milieukwaliteitsdoelstellingen voor gebieden geformuleerd, die consequenties hebben voor functietoekenning, inrichting en beheer van die gebieden. Te denken valt in dit verband aan grondwaterbeschermingsgebieden, waar de met die doelstelling strijdige functies worden geweerd.

Om de doelstellingen van het gebiedsgerichte beleid te realiseren kunnen verschillende instrumenten naast elkaar en in onderlinge samenhang worden ingezet. De (gezamenlijke) inzet van instrumenten vergt een strategie afgestemd op het betreffende gebied en het bijzondere karakter ervan. Het behoort tot de functie van de milieubeleidsplanning om per situatie uit het geheel van beschikbare instrumenten een zo doelmatig mogelijk pakket te kiezen (memorie van antwoord, pag. 49). In het milieubeleidsplan moet dan ook zo duidelijk mogelijk in beeld worden gebracht wat de functie(s) van de te beschermen gebieden zijn of zouden moeten zijn en hoe de bijzondere bescherming van het milieu daar zal worden gerealiseerd. Dat kan door middel van de verordening, al dan niet in combinatie met andere instrumenten.

Aan de uitspraken in het milieubeleidsplan met betrekking tot bijzondere gebieden zijn als zodanig voor burgers of andere overheden geen rechtsgevolgen verbonden. Voor hen ontstaan eventuele rechtsgevolgen eerst als op grond van art. 1.2 van de wet in de Provinciale Milieuverordening voor die gebieden regels worden gesteld.

De mogelijkheid dat uit andere hoofde rechtsgevolgen intreden, bijvoorbeeld op grond van de aanwijzing van een gebied ingevolge de Natuurbeschermingswet, door het opnemen van een aanlegvergunningstelsel in een bestemmingsplan of door het opnemen van strafbepalingen in de algemene plaatselijke verordeningen, wordt hier niet uitgewerkt. Wel wordt er op gewezen dat een goede afstemming van provinciaal en gemeentelijk beleid noodzakelijk is om tot een efficiënte inzet van het beschikbare instrumentarium te komen. De regeling van art. 1.2 van de wet, op grond waarvan een bijzonder beschermingsniveau voor bijzondere gebieden kan worden tot stand gebracht, treedt in de plaats van de regelingen ter bescherming van bijzondere gebieden, die de Wet geluidhinder en de Wet bodembescherming kenden.

Titel 5.1 Aanwijzing van bijzondere gebieden

Ingevolge artikel 1.2, tweede lid, onder c en d, van de wet bevat de verordening ten minste voor een tweetal categorieen van gebieden regels:

  • - regels ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning in bij de verordening aangewezen gebieden (het tweede lid, onder c);
  • - regels inzake het voorkomen of beperken van geluidhinder in bij de verordening aangewezen gebieden (het tweede lid, onder d).

Deze onderdelen vervangen de tot nu toe verplichte grondwaterbeschermingsverordening op grond van de Wet bodembescherming en de verplichte verordening voor stiltegebieden op grond van de Wet geluidhinder. De bestaande verplichtingen ter zake van verordeningen worden aldus gehandhaafd. De in het vroegere grondwaterbeschermingsplan aangewezen grondwaterbeschermingsgebieden worden in eerste instantie in het milieubeleidsplan als grondwaterbeschermingsgebied aangeduid. Anders dan onder het regime van de Wet bodembescherming geschieden echter zowel de (rechtens relevante) aanwijzing als de regelgeving voor die gebieden in het kader van de verordening. Hetzelfde geldt voor de regels in de verordening inzake het voorkomen of beperken van geluidhinder; deze gelden in bij de verordening aangewezen gebieden. De voorwaarde die de Wet geluidhinder voor stiltegebieden en de Wet bodembescherming voor bodembeschermingsgebieden kende, dat de verordening alleen kon gelden voor in het streekplan aangewezen gebieden, is derhalve vervallen. Volgens het derde lid van artikel 1.2 van de wet worden, "voorzover dit naar het oordeel van Provinciale Staten van meer dan gemeentelijk belang is (...) verdere regels gesteld ter bescherming van het milieu". Daartoe kunnen bijvoorbeeld regels voor de nu nog op grond van de Wet bodembescherming aangewezen bodembeschermingsgebieden behoren.

De aanwijzing van gebieden geschiedt in het bijzonder in het belang van de bescherming van de onderdelen van het milieu die zijn aangegeven op de bij de verordening behorende kaarten van die gebieden. De aanwijzing kan zowel betrekking hebben op handhaving van een goede milieukwaliteit als op verbetering van een slechte milieukwaliteit. Bij de aanwijzing van gebieden met een goede milieukwaliteit kan gedacht worden aan met name:

  • - het belang van de bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning;
  • - het belang van de bescherming van de bodem;
  • - het belang van het beperken en voorkomen van geluidhinder;
  • - het belang van de bescherming van natuurwetenschappelijke en landschappelijke waarden. Een gebied kan om een of meer redenen als bijzonder gebied worden aangewezen.

Regels voor bijzondere gebieden zijn niet alleen mogelijk voor relatief schone gebieden. Het is ook mogelijk gebieden aan te wijzen met een slechte milieukwaliteit. Daarbij kan gedacht worden aan gebieden waarin potentiele waarden worden ontwikkeld en waar nodig wordt gesaneerd.

De verordening is een van de middelen om de in het milieubeleidsplan uitgezette koers te realiseren. De instrumenten die in de verordening kunnen worden ingezet, zijn milieukwaliteitseisen, milieu effectrapportage, algemene regels en instructies. Met uitzondering van milieukwaliteitseisen worden deze mogelijkheden in deze PMV benut.

Kan in het milieubeleidsplan volstaan worden met een min of meer globale aanduiding van het gebied, voor de toepassing van de verordening is een zo duidelijk mogelijke begrenzing van het gebied noodzakelijk. De bij de verordening behorende kaarten hebben daarom in het algemeen een schaal van 1:25.000 (slechts enkele stiltegebieden hebben een schaal van 1:50.000). Gedeputeerde Staten kunnen zo nodig de aangegeven grenzen uitwerken (bijvoorbeeld om aan te geven aan welke kant van een weg de grens ligt). Over de territoriale werking van de verordening mag men niet in het ongewisse verkeren. De bij de vaststelling van grondwaterbeschermingsgebieden opgedane ervaring kan hier zeker te stade komen. Zo verdient het aanbeveling de grenzen van het gebied zoveel mogelijk te laten samenvallen met duidelijk in het veld herkenbare structuren welke zo min mogelijk aan verandering onderhevig zijn.

De wijze van bebording van de aangewezen gebieden is voor de kenbaarheid ervan en dus van de toepassing van de daarin geldende regels van groot belang. Indien een gebied wordt aangewezen vanwege een of enkele aspecten (en derhalve niet als "integraal milieubeschermingsgebied"), dient dit op het bord tot uitdrukking te worden gebracht. Voor zover het huidige gebiedsgerichte beleid materieel wordt gehandhaafd, kan de huidige bebording blijven staan.

Stapeling van gebieden (ruimtelijke stapeling)

In de inleidende paragraaf is gewezen op het belang van een duidelijk beeld van de functies van de te beschermen gebieden. Aan de specifieke functie van een gebied zijn bepaalde kwaliteiten of waarden inherent. Met de mogelijkheid deze kwaliteiten in stand te houden of waar ze (deels) nog niet aanwezig zijn te ontwikkelen, staat of valt de functie toekenning van het gebied. Dat impliceert dat over de beleidsdoelstellingen voor het betrokken gebied wat betreft functie en bijbehorende kwaliteiten een zo consistent mogelijk beeld moet bestaan. Een veelheid aan betrokkenen, zowel overheden als burgers, moet gezamenlijk voor de realisering van de gestelde doeleinden zorgdragen: een duidelijk beeld over de gestelde doelen en de wegen waarlangs deze doelen kunnen worden bereikt, is daarbij een eerste vereiste. Dit beeld kan worden vertroebeld wanneer binnen een gebied van enige omvang verschillende vanuit een sectorale optiek vastgestelde gebieden zijn gelegen die elkaar gedeeltelijk overlappen: een (ongeordende) stapeling van bijvoorbeeld stilte en bodembeschermingsgebieden met gebieden die uit landschappelijk of natuurwetenschappelijk oogpunt bescherming behoeven. Op deze wijze ontstaat een lappendeken van te beschermen belangen binnen een en hetzelfde gebied. Het tot een gebied samensmelten van die gebieden in het teken van een voor het gehele gebied gemeenschappelijke functietoekenning ligt dan voor de hand. Dat zal naar verwachting ook niet tot onoverkomelijke bezwaren behoeven te leiden als qua functie al een gemeenschappelijke noemer voor elk van die gebieden gold en voor het betrokken gebied een eenduidig standpunt kan worden ingenomen omtrent de te beschermen elementen daarin en de mate van bescherming daarvan.

In het Provinciaal Milieubeleidsplan zijn twee hoofdcategorieen van specifieke gebieden onderscheiden, te weten grondwaterbeschermingsgebieden met als functie bescherming grondwaterwinning voor de openbare drinkwatervoorziening en milieustimuleringsgebieden. De gebiedsbescherming in de milieustimuleringsgebieden vindt vanuit diverse invalshoeken plaats en is niet voor ieder gebied dat onderdeel uitmaakt van deze hoofdcategorie hetzelfde. Zo zijn er gebieden waar bodembescherming speciale aandacht heeft (bodembeschermingsgebieden), gebieden waar het voorkomen of beperken van geluidhinder een speciaal oogmerk is (stiltegebieden) en gebieden met een aanvullende milieu-effectrapportage plicht voor grondwateronttrekkingen. Deels overlappen deze gebieden elkaar, zoals trouwens ook een gedeeltelijke overlap bestaat tussen deze gebieden en gebieden van de eerste categorie (met grondwaterbescherming als functie). Het streven is in het Provinciaal Milieubeleidsplan uitgesproken om de gebiedsgrenzen van de verschillende soorten gebieden die tot milieustimuler

Echter, ook bij een optimale afstemming van beleid zullen in de provincie om verschillende redenen bijzondere gebieden worden aangewezen. Het begrip "bijzonder gebied" wordt gedefinieerd in artikel 1.1 van de verordening. Hieronder wordt verstaan een gebied dat is aangewezen krachtens artikel 5.1.1 van de verordening, en waarin derhalve (speciale) regels gelden krachtens de milieuverordening. Het gaat hierbij vooralsnog om gebieden waar regels voor grondwaterbescherming gelden, voor het voorkomen of beperken van geluidhinder (stiltegebieden) en voor grondwateronttrekkingen (de gebieden die "De Groote Peel" vormen zie de toelichting bij bijlage 8). Gebieden waarvoor geen (speciale) regels gelden op grond van de milieuverordening, maar die wel als gebied zijn aangeduid in het milieubeleidsplan, vallen derhalve niet onder deze definitie. Bijlage 6 van de verordening is de plaats waar aangegeven wordt welke regels in welke gebieden gelden. Maar hoe moet in die bijlage worden omgegaan met de aanduiding van verschillende beschermingsregimes voor aangrenzende of elkaar overlappende gebiedsdelen? Er is een aantal mogelijkheden voor de invulling van bijlage 6 en de weergave van bijzondere gebieden op de bij de verordening behorende kaarten. Globaal zijn onderstaande drie varianten denkbaar. Gemakshalve wordt bij de beschrijving van de varianten uitgegaan van de situatie dat in een provincie bijzondere gebieden alleen worden aangewezen in het belang van de bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning en in het belang van het beperken of voorkomen van geluidhinder.

De gebieden waarvoor in Noord Brabant een aanvullende milieu-effectrapportage plicht voor grondwateronttrekkingen geldt, blijven voor de gedachtenvorming even buiten beschouwing.

  • a. Alle grondwaterbeschermingsgebieden worden als zodanig aangewezen en alle stiltegebieden als (onderdeel van) milieustimuleringsgebieden. Deze gebieden kunnen elkaar geheel of gedeeltelijk overlappen. Alle grondwaterbeschermingsgebieden worden op afzonderlijke kaarten aangegeven, evenals alle afzonderlijke stiltegebieden. Dit is de meest sectorale variant en in feite een voortzetting van de praktijk van de Wet bodembescherming en de Wet geluidhinder.
  • b. Alle grondwaterbeschermingsgebieden worden als zodanig aangewezen en alle stiltegebieden als (onderdeel van) milieustimuleringsgebied. Deze gebieden kunnen elkaar geheel of gedeeltelijk overlappen. Daar waar dit zich voordoet worden zij gezamenlijk op een kaart weergegeven. Waar mogelijk worden de grenzen van beide gebieden op elkaar afgestemd. Het verschil met variant a. is dat de overlappende gebieden op een kaart worden aangegeven.
  • c. De gebieden waar alleen grondwaterbeschermingsregels gelden worden aangeduid als bijzonder gebied I, waar alleen stilteregels gelden als (onderdeel van) bijzonder gebied II, en waar zowel stilte als grondwaterbeschermingsregels gelden als bijzonder gebied III (eventueel te noemen overige bijzondere gebieden). In deze variant is derhalve geen sprake van overlappende bijzondere gebieden. Ieder gebied is aangewezen ter bescherming van een (stilte, respectievelijk grondwaterbescherming), dan wel twee belangen (stilte en grondwaterbescherming).

Het spreekt vanzelf dat het provinciaal en gemeentelijk ruimtelijk beleid met het gebiedsgerichte milieubeleid in overeenstemming moet zijn of moet worden gebracht en een zo goed mogelijke afstemming plaats vindt met de uitvoering van andere gebiedsgerichte regelgeving. Afstemming van de in dat kader vastgestelde gebiedsgrenzen met die welke in de verordening zijn aangegeven, is ook uit een oogpunt van doorzichtelijkheid en inzichtelijkheid van het provinciale gebiedenbeleid strikte noodzaak.

Vooralsnog hebben wij voor de aanwijzing van bijzondere gebieden in de verordening gekozen voor de systematiek a. Nu het gebiedsgerichte beleid nog zozeer in ontwikkeling is, geven wij er de voorkeur aan voorlopig in de PMV uit te gaan van de sectorale benadering. Het is niet te verwachten dat een meer integrale benadering in de verordening ten opzichte van de bestaande praktijk op dit moment veel toegevoegde waarde zal hebben. Daarentegen dreigt er bij een geintegreerde benadering van bijzondere gebieden onduidelijkheid bij de aanduiding van gebieden, zodat er verwarring kan ontstaan over de in een bepaald gebied geldende regels. Dat probleem is wel oplosbaar, maar niet op de termijn waarbinnen deze verordening vermoedelijk in werking zal treden. Overigens sluiten de hier gehanteerde typeringen van bijzonder gebied (als grondwaterbeschermingsgebied of milieustimuleringsgebied) aan bij de terminologie van het Provinciaal Milieubeleidsplan, dat bijzonder gebied I, II of III niet kent. Bovendien lijkt het bij voorbaat een onhaalbare kaart om gebieden met de verschillende functies betreffende grondwaterbescherming en natuur volledig samen te laten vallen.

Titel 5.3 Milieu effectrapportage VERVALLEN

Titel 5.4 Instructies voor vergunningen voor inrichtingen in bijzondere gebieden

De regeling voor het stellen van regels in bijzondere gebieden verschilt vooral van de eerdere regelingen in de Wet bodembescherming en de Wet geluidhinder, doordat in artikel 1.2 van de wet het uitgangspunt is neergelegd dat voor inrichtingen de regels zoveel mogelijk in een document moeten worden gesteld. Rechtstreeks werkende regels met betrekking tot inrichtingen zijn maar in beperkte mate toegestaan. Indien de behoefte bestaat gedragingen in inrichtingen aan voorschriften te binden, kan de provincie dit veelal slechts bereiken door het vergunningverlenend gezag de desbetreffende voorschriften aan de vergunning te laten verbinden. Zo nodig kan de provincie andere overheidsorganen daartoe een instructie geven. Op de rechtsfiguur "instructie" is bij de toelichting op titel 4.2 al ingegaan.

Van de mogelijkheid instructies te geven is gebruik gemaakt voor inrichtingen in grondwaterbeschermingsgebieden. In verband met de overzichtelijkheid zijn de instructies in een bijlage opgenomen. Deze bijlage (nr. 9), die van de verordening deel uitmaakt, berust op de artikelen 5.4.1 en 5.4.2. In de bijlage dient op grond van art. 8.45, derde en vierde lid, van de wet aangegeven te worden:

  • - voor welke categorieen van inrichtingen (en zonodig in welke gevallen) de instructies gelden;
  • - welke beperkingen en voorschriften aan de vergunning dienen te worden aangebracht resp. verbonden;
  • - waarbij per onderwerp wordt aangegeven in hoeverre het bevoegd gezag van de instructie kan afwijken of nadere eisen kan stellen;
  • - de termijn waarbinnen bestaande vergunningen aan de instructie moeten worden aangepast.

Op 14 maart 2007 is door Provinciale Staten het besluit genomen om in de Pmv een hardheidsclausule op te nemen, waarmee het bevoegde gezag Wet milieubeheer (meestal de gemeente), in plaats van de vastgestelde instructieregels een eigen afweging kan maken bij het opstellen van vergunningvoorschriften. Centraal daarbij is het doel van de bepalingen, de kwaliteit van bodem en grondwater met het oog op de grondwaterwinning. Genoemde bevoegdheid is opgenomen in artikel 5.4.1 lid 3 en 4. Het gebruikmaken van de hardheidsclausule zal na 2 jaar worden geëvalueerd. Indien blijkt dat er na 1 jaar reeds meer dan 10 maal gebruik is gemaakt van de hardheidsclausule dan vindt de evalautie na 1 jaar plaats.

Op grond van artikel 8.7 van de wet (in het Inrichtingen en vergunningenbesluit milieubeheer) is de provincie aangewezen als adviseur inzake de vergunningverlening voor inrichtingen in gebieden waarin provinciale regels gelden ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning. Aldus kan toezicht worden uitgeoefend op de nakoming van de instructies bij vergunningverlening.

Bij ambtshalve wijziging van een vergunning als gevolg van een instructie behoeft het 'voorlopig voornemen' op grond van de wet overigens niet aan de provincie te worden toegestuurd (art. 13.25, vierde lid, van de wet), al kan daarop bij het bevoegd gezag wel worden aangedrongen.

Noch de algemene regels, noch de instructiebepalingen mogen betrekking hebben op de agrarische bedrijfsvoering in door de Minister van VROM in overeenstemming met de Minister van LNV aangewezen gebieden (artikel 1.2, vierde lid, laatste volzin, van de wet).

Titel 5.5 Rechtstreeks werkende regels voor gedragingen in bijzondere gebieden

Als algemene bepaling is in artikel 5.5.1 een zorgplichtbepaling opgenomen. Deze bepaling dient als vangnet voor het geval van een duidelijk voorzienbare aantasting van het gebied sprake is en de specifieke gedragsregels niet de vereiste bescherming bieden. Het betreft geen 'algemene' zorgplichtbepaling. Zij betreft alleen aantasting van het bijzondere belang met het oog waarop het gebied als bijzonder gebied is aangewezen. Als evenwel een integraal bijzonder gebied is aangewezen, krijgt ook de zorgplichtbepaling een ruimere betekenis. Voor zover aan de overige vereisten is voldaan, kan dan in beginsel elke aantasting van het gebied er onder vallen. Door deze toespitsing op de kwaliteiten van het gebied is de zorgplichtbepaling voldoende geconcretiseerd om overtreding ervan strafbaar te stellen. Andere rechtstreeks werkende regels voor bijzondere gebieden zijn gebaseerd op artikel 5.5.2. In aanmerking komende regels zijn opgenomen in bijlage 10. In bijlage 6, juncto bijlage 10, is aangegeven welke rechtstreeks werkende regels (verbodsbepalingen) in welke (op grond van art. 5.1 aangewezen) bijzondere gebieden gelden.

Titel 5.6 Overige regels in bijzondere gebieden

§ 5.6.1 Toetsing ammoniakreductieplannen

Paragraaf 5.6.1 (artikel 5.6.1.1) van de Provinciale Milieuverordening (PMV) heeft betrekking op de toetsing van zogenoemde ammoniakreductieplannen. Deze ammoniakreductieplannen vloeiden voort uit de Interimwet ammoniak en veehouderij. Op 8 mei 2002 is de Wet ammoniak en veehouderij in werking getreden. Deze wet vervangt de Interimwet ammoniak en veehouderij. In tegenstelling tot de Interimwet ammoniak en veehouderij kent de Wet ammoniak en veehouderij geen ammoniakreductieplannen. Om die reden kan de genoemde paragraaf in de (verordende) tekst van de PMV komen te vervallen. Eveneens kan de derde alinea in bijlage 6 vervallen.

§ 5.6.2 Adviseurs bij vergunningverlening in bijzondere gebieden

Deze paragraaf (en het betreffende artikel) voorziet in het adviseurschap van waterleidingbedrijven in gevallen waarin een aanvraag om een vergunning voor een in een grondwaterbeschermingsgebied gelegen inrichting op basis van de Wet milieubeheer behandeld wordt. Dit betekent onder meer dat de bevoegde gezagen de plicht hebben het bewuste materiaal aan de betreffende waterleidingbedrijven toe te sturen. Dit extra adviseursschap is opgenomen vanuit de ervaring van actieve betrokkenheid van Noordbrabantse waterleidingbedrijven bij ontheffingverleningsprocedures op basis van de aan de PMV voorafgaande grondwaterbeschermingsverordening.

1.5 Hoofdstuk 6: Bodemsanering

Inleiding

Per 1 januari 2006 is met de Wet houdende wijziging van de Wet bodembescherming en enkele andere wetten in verband met de wijzigingen in het beleid inzake bodemsanering (Staatsblad 2005, 680) de Wet bodembescherming ingrijpend gewijzigd. Voorts maakt ook de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb (Staatsblad 2005, 282), waardoor onder meer per 1 juli 2006 artikel 52 van de Wet bodembescherming is gewijzigd, een wijziging van hoofdstuk 6 van de provinciale milieuverordening noodzakelijk. Gelet op het grote aantal wijzigingen door de hele tekst van de verordening heen is er voor gekozen om de integrale tekst van hoofdstuk 6 van de provinciale milieuverordening opnieuw vast te stellen. Dit komt de duidelijkheid en leesbaarheid ten goede. Bovendien is ook de nummering van de artikelen gewijzigd.

Met de wijziging van de Wet bodembescherming is de reeds eerder ingezette koers van een nieuw bodembeleid wettelijk verankerd. Deze nieuwe koers moet er toe leiden dat de opgetreden stagnatie in de bodemsaneringsoperatie wordt opgeheven. De belangrijkste wijziging die tot gevolg heeft dat de provinciale milieuverordening (de PMV) moet worden aangepast, is de wijziging van de saneringsdoelstelling van artikel 38 van de Wet bodembescherming. Niet langer is het noodzakelijk om multifunctioneel te saneren, maar mag worden volstaan met een sanering die is afgestemd op de functie van het te saneren gebied. Functiegericht saneren heeft echter als consequentie dat na afloop van de sanering verontreiniging in de bodem achter kan blijven. Het beheer van deze restverontreiniging is daarom belangrijk geworden. Om dit te benadrukken heeft de wetgever het verslag van de sanering en het nazorgplan een wettelijke status gegeven. Beide behoeven bovendien de instemming van Gedeputeerde Staten. Aan Provinciale Staten wordt de bevoegdheid gegeven om nadere regels te stellen waaraan het evaluatieverslag en het nazorgplan moeten voldoen. In deze tranche van de provinciale milieuverordening wordt hier invulling aan gegeven.

In hoofdstuk 6 zijn regels opgenomen met betrekking tot de inspraak en de (voorbereidings)procedure van besluiten (titel 6.1), de indiening van aanvragen en meldingen (titel 6.2, 6.3 en 6.7 tot en met 6.9) en de betrokkenheid van derden bij de uitvoering van een sanering (titel 6.4). Verder is er nog een bijzondere regeling voor de sanering van de waterbodem (titel 6.6) opgenomen, een onderdeel met voor toezicht relevante bepalingen (Titel 6.10) en een bepaling om te waarborgen dat de verordening niet onbedoeld de regelingen voor gebiedsgericht beleid gaat doorkruisen. De grondslag voor de regels is gelegen in de artikelen 39 lid 1 en 4 ,39c lid 3, 39 d lid 5, 63g lid 2 en 63i lid 4 van de Wet bodembescherming en in de hoofdstukken 3 en 4 van de Algemene wet bestuursrecht.

Inspraak bij de besluitvorming, betrokkenheid bij de uitvoering en beklag

Op grond van artikel 52 van de Wet bodembescherming dienen Provinciale Staten een verordening vast te stellen waarin regels worden gegeven voor de wijze waarop Burgemeester en Wethouders van de gemeente waarin een (mogelijk) geval van ernstige verontreiniging is gelegen, alsmede ingezetenen en andere belanghebbenden bij de uitvoering van onderzoek en sanering worden betrokken. Dit artikel 52 Wet bodembescherming is op 1 juli 2006 gewijzigd in werking getreden. De betrokkenheid, zoals het nieuwe artikel 52 Wet bodembescherming die voor ogen heeft,moet worden gerelateerd aan de inspraakverordening op basis van artikel 147 Provinciewet. Dit betekent niet dat in alle gevallen afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing wordt. De bestaande regeling, met desgewenst instelling van een projectgroep, voldoet in de praktijk en kan worden voortgezet. In de inspraakverordening wordt een verwijzing naar de toepasselijke artikelen uit de provinciale milieuverordening opgenomen.

Er is onderscheid gemaakt naar inspraak bij de totstandkoming van besluiten met betrekking tot bodemverontreiniging en- sanering (titel 6.1) en de betrokkenheid bij de uitvoering van onderzoek en sanering (titel 6.4).

Inspraak c.q. voorbereiding besluitvorming (titel 6.1)

De inspraak heeft betrekking op de besluitvorming van het bevoegd gezag. In het kader van de bodemsanering is er naast het onderdeel van het milieuprogramma, waarin onderzoeksgevallen en gevallen van verontreiniging worden aangewezen, een aantal besluiten die in beginsel met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, de openbare voorbereidingsprocedure, tot stand komen:

  • - de beschikking op grond van artikel 29 van de Wet bodembescherming waarbij wordt vastgesteld of sprake is van een geval van ernstige verontreiniging, waarbij ingevolge artikel 37 Wet bodembescherming ook een uitspraak moet worden gedaan over de spoedeisendheid;
  • - de instemming met het saneringsplan;
  • - in geval de sanering wordt uitgevoerd in opdracht van Gedeputeerde Staten, de vaststelling van het saneringsplan;
  • - de instemming met het saneringsverslag en met het nazorgplan.

De openbare voorbereidingsprocedure wordt in bepaalde situaties als te zwaar en niet voldoende toegesneden op de praktijk ervaren. Er is daarom een mogelijkheid opgenomen om hiervan in voorkomende gevallen af te wijken en de kortere procedure van titel 4.1 van de Algemene wet bestuursrecht toe te passen, mits dat gepubliceerd wordt. In titel 6.1 is bepaald dat Gedeputeerde Staten kunnen besluiten afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht niet toe te passen indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat daaraan geen behoefte bestaat. In beleidsregels kan door Gedeputeerde Staten worden aangegeven wanneer redelijkerwijs kan worden aangenomen dat aan de toepassing van de procedure geen behoefte bestaat. Deze beleidsregels van Gedeputeerde Staten van 18 januari 2000 zullen aan de ontwikkelingen worden aangepast.

De inhoud van het saneringsplan (titel 6.3)

Op grond van artikel 39, eerste lid, van de Wet bodembescherming kunnen bij provinciale verordening regels worden gesteld voor de inhoud van het saneringsplan. Deze regels zijn opgenomen in artikel 6.3.2.

De in artikel 6.3.2 opgenomen eisen leiden niet zonder meer tot een standaard voor een saneringsplan. Artikel 39 van de Wet bodembescherming bevat nog enkele inhoudelijke eisen en uit artikel 40 van deze wet blijkt bijvoorbeeld dat, als het gaat om een geringe verplaatsing van de verontreinigde bodem, met een saneringsplan voor dat gedeelte kan worden volstaan. Verder zullen meer in het algemeen de eisen die aan een saneringsplan worden gesteld, afhankelijk zijn van de omstandigheden van het geval. Met het oog daarop is de mogelijkheid geïntroduceerd om bij (technisch) eenvoudige gevallen gemotiveerd een beperkt aantal gegevens te leveren. Waar het om gaat, is dat Gedeputeerde Staten kunnen beoordelen of de saneringsdoelstelling gelet op artikel 38 van de Wet bodembescherming of daarvoor in de plaats tredend gebiedsgericht beleid juist is gesteld, en of de gestelde doelstelling met de voorgestelde aanpak kan worden gerealiseerd. Overigens is de wens bepaalde gegevens geheim te houden in het algemeen geen grond om deze gegevens niet in te dienen. Op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) bestaat immers de mogelijkheid bepaalde gegevens in te dienen met het verzoek om geheimhouding. Gedeputeerde Staten kunnen dan, met toepassing van de in de Wob genoemde uitzonderingsgronden, deze gegevens intern houden.

De doelstelling van de sanering

Gedeputeerde Staten stemmen op grond van artikel 39, tweede lid, Wet bodembescherming slechts met het saneringsplan in indien door de daarin beschreven sanering naar hun oordeel wordt voldaan aan het bij of krachtens artikel 38 Wet bodembescherming bepaalde.

Artikel 38 Wet bodembescherming bepaalde tot 1 januari 2006 dat degene die de bodem saneert, de sanering in beginsel zodanig dient uit te voeren, dat daardoor de functionele eigenschappen van de bodem voor mens, plant of dier worden behouden of hersteld, tenzij sprake is van lokatiespecifieke omstandigheden. Met het Besluit en Regeling Locatiespecifieke Omstandigheden van 14 oktober 2002 van de Staatssecretaris van VROM, dat was gebaseerd op artikel 38 van de Wet bodembescherming, is het mogelijk geworden om onder bepaalde omstandigheden af te wijken van deze saneringsdoelstelling zoals die in het eerste lid van artikel 38 is omschreven. Inmiddels is, zoals in de inleiding al opgemerkt, niet langer multifunctionele sanering het uitgangspunt maar functiegerichte sanering. Op 1 mei 2006 is, in afwachting van de Algemene maatregel van bestuur, de Circulaire bodemsanering 2006 in werking getreden. Daarin worden de aanpassingen op het gebied van de saneringsdoelstelling en de bepaling van de mate van spoedeisendheid verder uiteengezet.

Voor waterbodems geldt ingevolge het nieuwe artikel 38, lid 2 Wet bodembescherming en eveneens in afwachting van de Algemene maatregel van bestuur een afzonderlijk beoordelingskader in de vorm van de Circulaire saneringswaterbodems, Stscr 31 mei 2006, nr. 104 en de daarbij behorende Handreiking vaststellen noodzaak, doelstelling en tijdstip voor saneren van waterbodems. De chemische en ecologische doelstellingen vanuit de Europese Kaderrichtlijn water zijn daarin maatgevend. Beide documenten hebben het karakter van richtlijnen, waarmee het bevoegd gezag uit het oogpunt van zorgvuldige besluitvorming rekening moet houden.

Beslistermijn saneringsplan

Het saneringsplan moet op grond van artikel 39, tweede lid, van de Wet bodembescherming vijftien weken door Gedeputeerde Staten worden beoordeeld. Deze termijn kan eenmaal met ten hoogste vijftien weken worden verlengd. In deze periode kan zo nodig overleg worden gepleegd met de meldingsplichtige. Dat overleg is er op gericht eventuele onduidelijkheden of onvolkomenheden in het saneringsplan weg te nemen. Indien het saneringsplan niet voldoet aan de eisen die in de Wet bodembescherming en deze verordening worden gesteld, en indien de indiener niet binnen een hem daartoe gestelde termijn de vereiste gegevens alsnog heeft aangeleverd, kunnen Gedeputeerde Staten besluiten de aanvraag (het saneringsplan) niet in behandeling te nemen (artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht). Het besluit de aanvraag niet in behandeling te nemen, wordt gelijkgesteld met een weigering om een besluit te nemen (artikel 6:2 van de Algemene wet bestuursrecht). Het besluit om het plan niet te behandelen moet aan de indiener worden bekend gemaakt binnen vier weken nadat het plan is aangevuld of nadat de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken (artikel 4:5, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht).

De betrokkenheid van belanghebbenden (titel 6.4)

Als bij de feitelijke uitvoering van het onderzoek en de sanering derden betrokken zijn, kan de instelling van een projectgroep gewenst zijn. In de verordening wordt er van uit gegaan dat dat in het algemeen het geval is bij saneringen van overheidswege. Voor saneringen in opdracht van de provincie is in de verordening bepaald dat een projectgroep wordt ingesteld tenzij mag worden aangenomen dat daaraan geen behoefte bestaat. Voor onderzoek en saneringen op grond van artikel 53 van de Wet bodembescherming kan een gelijke bepaling in de gemeentelijk verordening op basis van artikel 54 van de Wet bodembescherming worden opgenomen.

Bij onderzoek en saneringen in eigen beheer kan instelling van een projectgroep gewenst zijn, doch of daartoe wordt overgegaan is een verantwoordelijkheid van degene die de opdracht voor het onderzoek of de sanering geeft. In de verordening is wel bepaald dat Gedeputeerde Staten in daarvoor in aanmerking komende gevallen instelling van een projectgroep bevorderen. Ook is bepaald dat in het saneringsplan wordt aangegeven hoe belanghebbenden zullen worden betrokken bij de uitvoering van de sanering.

Beklag (titel 6.5)

Ter uitwerking van het bepaalde in het voormalige artikel 52, tweede lid, onder c, van de Wet bodembescherming was in titel 6.5 een voorschrift opgenomen rond beklag over uitvoering van de bepalingen, die betrekking hebben op de betrokkenheid bij uitvoering van onderzoek en sanering. Met de aanpassing van artikel 52 Wet bodembescherming is dit niet langer nodig. Tegen het niet of ontoereikend verlenen van inspraak op grond van de inspraakverordening kan bezwaar in de zin van de Algemene wet bestuursrecht gemaakt worden.

Bijzondere regels inzake sanering van de waterbodem (titel 6.6)

Aan de wijzigingen in het beoordelingskader voor sanering van de waterbodem is reeds aandacht gegeven. De bepalingen van de PMV die voor landbodemsanering gelden, bijvoorbeeld titel 6.4 over projectgroepen, zijn in principe ook van toepassing op waterbodemsaneringen.

Wijziging saneringsplan (titel 6.7)

In artikel 39, vierde lid van de Wet bodembescherming is de verplichting opgenomen om afwijkingen van het saneringsplan tijdig bij Gedeputeerde Staten te melden. In dit artikel wordt in verband met deze meldingsplicht de mogelijkheid geboden om nadere regels te stellen omtrent de gegevens die bij de melding moeten worden verstrekt.

Saneringsverslag (titel 6.8)

Op grond van artikel 39c, derde lid, van de Wet bodembescherming kunnen bij provinciale verordening regels worden gesteld omtent de inhoud van het saneringsverslag. Deze regels zijn opgenomen in artikel 6.8. Aan dit artikel moet worden voldaan als na de uitvoering van de sanering of een fase van de sanering een saneringsverslag bij Gedeputeerde Staten moet worden ingediend. Gedeputeerde Staten dienen met het verslag in te stemmen en zij stemmen slechts in met het verslag wanneer gesaneerd is overeenkomstig artikel 38 van de Wet bodembescherming. Indien niet afdoende volgens het saneringsplan is gesaneerd kunnen op grond van artikel 39a van de Wet bodembescherming aanvullende saneringsmaatregelen worden afgedwongen. Om te kunnen beoordelen of een saneringsresultaat voldoet aan artikel 38 van de Wet bodembescherming, wordt in artikel 39c van de Wet bodembescherming een aantal minimumeisen gesteld waaraan het evaluatieverslag moet voldoen. Artikel 6.8 stelt daarnaast nog een aantal extra eisen aan de inhoud van het saneringsverslag. Deze extra eisen vormen een verdere uitwerking van hetgeen wordt gesteld in artikel 39c van de Wet bodembescherming en zijn nodig voor een goede kwaliteit van het saneringsverslag. Alleen dan is een goede toetsing van de uitgevoerde sanering mogelijk. Wel kan het in de praktijk zo zijn dat met minder dan het gestelde kan worden volstaan. Hierbij moet worden gedacht aan eenvoudige saneringen, waarbij na afloop duidelijk is dat het in het saneringsplan opgenomen saneringsdoel is bereikt en is voldaan aan het wettelijke saneringsdoel van artikel 38 van de Wet bodembescherming. In het tweede lid van artikel 6.8 is de mogelijkheid gecreëerd om gemotiveerd te kunnen afwijken van de in de verordening gestelde eisen aan het saneringsverslag.

Nazorgplan (titel 6.9)

Op grond van artikel 39d, vijfde lid van de Wet bodembescherming kunnen bij provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van het nazorgplan. Deze regels zijn opgenomen in artikel 6.9. Aan dit artikel moet worden voldaan indien na de uitvoering van de sanering verontreiniging in de bodem aanwezig blijft, die beperkingen in het gebruik van de bodem tot gevolg heeft of nazorgmaatregelen noodzakelijk maakt. In het nazorgplan moeten de gebruiksbeperkingen en de nazorgmaatregelen worden beschreven. De gebruiksbeperkingen moeten voorkomen dat er contact is met de restverontreiniging om eventuele risico's of verspreiding van de restverontreiniging te voorkomen. De nazorgmaatregelen hebben tot doel om er voor te zorgen dat het bereikte saneringsresultaat blijvend is. Gedeputeerde staten dienen met het nazorgplan in te stemmen.

Omdat artikel 39d van de Wet bodembescherming geen duidelijke opsomming kent van eisen waaraan het nazorgplan moet voldoen, worden in artikel 6.9 eisen gesteld aan de inhoud van het nazorgplan. Hierbij is aansluiting gezocht bij de reeds bestaande praktijk. Het belang van een goed nazorgplan is gelegen in de handhaving van het bereikte eindresultaat van de sanering. De geleverde saneringsinspanning mag niet te niet worden gedaan door een slecht beheer van de restverontreiniging na afloop van de sanering. In het nazorgplan moet derhalve duidelijk zijn opgenomen waaruit de nazorg bestaat en wie daarvoor (financieel) verantwoordelijk is. Voorts is het ook voor derden, zoals toekomstige eigenaren en eigenaren van aan de restverontreiniging grenzende percelen, belangrijk dat zij er op kunnen vertrouwen dat het bereikte eindresultaat van de sanering blijvend is en zij in een later stadium niet (opnieuw) worden geconfronteerd met de verontreiniging.

Toezicht en handhaving (titel 6.10)

Op 2 juli 2002 is het Toezichtsplan Bodemsanering ’Toezicht tot in de Bodem’ door Gedeputeerde Saten vastgesteld. Hierin is de wijze waarop Gedeputeerde Staten toezicht houden op de bodemsaneringen in Brabant vastgelegd. Om dit plan goed te kunnen uitvoeren, is een verbeterde informatiestroom van de saneerders naar het bevoegd gezag noodzakelijk. In de PMV zijn destijds dan ook al regels gesteld inzake de rapportageverplichtingen die zijn genoemd in het Toezichtsplan.

In paragraaf 3 van hoofdstuk IV van de per 1 januari 2006 gewijzigde Wet bodembescherming is op het punt van toezicht en handhaving een aantal verbeteringen dootgevoerd. Afwijkingen van het saneringsplan waarmee is ingestemd kennen een meldingsplicht richting het bevoegd gezag volgens de regeling in artikel 39 lid 4 en lid 5 Wet bodembescherming.
De verplichting tot uitvoeren van de sanering volgens het saneringsplan en eventuele aanwijzingen is verplicht.gesteld in artikel 39 onder a en in artikel 39 onder e Wet bodembescherming zijn de eigenaar, erfpachter of gebruiker van het grondgebied aangewezen als zijnde aanspreekbaar op naleving van gebruiksbeperkingen.

De dienovereenkomstige bepalingen uit de verordening komen dan ook te vervallen. Ook de sinds januari 2006 in artikel 39c van de Wet bodembescherming opgenomen verplichting tot het indienen van een saneringsverslag leidt ertoe dat een regeling van dit onderwerp in het toezichtartikel van de PMV overbodig is geworden.

In verband met de strafbaarstelling via artikel 9 van de PMV is aangehaakt bij artikel 6.10.1 lid 1 tot en met 5 van de verordening, op zichzelf vergelijkbaar met de gebruikelijke keuze van bepalingen tot nu toe.

2.6 Hoofdstuk 7: Ontheffingen

Bij de wijziging van de Wet milieubeheer waarbij het hoofdstuk afvalstoffen is ingevoerd (Stb. 1993, 283), is ook de regeling van 1.2 van de PMV, gewijzigd. Een van de wijzigingen betreft de invoering van een nieuw artikel 1.3 over het verlenen van ontheffingen van de verordening. Het nieuwe artikel is van belang voor de volgende onderwerpen:

 de gevallen waarin ontheffing kan worden verleend;

 wie is bevoegd gezag;

 de toetsingsgronden die bij de beoordeling van een verzoek om ontheffing moeten worden gehanteerd;

 de te volgen procedure.

Deze onderwerpen worden hierna besproken. Daarbij is aangegeven hoe zij in de verordening zijn uitgewerkt.

De gevallen waarin ontheffing kan worden verleend Van aangewezen regels kan ontheffing worden verleend "in daarbij aangegeven categorieen van gevallen". De gevallen waarin ontheffing kan worden verleend, zijn aangegeven in de bijlagen bij de verordening, bij de regels waarop de ontheffing betrekking heeft.

Wie is bestuursorgaan

Bij de aanwijzing van de gevallen waarin ontheffing kan worden verleend, is tevens aangegeven welk orgaan daartoe bevoegd is. Bij deze bevoegdheidstoedeling is aangesloten bij de bestaande verdeling van bevoegdheden.

De toetsingsgronden

Volgens art. 1.3, eerste lid, van de wet kan een ontheffing alleen worden verleend als het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet. In aanvulling daarop is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij het vergunningstelsel van hoofdstuk 8 van de wet.

De procedure

Als hoofdregel volgen aanvragen om ontheffing de procedure van afdeling 3.5 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Alleen als uit een oogpunt van bescherming van het milieu redelijkerwijs geen bedenkingen zijn te verwachten, kan bij de verordening anders worden bepaald. Aan de minimum eisen die hoofdstuk 4 van de Algemene wet bestuursrecht aan de totstandkoming van beschikkingen stelt, zal vanzelfsprekend ook in die gevallen wel moeten worden voldaan. Indien in het kader van deze verordening een andere procedureregeling dan die van afdeling 3.5 3.4 van toepassing is, is dat aangegeven in de bepalingen die de mogelijkheid van ontheffing regelen (veelal dus in de bijlagen).

De procedureregeling in de verordening kan zeer beperkt blijven. In aanvulling op de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht is alleen bepaald aan welke eisen een aanvraag om ontheffing moet voldoen en wie als adviseur resp. bestuursorgaan bij de totstandkoming van de beschikking op de aanvraag worden betrokken.

De verordening bevat verder nog enige bepalingen over het verlenen van een ontheffing onder beperkingen of voorschriften en de wijziging of intrekking van ontheffingen. Ook bij deze bepalingen is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij hoofdstuk 8 van de wet.

Het is aannemelijk dat het bij het besluit naar aanleiding van een verzoek om ontheffing van meerdere bepalingen niet om een beschikking gaat, maar om een bundel beschikkingen. Omdat bevoegd gezag en totstandkomingsprocedure verschillend kunnen zijn, zal niet steeds met één ontheffingsbesluit kunnen worden volstaan.

2.7 Hoofdstuk 8: Vergoeding van kosten en schade

Dit hoofdstuk bevat enkele procedurele bepalingen met betrekking tot de totstandkoming van een beslissing over de vergoeding van schade en kosten door het van toepassing worden van bepalingen van deze verordening ingevolge artikel 15.21, eerste lid, onder a, juncto artikel 15.20 en ingevolge artikel 15.22 van de wet.

In de artikelen 15.20 en 15.21 van de wet zijn de criteria opgenomen waaraan moet worden voldaan wil men voor vergoeding van schade en kosten door het bevoegde gezag in aanmerking komen. De Wet milieubeheer bevat daarnaast bepalingen inzake de advisering door deskundigen en de mogelijkheid tot het instellen van beroep bij de administratieve rechter. Het is aan Provinciale Staten overgelaten de procedure voor de besluitvorming door het bevoegd gezag in te richten, vanzelfsprekend rekening houdend met de Algemene wet bestuursrecht.

In artikel 8.2 is gebruik gemaakt van de aanvullende bevoegdheid om te specificeren welke gegevens voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn. De gegevens die in dat artikel zijn opgesomd vormen de basisgegevens die de aanvraag ten minste dient te bevatten. Uit de Algemene wet bestuursrecht (artikel 4:2) blijkt dat van de aanvrager verlangd kan worden dat hij (voorts) de gegevens en bescheiden verschaft die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn.

Uitgaande van die basisgegevens kan het bevoegde gezag ertoe besluiten een formulier vast te stellen met daarin een verdergaande specificatie van de gevraagde gegevens (artikel 4:4 van de Algemene wet bestuursrecht).

Het bevoegde gezag kan zich laten adviseren door een of meer deskundigen. Wezenlijk voor de advisering inzake besluiten omtrent de toekenning van een vergoeding van kosten dan wel schade is bovendien dat de deskundigen in staat zijn een onpartijdig oordeel te geven over de toepasselijkheid van de wettelijke criteria op de aanvraag om vergoeding of op de ambtshalve toekenning daarvan. Het bevoegde gezag regelt ook de werkwijze van deskundigen, de termijn waarbinnen het advies moet worden uitgebracht.

De aanvrager van een vergoeding van kosten of schade of degene aan wie Gedeputeerde Staten uit eigen beweging een schadevergoeding willen toekennen wordt de gelegenheid geboden aan de deskundigen zijn aanvraag toe te lichten dan wel zijn opvattingen omtrent het voornemen tot ambtshalve toekenning kenbaar te maken. Omdat de kosten in verband met de verlening van schadevergoeding een gevolg is van bepalingen ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning, voor rekening kan worden gebracht van de betrokken grondwaterontrekker, heeft deze een bijzonder belang bij de besluitvorming terzake. Om die reden wordt ook deze grondwaterontrekker in de gelegenheid gesteld aan de deskundigen mondeling zijn opvattingen kenbaar te maken over een schadevergoedingsaanvraag of het voornemen van Gedeputeerde Staten om uit eigen beweging een vergoeding toe te kennen.

Een hoorzitting vervult bij het vergaren van de benodigde kennis een zeer nuttige rol. De aanvrager kan een toelichting geven op de aanvraag en vragen van de deskundigen beantwoorden. Zo nodig kan het bevoegde gezag daarna een verzoek laten uitgaan om aanvullende gegevens; ook kan er nog behoefte zijn aan gegevens en bescheiden waarover het gezag zelf beschikt of redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Voor de organisatie van de hoorzitting wordt zorg gedragen door een ambtelijk secretariaat, dat ook als intermediair tussen de deskundigen en Gedeputeerde Staten fungeert.

Indien het bevoegde gezag advies van deskundigen heeft ingewonnen omtrent een aanvraag om vergoeding of omtrent het voornemen tot een toekenning daarvan uit eigen beweging, zendt het dit advies aan de belanghebbende. In de verordening is bepaald dat ook de grondwateronttrekker dat recht toekomt als Gedeputeerde Staten naar aanleiding van het advies voornemens zijn een vergoeding toe te kennen.

De regeling omtrent vergoeding van kosten en schade ten aanzien van gedragingen binnen inrichtingen staat vermeld in artikel 15.20 van de wet. In artikel 8.5 is gebruik gemaakt van de aanvullende bevoegdheid om te specificeren waaraan een verzoek aan Gedeputeerde Staten om instemming met de toekenning van een vergoeding van kosten dan wel schade dient te voldoen.

2.8 Hoofdstuk 9 Handhaving

Artikel 1a, onder 1, van de Wet op de economische delicten (WED) merkt overtredingen van voorschriften gesteld bij of krachtens de PMV aan als economische delicten, voor zover die overtredingen worden aangeduid als strafbaar feit. In artikel 9.1 van de verordening is de door artikel 1a, onder 1 van de WED vereiste strafbaarstelling in de vorm van een opsomming van de relevante verbodsbepalingen uit de verordening opgenomen. In artikel 18.18 van de wet is een verbodsbepaling opgenomen met betrekking tot een "gedraging in strijd met een voorschrift dat is verbonden aan een krachtens deze wet verleende vergunning of ontheffing". Hieronder is medebegrepen een gedraging, die in strijd is met voorschriften verbonden aan een krachtens de PMV verleende vergunning of ontheffing. Deze conclusie kan worden getrokken op grond van artikel 18.1, juncto artikelen 1.2 en 1.3, van de wet.

Artikelgewijze toelichting

3.1 Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen

Artikel 1.1

Voor de inhoud van verschillende van de in de verordening gehanteerde begrippen (zoals inspecteur en provinciaal milieubeleidsplan) behoeft geen omschrijving te worden gegeven, omdat artikel 1.1 van de wet bepaalt dat de daar gegeven omschrijvingen doorwerken in de verordening.

Voor een toelichting op de begripsbepalingen "meerjarenplan" en "plichtgebied" wordt verwezen naar de toelichting bij titel 4.3.

Voor de definities van afvalwater, huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater is aangesloten bij de definities die zijn opgenomen in het Lozingenbesluit bodembescherming (Besluit van 8 december 1997, houdende regels met betrekking tot het in de bodem lozen van vloeistoffen) en het Lozingenbesluit Wvo huishoudelijk afvalwater (Besluit van 24 januari 1997, houdende regels voor directe lozingen van huishoudelijk afvalwater). Voor het bereik van deze verordening wordt onder bedrijfsafvalwater uitsluitend verstaan afvalwater afkomstig van inrichtingen die vallen onder het beleid zoals dat is vastgelegd in de Nota lozingen buitengebied, vastgesteld door Gedeputeerde Staten d.d. 11 maart 2003. In artikel 5.4A.1 van deze verordening (en de toelichting hierop) wordt aangegeven welke soort inrichtingen dit zijn. Voor een verdere toelichting op de definitie van een IBA III volgt hieronder de tekst van de Nota lozingen buitengebied, door Gedeputeerde Staten vastgesteld d.d. 11 maart 2003:

IBA

Dit begrip staat voor Individuele Behandeling van Afvalwater. Het zijn kleine zuiveringssystemen die al naar gelang hun zuiveringsrendement in 3 klassen worden onderscheiden (in volgorde van oplopend zuiveringsrendement):

  • IBA I

Hieronder valt onder meer de (6 m3) verbeterde septic tank, of een andere IBA klasse I. De IBA I is gericht op fysische zuivering van zwevend stof en een geringe afbraak van organisch materiaal. Het zuiveringsrendement bedraagt ongeveer 30 – 40%. De IBA I moet voldoen aan de voorschriften zoals gesteld in het Lozingenbesluit bodembescherming.

  • IBA II

De IBA klasse II is gericht op fysische verwijdering van zwevend stof en biologische zuivering van organisch materiaal. Het zuiveringsrendement bedraagt zo’n 80 – 90%.

  • IBA III, verdeeld in IBA IIIa en IBA IIIb

De IBA klasse IIIa is gericht op fysische verwijdering van zwevend stof en biologische zuivering van organisch materiaal en stikstof (N-totaal). Bij de IBA klasse IIIb komt daar ook nog de verwijdering van fosfaat (P-totaal) bij. Het zuiveringsrendement bedraagt ongeveer 95 – 98%. Attestering (een keuring) van de IBA systemen vindt plaats door TNO en het Van Hall Instituut te Leeuwarden, waarbij de productonderdelen door Kiwa worden gecertificeerd. IBA systemen die in Noord-Brabant worden toegepast, dienen te zijn gecertificeerd of zich in het certificeringstraject te bevinden. Onder gecertificeerd wordt verstaan dat er een attest en een productcertificaat is afgegeven. IBA’s die in het certificeringstraject zitten, komen alleen in aanmerking indien de leverancier de garantie afgeeft dat de IBA op redelijke termijn gecertificeerd wordt. De eisen waaraan de te plaatsen IBA III moet voldoen, volgen uit de het rapport “Individuele Behandeling van Afvalwater, IBA systemen. Handreiking voor de uitvoering van het Lozingenbesluit Wvo huishoudelijk afvalwater en het Lozingenbesluit bodembescherming” van de CIW/CUWVO van januari 1999. Hierin is voor een IBA, klasse IIIa (het minimum-vereiste voor kwetsbare gebieden op grond van deze verordening) het volgende bepaald: In het effluent mogen de gehaltes aan onderstaande stoffen de daarbij genoemde waarden niet overschrijden.

p a r a m e t e r 24-uurs debiets-proportioneel monster (mg/l)
B Z V 2 0
C Z V 1 0 0
N - t o t 3 0
N - N H 4 2
zwevende stof 3 0
p a r a m e t e r in enig steekmonster (mg/l)
B Z V 4 0
C Z V 2 0 0
N - t o t 6 0
N - N H 4
zwevende stof 6 0

Het effluent moet voldoen aan eisen ten aanzien van: geur: het effluent moet nagenoeg reukloos zijn; kleur: het effluent moet nagenoeg kleurloos zijn. Er dient een logboek bijgehouden te worden waarin de data van slibverwijdering worden opgenomen. Tevens dienen hierin eventuele storingen met mogelijke oorzaak en getroffen maatregel te worden vermeld.

1.2 Hoofdstuk 2. Provinciale commissie voor milieu en water Vervallen

3.3 Hoofdstuk 3. Inspraak bij besluiten van algemene strekking

Artikel 3.1.2

Bij de wijziging van een plan moet worden gedacht aan een wijziging van het plan op hoofdlijnen, die niet kan wachten op de reguliere vaststelling van een nieuw plan als bedoeld in artikel 4.9, juncto artikel 4.12, van de wet. Ook in het geval dat deze wijziging noodzakelijk is ten gevolge van de vaststelling of herziening van een (nieuw) streekplan of waterhuishoudingsplan, moet de onderhavige inspraakregeling worden toegepast, al heeft bij de voorbereiding van een dergelijk plan reeds de nodige inspraak over de voorgenomen herziening van het milieubeleidsplan plaatsgevonden. Zou inspraak achterwege worden gelaten, dan kan dit gevolgen hebben voor de rechtsgeldigheid van het plan c.q. van op basis van dit plan tot stand gekomen beschikkingen. Ook kan dit leiden tot beklag over de wijze van toepassing van de verordening.

Hoewel het plan geen bindende werking heeft (met de inhoud moet worden rekening gehouden), kan het gewenst zijn een procedure in het plan zelf op te nemen om lichte afwijkingen van het plan procedureel in te kaderen. Daarmee wordt bevorderd dat wordt voldaan aan de eis van een zorgvuldige voorbereiding die aan een afwijking van het plan moet worden gesteld. Het is ook mogelijk om ad hoc afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing te verklaren.

3.4 Hoofdstuk 4. Algemeen provinciaal milieubeleid

Titel 4.3 Afvalstoffen

Artikel 4.3.0

Onder a

De hier gegeven definitie van “inzamelen” heeft geen betrekking op het inzamelen van huishoudelijk afval. Voor het inzamelen van huishoudelijk afval geldt een bredere omschrijving, aangezien de gemeentelijke inzamelstructuur zowel uit haal- als brengvoorzieningen (bijvoorbeeld glasbakken) bestaat.

Onder b

De landelijke lijst is opgenomen als bijlage IB bij het Meerjarenplan Gevaarlijke Afvalstoffen II. Voor een nadere toelichting op het stelsel van plicht- en rechtgebieden wordt verwezen naar de toelichting op de module Gevaarlijke Afvalstoffen.

onder h:

In het kader van dit artikel is het uitdrukkelijk niet de bedoeling dat grotere gebiedsdelen –zoals bijvoorbeeld de gehele bebouwde kom van de gemeente- als één locatie of werk worden geïnterpreteerd.

onder j:

De toegevoegde waarde van mobiele installties wordt primair gevormd door het besparen van transportkilometers. Dit is in elk geval aan de orde zodra het merendeel van de vrijkomende steenachtige materialen na bewerking ter plaatse doelmatig worden toegepast. Er is slechts sprake van een doelmatige tepassing indien de te gebruiken hoeveelheden secundaire grondstoffen zijn afgestemd op de functie daarvan in het werk en de toepassing dus niet het karakter heeft van het bergen van overtollige grondstoffen.

§ 4.3.1 Huishoudelijke afvalstoffen VERVALLEN

§ 4.3.2 Afvalwater

Artikel 4.3.2.1

Voor de inhoud van de aanvraag is aansluiting gezocht bij de in artikel 4.22 van de wet voorgeschreven inhoud van het rioleringsplan. Onder het betreffende gedeelte van het grondgebied van de gemeente wordt in ieder geval verstaan nabijgelegen gerioleerde gebieden waarop de onderhavige percelen aangesloten zouden kunnen worden. In voorkomende gevallen dient daarbij tevens over de gemeentegrens heen te worden gekeken.

Artikel 4.3.2.2

Ontheffing van de zorgplicht tot aanleg van riolering betekent veelal het laten voortduren van afvalwaterlozingen op het oppervlaktewater met alle nadelige gevolgen voor de waterkwaliteit. Het is dan ook van zwaarwegend belang dat de betrokken waterbeheerders hierover worden gehoord. Onder betrokken waterbeheerders dient te worden verstaan de kwaliteits- en kwantiteitsbeheerder. In bijna alle gevallen zal naast het kwaliteitsaspect ook het kwantiteitsbeheer van oppervlaktewater aan de orde zijn. Daarbij kan worden gedacht aan de afvoer van water, de aanvoer van water voor verversing, doorspoeling en peilbeheersing. Beide waterbeheerders worden in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen. Wellicht kunnen door het voorschrijven van aanvullende maatregelen in het besluit tot ontheffing de nadelige effecten daarvan worden beperkt. Ook kan gedacht worden aan een tijdelijke ontheffing als overgangsmaatregel voor de aanleg van riolering op termijn.

Artikel 4.3.2.3

De termijn van twaalf weken is gekozen in verband met de voorgeschreven inspraaktermijn (vier weken) en de advisering door de waterbeheerders.

§ 4.3.3 Bedrijfsafvalstoffen

VERVALLEN

§ 4.3.4 Gevaarlijke afvalstoffen

VERVALLEN

Titel 4.4 Gebruik van gesloten stortplaatsen

Artikel 4.4.1

Ad a)

De definitie van “voormalige stortplaats” is overgenomen uit artikel 15.44, eerste lid, onder c, van de wet.

Ad b)

De omschrijving in artikel 8.47 Wet milieubeheer van het begrip gesloten stortplaats werkt weliswaar door in de bepalingen van titel 8.3 en de daarop gebaseerde bepalingen, maar de onderhavige regeling is gebaseerd op artikel 1.2 Wet milieubeheer. Daarom is – onder verwijzing naar artikel 8.47 – het begrip in deze verordening gedefinieerd.

Ad g)

De nazorgvoorzieningen zijn de voorzieningen ter bescherming van het milieu als bedoeld in artikel 8. 49, eerste en tweede lid, van de Wet milieubeheer. De voorzieningen kunnen zich ook buiten de locatie van de gesloten stortplaats bevinden, bijvoorbeeld in geval van peilbuizen. Ook voor gebruik van grond buiten de gesloten stortplaats waar zich dergelijke voorzieningen bevinden, is een ontheffing nodig, zo blijkt uit artikel 4.4.2, eerste lid.

Ad h)

Het begrip “werk” is overgenomen uit de begripsbepaling van het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming (Stb.1995, 567).

Artikel 4.4.2

In deze bepaling wordt het verbod geregeld ten aanzien van het gebruik van een gesloten stortplaats. Een soortgelijk verbod met betrekking tot een voormalige stortplaats is opgenomen in artikel 4.4.3. De omschrijving van de verboden gedragingen in het eerste lid, onder a en b, is vergelijkbaar met hetgeen in de Wet beheer rijkswaterstaatswerken onderworpen is aan een vergunningstelsel ter bescherming van waterstaatswerken. Onder stoffen vallen vaste stoffen, vloeistoffen, combinaties van stoffen en preparaten. In deze bepaling zijn uitgezonderd "afvalstoffen", omdat het verbod om zich van afvalstoffen te ontdoen door deze buiten een inrichting op of in de bodem te brengen al is geregeld in artikel 10.2 van de Wet milieubeheer. Vanwege het bijzondere karakter van nazorgvoorzieningen is toegevoegd dat ook handelingen die nazorgvoorzieningen kunnen beschadigen (bijvoorbeeld het bewerken van grond), verboden zijn zonder ontheffing.

In het tweede lid is een aantal situaties van het verbod uitgezonderd:

Ad a)

Voor het treffen van de nazorgmaatregelen zelf is geen ontheffing nodig.

Ad b) en c)

Evenmin is ontheffing nodig voor handelingen in- of ter oprichting van een inrichting. De belangenafweging in deze ligt bij het bestuursorgaan dat bevoegd is om op de aanvraag van de vergunning te beslissen. Teneinde te waarborgen dat dit bestuursorgaan tevens de nazorgaspecten bij de belangenafweging betrekt, is artikel 4.4.7 opgenomen.

Ad d)

Het betreft hier saneringshandelingen.

Artikel 4.4.3

In deze bepaling wordt het verbod geregeld ten aanzien van de voormalige stortplaats. De voormalige stortplaatsen vallen niet onder het bereik van Titel 8.3. van de wet. Nazorgvoorzieningen zullen dan veelal niet of slechts in beperkte mate aanwezig zijn. Deze zijn dan niet aangelegd op grond van een nazorgplan, maar op grond van een hergebruikpplan of op eigen intiatief van een (voormalige) eigenaar.
Voor het overige is de toelichting bij artikel 4.4.2 ook van toepassing op dit artikel, met dien verstande dat ad a) in plaats van “nazorgplan” gelezen moet worden: “hergebruikplan”.

Artikel 4.4.4

Dit artikel dient gelezen te worden in samenhang met de algemene bepalingen inzake ontheffing in hoofdstuk 7 van deze verordening. Ingevolge artikel 7.4 kan een ontheffing onder beperkingen worden verleend en kunnen aan een ontheffing voorschriften worden verbonden. Dergelijke voorschriften kunnen betrekking hebben op de aanlegfase (de wijze waarop werken worden gemaakt of voorwerpen worden geplaatst), maar ook op het feitelijke gebruik nadien. Dat volgt uit de omschrijving van artikelen 4.4.2 en 4.4.3 waaruit blijkt dat het verbod op voortgezette handelingen betrekking heeft (werken behouden, stoffen of voorwerpen laten staan of liggen, handelingen verrichten). Het is echter niet mogelijk aan de ontheffing het voorschrift te verbinden dat de gebruiker financiële zekerheid stelt. Voor de milieuvergunning is in artikel 8.15 Wet milieubeheer bepaald dat dat wel kan in gevallen die bij AMvB zijn aangewezen. (Het Ontwerp-besluit financiële zekerheid milieubeheer (Stcrt 16 juli 2001, nr 134) beoogt zekerheidstelling mogelijk te maken voor afvalstoffeninrichtingen en voor enkele nader aangeduide inrichtingen (aanvaardbaar, tijdelijk verhoogd of hoog risico volgens de Nationale Richtlijn Bodembescherming, paragraaf 3 van het BRZO van toepassing, opslag nader aangeduide gevaarlijke stoffen)). In het algemeen zal het bij activiteiten op of nabij een stortplaats niet om dit soort inrichtingen gaan.

Artikel 4.4.5

In dit artikel wordt aangegeven aan welke eisen de aanvraag in ieder geval dient te voldoen. De onder b bedoelde gegevens over het voorgenomen gebruik van de stortplaats moeten het mogelijk maken te beoordelen of ontheffing kan worden verleend voor de werken, stoffen, voorwerpen en handelingen die de aanvrager nodig heeft voor het voorgenomen gebruik van de stortplaats. De aanvrager zal daarover dus informatie moeten verschaffen. Indien (tevens) gebruik gemaakt zal worden van locaties buiten de stortplaats waar nazorgvoorzieningen aanwezig zijn, dient ook hiervan een beschrijving te worden overgelegd. Met onderdeel d. wordt beoogd dat de aanvrager aangeeft welke personen en bedrijven als zakelijk gerechtigde of gebruiker mogelijk belang hebben bij het voorgenomen gebruik van aanvrager. De provincie kan zonodig de zakelijk of persoonlijk gerechtigden in de gelegenheid stellen op de aanvraag te reageren. De zinsnede “de aanleg van nazorgvoorzieningen” in onderdeel e ziet met name op voormalige stortplaatsen. De overige onderdelen behoeven geen toelichting.

Opgemerkt wordt nog dat gedeputeerde staten zonodig op grond van artikel 4:5 Algemene wet bestuursrecht aanvullende informatie kunnen vragen indien de verstrekte informatie onvoldoende is voor de beoordeling van de aanvraag. Zo kan bijvoorbeeld in geval van het neerleggen van stoffen of voorwerpen (artikel 4.4.2, eerste lid, onder b) informatie worden gevraagd over de aard en samenstelling van die stoffen of voorwerpen.

Artikel 4.4.6

Indien de voormalige of gesloten stortplaats met het oog op een andere bestemming voor hergebruik wordt ingericht dient bij de aanvraag een hergebruikplan overgelegd te worden. Het hergebruikplan moet voor wat betreft ruimtelijke, economische en milieuhygiënische aspecten resulteren in een duurzaam gebruik van de voormalige of gesloten stortplaats.

In het hergebruikplan moet, gerelateerd aan de te realiseren functie, tenminste aandacht besteed worden aan:

• het onderzoek, dat verricht is;

• de actuele risico’s (humane, ecologische en verspreidingsrisico’s) en toekomstige risico’s;

• de maatregelen, die genomen worden om eventuele actuele risico’s (in relatie met de toekomstige functie en inrichting) weg te nemen danwel tot een acceptabel minimum te beperken;

• de nazorgactiviteiten.

Gedeputeerde staten zullen het hergebruikplan toetsen aan het beleid als opgenomen in de “Nota hergebruik van stortplaatsen”. Doelstelling van het beleid is zuinig gebruik van ruimte en grondstoffen en bescherming van het milieu tegen de nadelige gevolgen die van stortplaatsen na sluiting zouden kunnen uitgaan. Met de nota wordt beoogd hergebruik van stortplaatsen zowel ruimtelijk als milieuhygiënisch mogelijk te maken door enerzijds hergebruik van stortplaatsen te stimuleren en om anderzijds duidelijk aan te geven aan welke randvoorwaarden initiatiefnemers moeten voldoen. Voor de voormalige stortplaatsen wordt vooruitlopend op mogelijke landelijke wetgeving in aansluiting op het onderzoek naar de milieusituatie (NAVOS) in de nota interim-beleid geformuleerd.

Het derde lid is opgenomen teneinde buiten twijfel te stellen dat het ingediende hergebruikplan deel uitmaakt van de aanvraag om ontheffing. Gedeputeerde staten zullen de inhoud van het hergebruikplan bij hun beslissing omtrent de aanvraag om ontheffing betrekken.

Artikel 4.4.7

Dit artikel is opgenomen om de afstemming te waarborgen met de vergunningverlening voor inrichtingen op grond van de wet. De wettelijke basis voor dit artikel is gelegen in artikel 8.46 van de wet. Het bevoegd gezag zal bij de belangenafweging nadrukkelijk moeten betrekken de bestaande situatie van de voormalige of gesloten stortplaats, inclusief de al dan niet aanwezige nazorgvoorzieningen en de invloed van de op te richten inrichting daarop. Het is raadzaam dat het het bevoegd gezag, indien dit niet is gedeputeerde staten, reeds in een vroeg stadium van de besluitvormingsprocedure ten aanzien van de aanvraag om vergunning overleg pleegt met gedeputeerde staten. In ieder geval moet hiervan sprake zijn als het bevoegd gezag het voornemen heeft om de vergunningaanvraag te honoreren.

3.5.1 Hoofdstuk 5. Bijzondere gebieden

Titel 5.1 Aanwijzing van bijzondere en kwetsbare gebieden

Artikel 5.1.1

Hoofdstuk 5 is aangepast omdat we te maken krijgen met 3 soorten gebieden:

  1. stiltegebieden - huidige bijlage 6, uitgewerkt in bijlage 10A;

  2. ‘bijzondere gebieden’ waar regels gelden ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning (grondwaterbeschermingsgebieden) – huidige bijlage 6, uitgewerkt in bijlage 10B;

  3. ‘kwetsbare gebieden’: gebieden die kwetsbaar zijn voor verontreiniging als gevolg van oppervlaktewater- of bodemlozingen als bedoeld in artikel 1.1; aanwijzing van deze gebieden is noodzakelijk als gevolg van de vaststelling van de Nota lozingen buitengebied. Om duidelijk te maken dat de regels die gelden voor de kwetsbare gebieden NIET gelden voor de bijzondere gebieden, is er voor gekozen om een duidelijk onderscheid te maken en aparte bepalingen in te voeren voor de kwetsbare gebieden.

Op grond van de Wet milieubeheer (Wm) kan de provincie in de PMV voor bijzondere gebieden strengere eisen stellen. Artikel 1.2. Wm stelt dat tenminste regels worden gesteld ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning (de grondwaterbeschermingsgebieden) en met het oog op het voorkomen/beperken van geluidhinder (de zgn. "stiltegebieden"). Indien er sprake is van meer dan gemeentelijk belang kunnen verdere regels gesteld worden ter bescherming van het milieu (eventueel uitsluitend voor aan te wijzen gebieden). De watersysteembenadering is per definitie bovengemeentelijk, dus aanvullende regelgeving in de PMV is mogelijk. Onder "bescherming van de kwaliteit van het milieu" (zie ook art. 4.9 Wm) dient in ieder geval bescherming van de bodemkwaliteit verstaan te worden. Waterkwaliteit en bodemkwaliteit zijn echter onlosmakelijk met elkaar verbonden. Van de bevoegdheid tot het stellen van strengere eisen is in deze tranche gebruik gemaakt door, naast het stellen van regels voor de stiltegebieden en de grondwaterbeschermingsgebieden, ook regels te stellen voor ongezuiverde lozingen van huishoudelijk- of bedrijfsafvalwater in kwetsbare gebieden op oppervlaktewater en in de bodem. De regelgeving is opgenomen in de titels 4.2 en 5.4A en 5.5A; de omschrijving van de kwetsbare gebieden is gebeurd in titel 5.1, bijlage 6A en het bijbehorende kaartmateriaal.

Titel 5.3 Milieu-effectrapportage

VERVALLEN

Titel 5.4 Instructies voor vergunningen voor inrichtingen in bijzondere gebieden.

Artikel 5.4.1

Op 14 maart 2007 is door Provinciale Staten het besluit genomen om in de Pmv een hardheidsclausule op te nemen, waarmee het bevoegde gezag Wet milieubeheer (meestal de gemeente), in plaats van de vastgestelde instructieregels een eigen afweging kan maken bij het opstellen van vergunningvoorschriften. Het middel(voorschrift) dient niet centraal te staan, maar het te realiseren milieudoel. Het is de bedoeling dat de vergunningverlener in overleg met de vergunningaanvrager bepaalt welke maatregelen genomen kunnen worden, het milieurendement van diverse maatregelen in beeld brengt en daarover in voorkomend geval een maatwerkbesluit neemt. Hierbij dient wel te worden gewaarborgd dat de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning wordt beschermd. Om te voorkomen dat de bescherming van de kwaliteit van het grondwater per gemeente verschillend kan worden geïnterpreteerd, dient het bevoegd gezag alvorens zij beslist om af te wijken van de provinciale instructieregels, zowel Gedeputerde Staten als de beheerder van het grondwaterwingebied te horen. Dit is geregeld in het derde lid van artikel 5.4.1.

Titel 5.5 Rechtstreeks werkende regels voor gedragingen in bijzondere gebieden

Artikel 5.5.1

Op de zorgplichtbepaling is in de algemene toelichting bij titel 5.5 ingegaan. In het tweede lid zijn enkele uitzonderingen opgenomen. De noodzaak van de onder a opgenomen uitzondering, dat de zorgplicht niet betrekking heeft op handelingen verricht in vergunningplichtige inrichtingen, volgt uit art. 1.2, zesde lid, van de wet. De zorgplichtbepaling geldt dus wel voor inrichtingen in grondwaterbeschermingsgebieden die niet vergunningplichtig zijn maar onder een Algemene Maatregel van Bestuur vallen. De uitzondering die onder b staat vermeld (geen regels voor de agrarische bedrijfsvoering in een door de Minister van VROM in overeenstemming met de Minister van LNV aangewezen gebied) volgt uit art. 1.2, vijfde lid, van de wet. De uitzondering onder c hangt samen met het feit dat de Wet milieugevaarlijke stoffen en de Wet bodembescherming reeds een zorgplichtbepaling kennen en in het hoofdstuk Afvalstoffen een zorgplichtbepaling zal worden opgenomen.

Artikel 5.5.2

Met betrekking tot stiltegebieden zijn rechtstreeks werkende regels niet toegestaan. De oude bepaling uit 5.5.2 maakte geen onderscheid tussen inrichtinggebonden activiteiten en niet-inrichting-gebonden activiteiten in een stiltegebied. Dit onderscheid is met toevoeging van onderdeel b aan het tweede lid, tot stand gebracht.

3.6 Hoofdstuk 6. Bodemsanering

Titel 6.1 Voorbereiding

Artikel 6.1.1

Voor de inhoud van een aantal begrippen (zoals “bodem” en “geval van verontreiniging”) behoeft geen omschrijving te worden gegeven, omdat artikel 1 van de Wet bodembescherming bepaalt dat de daar gegeven omschrijvingen doorwerken in de verordening. In deze bepaling worden slechts die begrippen omschreven die niet als zodanig in de Wet bodembescherming zijn gedefinieerd. Hiervoor is aangesloten bij de begrippen uit de Wet bodembescherming.

Artikel 6.1.2

Naar aanleiding van een bij hen bekend geworden nader onderzoek of naar aanleiding van een melding als bedoeld in artikel 28 van de Wet bodembescherming dienen Gedeputeerde Staten in een beschikking vast te stellen of er sprake is van een geval van ernstige verontreiniging. Als dit het geval is dienen zij daarbij de risico’s te bepalen van dat geval, waaruit volgt of een spoedige sanering al dan niet noodzakelijk is. Wanneer een spoedige sanering noodzakelijk is, moet tevens het tijdstip waarop met de sanering moet zijn aangevangen, worden bepaald. Als sprake is van zodanige risico’s dat een spoedige sanering noodzakelijk is, kunnen zij in deze beschikking ook aangeven welke tijdelijke beveiligingsmaatregelen aan de sanering vooraf dienen te gaan. Als geen sprake is van dusdanige risico’s, kunnen zij in deze beschikking aangeven welke maatregelen in het belang van de bescherming van de bodem (bodembeschermingsmaatregelen) genomen moeten worden en welke beperkingen in het gebruik van de bodem (gebruiksbeperkingen) door de eigenaar, erfpachter of gebruiker in acht genomen moeten worden.

Indien een melding als bedoeld in artikel 28 van de Wet bodembescherming betrekking heeft op een ernstig geval van verontreiniging, dient deze melding vergezeld te gaan van een saneringsplan. Dit saneringsplan behoeft de instemming van gedeputeerde staten. Dit artikel geeft aan dat de instemming met het saneringsplan de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van de Algemene wet bestuursrecht doorloopt. De eisen die de wet aan de instemming en de te volgen procedure stelt zijn de volgende.

Het saneringsplan moet op grond van artikel 39, tweede lid, binnen vijftien weken door Gedeputeerde Staten worden beoordeeld. Deze termijn kan eenmaal met ten hoogste vijftien weken worden verlengd. Deze specifieke termijn uit de Wet bodembescherming gaat bij toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht voor op de beslistermijn van artikel 3:18 van de Algemene wet bestuursrecht.

Na de uitvoering van de sanering of een fase van de sanering als bedoeld in artikel 38, derde lid, van de Wet bodembescherming, dient een saneringsverslag te worden ingediend. Dit saneringsverslag behoeft de instemming van gedeputeerde staten. De gegroeide praktijk binnen de provincie Noord-Brabant is dat de instemming met het het saneringsverslag niet de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van de Algemene wet bestuursrecht doorloopt maar de kortere procedure van titel 4.1 van de Algemene wet bestuursrecht. In de naar aanleiding van deze nieuwe tranche aan te passen beleidsregels van 18 januari 2000 zal dit dan ook verder worden geformaliseerd. Het saneringsverslag moet op grond van artikel 39c, tweede lid, van de Wet bodembescherming door gedeputeerde staten worden beoordeeld. Als de korte procedure van titel 4.1 van de Algemene wet bestuursrecht wordt toegepast, geldt in principe de "redelijke" termijn van de Algemene wet bestuursrecht en dient het besluit binnen acht weken genomen te worden (artikel 4:13 Algemene wet bestuursrecht).

Indien na de sanering een verontreiniging in de bodem aanwezig is gebleven en in het saneringsverslag staat aangegeven dat gebruiksbeperkingen of bodembeschermingsmaatregelen noodzakelijk zijn, dient in beginsel tegelijk met het saneringsverslag een nazorgplan te worden ingediend. Het nazorgplan behoeft eveneens de instemming van gedeputeerde staten. Op grond van artikel 39d, derde lid, van de Wet bodembescherming binnen zes maanden na ontvangst van het nazorgplan worden beslist door gedeputeerde staten.

In sommige gevallen kan het voorkomen dat de nazorg ingewikkeld is en het opstellen van een uitgebreid nazorgplan meer tijd vergt dan nodig is voor het opstellen van een saneringsverslag. In die situatie kan het nazorgplan later dan het saneringsverslag ter instemming bij het bevoegd gezag worden ingediend. Ook de beoordeling door het bevoegd gezag zal dan meer tijd vergen. Bij de indiening van het saneringsverslag zal de indiener in zo’n geval moeten aangeven dat het nazorgplan ontbreekt en om welke reden.

De uniforme openbare voorbereidingsprocedure in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht voorziet in:

 de terinzagelegging gedurende zes weken van de ontwerp-beschikking en de stukken naar aanleiding waarvan de beschikking of het besluit wordt genomen (het rapport van het nader onderzoek of de melding bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Wet bodembescherming en/of het rapport van een saneringsplan);

- een kennisgeving hiervan in dag- en nieuwsbladen;

-?de mogelijkheid voor belanghebbenden om terzake zienswijzen schriftelijk of mondeling naar voren te brengen.

De toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht wordt, ook buiten de hiervoor al beschreven situaties voor beoordeling van saneirngsverslagen en nazorgplannen, wel eens als te zwaar en onvoldoende op de praktijk toegesneden ervaren. Daarom is in het derde lid van artikel 6.1.2 bepaald dat Gedeputeerde Staten kunnen besluiten de procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht niet toe te passen, indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat aan de toepassing van die procedure geen behoefte bestaat. In de beleidsregels bij dit onderdeel is d.d. 18 januari 2000 door Gedeputeerde Staten nader ingekaderd aan welke criteria wordt getoetst. Deze beleidsregels worden verder geactualiseerd. De betekenis van de keuze van procedures op basis van de Algemene wet bestuursrecht zal naar verwachting verder afnemen door de voorziene uitbreiding van het aantal gevallen van bodemverontreiniging dat met een zg. BUS-melding (BUS staat voor Besluit uniforme saneringen) op basis van de Algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 39b van de Wet bodembescherming afgedaan zal kunnen gaan worden

Ook indien geen toepassing wordt gegeven aan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, gelden de bepalingen van titel 4.1 van de Algemene wet bestuursrecht voor het tot stand komen van beschikkingen dus wel. Met betrekking tot het bieden van inspraak vormen de artikelen 4:7 en 4:8 een minimumregeling. Het vierde lid van artikel 6.1.1 schrijft voor dat indien Gedeputeerde Staten besluiten dat er geen behoefte is aan de toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, zij deze beslissing vermelden in de openbare kennisgeving als bedoeld in artikel 28, vijfde lid, van de Wet bodembescherming.

Artikel 6.1.3

Indien Gedeputeerde Staten zelf in het kader van artikel 48 van de Wet bodembescherming een sanering uitvoeren stellen zij in een beschikking het saneringsplan vast. Ook in dat geval bestaat de mogelijkheid om de procedure volgens afdeling 3:4 van de Awb buiten toepassing te laten.

Titel 6.2 Indienen van aanvragen

Artikel 6.2

De indiening van het rapport van het nader onderzoek, het saneringsplan, het saneringsverslag, het nazorgplan, alsmede het doen van een melding als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Wet bodembescherming, worden voor de toepassing van de Algemene wet bestuursrecht aangemerkt als een aanvraag tot het nemen van een besluit. Ingevolge artikel 6.2 dient een aanvraag te geschieden door middel van een door Gedeputeerde Staten vastgesteld formulier. Dit formulier zorgt ervoor dat de benodigde gegevens voor een beslissing op de aanvraag direct correct worden ingeleverd, alsmede vereenvoudigt het de administratieve afhandeling (zie ook artikel 4:4 juncto 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht). De gegevens die met dit formulier worden verlangd, sluiten aan bij de gegevens die de Wet bodembescherming reeds verlangt en bij de gegevens die ingevolge deze verordening dienen te worden verstrekt. Voor een goede informatieverstrekking naar derden is het nodig om de stukken ter inzage te leggen. Daarom wordt een indiening van deze bescheiden in vijfvoud voorgeschreven. In dit artikel wordt ook alvast rekening gehouden met de verwachte toename van elektronische versies van de hier bedoelde formulieren.

Titel 6.3 Het saneringsplan

Artikel 6.3.1

Artikel 6.3.2

Eerste lid

Deze bepaling is van toepassing op de in artikel 39, eerste lid, van de Wet bodembescherming bedoelde saneringsplannen welke moeten worden ingediend indien sprake is van een voorgenomen sanering van een geval van ernstige verontreiniging. Dit geldt voor zowel de saneringsplannen waarmee Gedeputeerde Staten instemmen als de saneringsplannen die door Gedeputeerde Staten worden vastgesteld. In dit saneringsplan dienen de in de artikel 6.3 van deze verordening vermelde gegevens te worden opgenomen. Deze gegevens zijn op grond van de bevoegdheid die aan Provinciale Staten is toegekend in artikel 39, eerste lid, van de Wet bodembescherming toegevoegd aan hetgeen reeds volgens de artikelen 28, tweede lid, en artikel 39, eerste lid, van de Wet bodembescherming wordt vereist. De vereisten die direct uit de Wet bodembescherming volgen worden in deze verordening zoveel mogelijk niet meer herhaald. Dat was tot nu toe wel het geval. Derhalve zijn diverse bepalingen komen te vervallen.

De functie van het saneringsplan is dat Gedeputeerde Staten zich een goed oordeel kunnen vormen over de aard en omvang van de verontreiniging en over de voorgenomen maatregelen en kunnen toetsen of op milieuhygiënisch toereikende en aanvaardbare wijze zal worden gesaneerd.

De in de verordening gestelde regels worden hieronder nader toegelicht.

a. Algemene gegevens

1/6 Deze gegevens worden gevraagd om een goed beeld te krijgen van de actuele lokale omstandigheden. Ook de kadastrale kaart dient zo veel mogelijk de actuele situatie ter plaatse weer te geven.

3 Een uittreksel van het kadaster geeft informatie over de eigendomssituatie. Er kan zo worden nagegaan of degene die het saneringsplan indient wel de beschikking heeft over het te saneren perceel. In verband met mogelijke overgang van eigendomsrechten of van gevestigde zakelijke rechten mag het uittreksel niet ouder zijn dan drie maanden. Dit laat onverlet dat als de overgang van eigendomsrechten respectievelijk gevestigde zakelijke rechten minder dan drie maanden terug heeft plaatsgevonden, men de meest actuele kadastrale kaart overlegt.

4 De beoogde functie van het terrein heeft een toegenomen betekenis en moet dus altijd duidelijk naar voren komen.

7 /8 De hier bedoelde gegevens dienen ter ondersteuning van de gevalsdefinitie, zoals die voorkomt in artikel 1 van de Wet bodembescherming in de zin van de technische, organisatorische en ruimtleijke samenhang die aan de orde is.

9 De geohydrologische en bodemkundige gegevens moeten een goede indicatie geven over:

-?bodemsamenstelling (watervoerende en -afsluitende lagen);

-?grondwaterstanden en -stromingen;

-?kwel- en infiltratiegebieden.

10 Indien een gefaseerde sanering wordt verzocht, bijvoorbeeld in verband met beschikbare geldmiddelen (investerinsgplannen) dient in het tijdschema, dat het karakter heeft van een planning, de fasering van de uitvoering beschreven te worden. Met het oog op eventuele controles dient in het schema in ieder geval een datum waarop de sanering zal beginnen en een datum waarop de sanering naar verwachting zal zijn afgerond te worden opgenomen..

11 Bij elke sanering zijn diverse partijen betrokken. Hierbij wordt vooral gedacht aan lokale overheid, nutsbedrijven, politie i.v.m. afsluitingen, bewoners enz. De sanering dient immers niet alleen goed gecoördineerd te worden, overleg en afstemming met de andere partijen is eveneens van belang. Om te kunnen nagaan of de juiste partijen bij de uitvoering worden betrokken wordt een specificatie gevraagd van bij de uitvoering betrokken bedrijven en instanties.

12 Er dient een overzicht te worden gegeven van de stand van zaken met betrekking tot de te verkrijgen vergunningen en toestemmingen om de sanering te kunnen uitvoeren. Het verkrijgen van de benodigde vergunningen en toestemmingen en het doen van de vereiste meldingen behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van de meldingsplichtige. Er dient rekening te worden gehouden met de proceduretijd voor het verkrijgen van vergunningen. Het niet beschikbaar zijn van de benodigde vergunningen zal in het algemeen geen grond opleveren voor onthouding van goedkeuring aan het saneringsplan. Wel is de kans aanwezig dat het plan dan niet of slechts ten dele kan worden uitgevoerd.

13 De ramingen van het volume en de oppervlakte in dit onderdeel zijn bedoeld om de Bodem Prestatie Eenheden (BPE’s) te kunnen uitdrukken voor wat betreft de te bereiken bereikte saneringsresultaten.

14 In de saneringspraktijk blijkt er bij omwonenden grote behoefte te bestaan aan inzicht in de mogelijke gevolgen van de uit te voeren werkzaamheden voor de omgeving en de mogelijkheden om deze gevolgen te minimaliseren. De aanwezigheid van een goed omgevingsplan draagt dan in positieve zin bij aan de communicatie en de acceptatie door de omgeving. Voor een dergelijk omgevingsplan is door het Provinciaal Bureau Medische Milieukunde van de GGD-en in de provincies Noord-Brabant en Zeeland (PBMMK) een raamwerk opgesteld. De bepaling is aangevuld om te relatie tussen enerzijds de mogelijke overlast en anderzijds de sanering te benadrukken, omdat niet elke vorm van hinder onder deze bepaling valt. .

b Keuze saneringsvariant

1 /2

De keuze van de saneringsvariant dient te worden gemotiveerd. Uitgangspunt hierbij is dat de bodem ten minste geschikt moet worden gemaakt voor de beoogde functie, waarbij het risico van verspreiding van de verontreiniging zoveel mogelijk beperkt wordt.

Ook dient te worden aangegeven of gebruik gemaakt wordt van terugsaneerwaarden die samenhangen met gebiedsgerichte verbijzondering.

c Beschrijving saneringsmaatregelen

1 Aangegeven wordt welke werkzaamheden noodzakelijk zijn om de uitvoering van de sanering mogelijk te maken. Het kan hierbij gaan om sloop van gebouwen en funderingen, het verleggen van kabels en leidingen, de indeling van het werkterrein, de ontsluiting van het werkterrein, aan- en afvoerroutes, het voorkomen van zettingen, etc.

3 De eventuele hydrologische maatregelen worden omschreven, waarbij onder meer aandacht wordt gegeven aan de dimensionering van de grondwateronttrekkings- en infiltratiesystemen en voor de gekozen zuiveringstechniek. De (geo)hydrologische voorzieningen kunnen zowel een verlaging als een verhoging van het grondwater tot gevolg hebben. Dit hangt af van het feit of het gaat om een onttrekking of het infiltreren van water. Bij de andere technische voorzieningen moet worden gedacht aan voorzieningen voor bodemluchtextractie of het toevoegen van voedingsstoffen voor een in situ sanering van het grondwater. Het is voor een verantwoorde beoordeling van het saneringsplan noodzakelijk dat deze invloeden op de omgeving worden aangegeven, bijvoorbeeld de kans op zettingen en wat daar tegen wordt gedaan in technische zin en/of door het afsluiten van verzekeringen.

4 Zo mogelijk dient te ontgraven grond te worden gereinigd. Daarmee kan worden voorkomen dat onnodig stortplaatsen worden belast met grote hoeveelheden grond. Bovendien kan gereinigde grond worden hergebruikt. Indien de grond niet geheel of slechs gedeeltelijk wordt gereinigd, is een beoordeling van de reinigbaarheid van de grond vereist welke reeds bij de melding op grond van artikel 28, lid 2, sub f, van de Wet bodembescherming dient te worden overgelegd. Ook voor het onttrekken van grondwater dient te worden aangegeven waarom het niet geheel of slechts gedeeltelijk gereinigd zal worden. Hiervoor hoeft echter geen beoordeling van reinigbaarheid te worden overlegd.

5 In aanvulling op de wettelijke eis ten aanzien van de bestemming van de verontreinigde grond wordt een opgave verwacht van de overige vrijkomende verontreinigde materialen. Doel hiervan is een volledig beeld te krijgen van de milieuhygiënische gevolgen van de maatregelen.

6 Voorkomen dient te worden, dat verontreinigde aanvulgrond wordt gebruikt die niet voldoet aan de gestelde saneringsdoelstelling. Onder bepaalde omstandigheden kan licht verontreinigde grond worden hergebruikt, indien daarbij wordt voldaan aan de (wettelijke) eisen.

8 Eventuele maatregelen die milieuhygiënisch ongewenste effecten voor de omgeving kunnen voorkomen of beperken, moeten worden aangegeven, zoals maatregelen die gericht zijn op het voorkomen van stank- en geluidsoverlast en maatregelen gericht op de beperking van emissie van stoffen naar lucht en oppervlaktewater. Soms zullen deze maatregelen in vergunningen zijn voorgeschreven. Met een verwijzing kan dan worden volstaan.

9 Hierbij moet worden aangegeven of wordt voldaan aan de eisen die uit oogpunt van veiligheid en arbeidshygiene algemeen gelden voor de uitvoering van werken.

10 Om de uitvoering van de sanering mogelijk te maken is het noodzakelijk dat bekend is waar kabels en leidingen liggen. In verband met betrokkenheid van de diverse nutsbedrijven is overleg zo vroeg mogelijk gewenst, bijvoorbeeld vanwege de strenge eisen met betrekking tot veiligheid in bepaalde gevallen.

11 Deze bepaling geeft de mogelijkheid van tussentijdse rapportages bij langdurige grondwatersaneringen. In artikel 6.10.1 lid 3 van de verordening worden hiervoor de termijnen vermeld.

Lid 2

Deze bepaling verwijst naar de gegevensdragers van artikel 6.2.1 lid 1 van de verordening. Daarin komen nog technische specificaties en uitwerkingen aan de orde waarvan het te ver zou voeren om die allemaal te gaan benoemen. Deze gegevens kunnen bij een hernieuwde tussentijdse vaststelling van deze gegevensdragers veranderen en ook dat pleit tegen opnemen ervan in de verordening zelf.

Artikel 6.3.3

In artikel 6.3.3. nieuw wordt verdere invulling gegeven aan de groeiende behoefte tot toepassing van alternatieve saneringstechnieken in situ. Dit bijvoorbeeld door het in de bodem brengen van stoffen die de aanwezige verontreiniging aan zich binden. De in artikel 6.3.3 van de verordening opgenomen bepalingen zijn erop gericht de risico’s voor het grondwater als grondstof voor de drinkwatervoorziening maximaal weg te nemen. Zo moet het verloop van de sanering kritisch worden gevolgd en een terugvalscenario worden opgenomen.

Titel 6.4 Betrokkenheid bij de uitvoering

Artikel 6.4.1 en 6.4.2

Met de instelling van een projectgroep wordt beoogd dat belanghebbenden via een vertegenwoordiging in een in te stellen projectgroep hun belangen naar voren kunnen brengen. Op deze wijze kan, afhankelijk van de lokale situatie, aan de betrokkenheid van belanghebbenden een op het geval afgestemde invulling worden gegeven. Er wordt vanuit gegaan dat de behoefte aan het instellen van een projectgroep redelijkerwijs alleen bestaat bij grote gecompliceerde saneringsprojecten. Met de artikelen 6.4.1 en 6.4.2 wordt invulling gegeven aan artikel 52 van de Wet bodembescherming. Door deze invulling van de in artikel 52 van de Wet bodembescherming bedoelde betrokkenheid wordt afgeweken van de toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure die uitgangspunt is bij inspraak op grond van de provinciale inspraakverordening. Artikel 147 van de Provinciewet biedt echter de mogelijkheid te bepalen dat wordt afgeweken van deze voorbereidingsprocedure.

Aanpak van onderzoek en sanering door Gedeputeerde Staten Indien de resultaten van een orienterend onderzoek aanleiding geven tot een verder (nader) onderzoek dient in principe een projectgroep ingesteld te worden, die met het oog op de inspraak als inspraakplatform zal kunnen dienen. Deze projectgroep vervult een belangrijke rol bij het formuleren van een advies aan Gedeputeerde Staten. In de projectgroep worden derhalve de door Gedeputeerde Staten te nemen besluiten voor een groot deel voorbereid. Op deze wijze worden (vertegenwoordigers) van belanghebbenden in staat gesteld om in de voorbereiding van de besluitvorming te participeren. Om de inbreng van het desbetreffende gemeentebestuur te waarborgen zal naast een vertegenwoordiger van Gedeputeerde Staten (in principe de projectleider) een vertegenwoordiger van het gemeentebestuur in de gelegenheid worden gesteld om in de projectgroep zitting te hebben (artikel 6.4.2, tweede lid, onder b). Daarnaast bestaat de projectgroep, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, uit vertegenwoordigers van belanghebbende bewoners en andere bij het geval een belang hebbende natuurlijke- en rechtspersonen (bijvoorbeeld eigenaren of gebruikers), de regionale inspectie milieuhygiene, de waterkwaliteitbeheerder en het desbetreffende waterleidingbedrijf indien het geval in grondwaterbeschermingsgebied is gelegen. In sommige gevallen kan het wenselijk zijn dat een vertegenwoordiger van een (overkoepelende) milieuorganisatie zitting heeft in de projectgroep.

Onderzoek en sanering door anderen dan Gedeputeerde Staten De artikelen 6.4.1 en 6.4.2 hebben ook betrekking op saneringen die in eigen beheer worden uitgevoerd. Het betreft hier gevallen waarin de aanpak van een bodemverontreiniging door de veroorzaker, de eigenaar of belanghebbenden wordt gefinancierd. Uiteraard valt de aanpak van saneringen in het kader van de BSB-operatie hieronder. Ook behoren de aanpak met eigen middelen van bodemverontreinigingen door gemeenten, de waterkwaliteitbeheerder, waterschappen of onderdelen van de rijksoverheid en de sanering door derden krachtens een bevel van Gedeputeerde Staten tot deze categorie. In deze gevallen wordt de instelling van een projectgroep overgelaten aan degene in wiens opdracht wordt gesaneerd. Wel is bepaald dat Gedeputeerde Staten in hun contacten zullen bevorderen dat een projectgroep wordt ingesteld. Het niet instellen van een projectgroep is op zichzelf overigens geen grond waarop aan het saneringsplan goedkeuring zal worden onthouden. Opgemerkt wordt dat ook bij de gevallen waar het hier om gaat, de beschikking op grond van artikel 29 van de Wet bodembescherming en de goedkeuring van het saneringsplan volgens de openbare voorbereidingsprocedure tot stand komen. Ook indien geen projectgroep wordt ingesteld, hebben belanghebbenden dus mogelijkheden hun zienswijze kenbaar te maken.

Titel 6.5 Beklag Vervallen

Artikel 6.5 Vervallen

Titel 6.6 Bijzondere regels inzake sanering van de waterbodem

Artikel 6.6.1 Omdat de situatie bij waterbodemsanering veelal anders is dan bij landbodemsanering, zijn aanvullende gegevens gewenst bij de melding en het saneringsplan voor waterbodems. Het gaat hierbij dus nadrukkelijk niet om (een herhaling van) de gegevens die tevens in het kader van de landbodemsanering worden gevraagd en die van overeenkomstige toepassing zijn. Opgemerkt wordt dat het nader onderzoek getoetst zal worden aan het protocol voor nader onderzoek, dat door het Ministerie van VROM is opgesteld. In artikel 6.1.1 onder b is aangegeven dat de waterkwaliteitsbeheerder, voor zover deze niet zelf met de sanering is belast, betrokken dient te worden bij de sanering. Het gaat hier om gevallen die zich uitstrekken over de grens van een beheersgebied heen en om gevallen waarbij een ander dan de waterkwaliteitsbeheerder heeft verzocht om te worden belast met de uitvoering van de waterbodemsanering. In artikel 6.1.1 onder c wordt onder onderhoudsbaggerspecie verstaan de baggerspecie die vrijkomt bij het op diepte brengen van oppervlaktewater, vanwege een vaarwegbelang of waterkwantiteitsbelang. De profielen, waar binnen de baggerspecie verwijderd dient te worden, zijn vastgelegd in leggers (de leggermaat) of verordeningen (het vaarwegprofiel). Saneringsbaggerspecie is de baggerspecie buiten het vaarwegprofiel of de leggermaat, die om kwaliteitsredenen verwijderd wordt.

Artikel 6.6.3

Artikel 63g, onder a, van de Wet bodembescherming, schrijft voor dat bij provinciale verordening wordt geregeld op welke wijze de informatievoorziening van de waterkwaliteitsbeheerder aan Gedeputeerde Staten dient te verlopen. Hoewel er een voorkeur bestaat voor het regelen van de te leveren informatie per geval, dient de provinciale milieuverordening hiertoe wel een mogelijkheid te bieden. Deze mogelijkheid wordt geboden middels artikel 6.6.3.

Artikel 6.6.4

Met de inwerkingtreding van de Wet bodembescherming diende voor de verwijdering van onderhoudsbaggerspecie klasse 4 een saneringsplan ingediend te worden, dat de goedkeuring van Gedeputeerde Staten behoefde. Dit belemmerde het onderhoudsbaggerwerk, hetgeen ongewenst was. Om het onderhoud niet onnodig te belemmeren, maar het bevoegd gezag toch een mogelijkheid te bieden om in te grijpen als de situatie dat vereist, is een verkorte procedure voor onderhoudsbaggerspecie klasse 4 ontwikkeld. Deze procedure houdt in dat de onderhoudsplichtige ontheffing kan krijgen van de verplichting tot het opstellen van een saneringsplan en de bijbehorende instemmingsprocedure ingevolge de Wet bodembescherming. Op het verzoek om ontheffing wordt door Gedeputeerde Staten binnen vier weken een besluit genomen. De criteria, op grond waarvan de ontheffing verleend, dan wel geweigerd wordt, zijn in algemene zin in de wet opgenomen. Op grond van artikel 63i, derde lid, van de Wet bodembescherming kunnen aan een ontheffing voorschriften worden verbonden die in het belang van de bescherming van de (water)bodem nodig zijn. Artikel 6.6.4 van de provinciale milieuverordening bevat een uitwerking van de wettelijke criteria. Dit artikel bevat daarom alleen criteria die niet al in voldoende mate zijn uitgewerkt in de Wet bodembescherming. Niet opgenomen in artikel 6.6.4 is de verplichting tot het leveren van gegevens over de risico's ten aanzien van de volksgezondheid en het ecosysteem van het achterblijvende deel. Artikel 63i van de Wet bodembescherming staat een dergelijke onderzoeks- en gegevensverplichting niet toe. Dit dient te worden uitgewerkt in het saneringsplan dat, in een later stadium, voor het achterblijvende deel opgesteld zal moeten worden. Overigens worden de gegevens in de aanvraag om ontheffing mede getoetst aan de protocollen die door VROM zijn opgesteld voor de risicovaststelling (protocollen voor nader onderzoek en de urgentiesystematiek).

Titel 6.7 Wijziging saneringsplan

Artikel 6.7.1

Uit artikel 39, vierde lid, van de Wet bodembescherming vloeit voort dat, indien de uitvoerder van de sanering constateert dat van het saneringsplan zal (moeten) worden afgeweken, twee weken voorafgaande aan de uitvoering hiervan melding wordt gedaan aan gedeputeerde staten. Gedeputeerde staten beoordelen vervolgens binnen twee weken of de afwijking binnen de gekozen saneringsdoelstelling past en acceptabel is. De wijziging moet passen binnen het saneringsplan waarmee reeds is ingestemd. De mededeling dat zulks het geval is, valt derhalve eveneens binnen dit saneringsplan en betreft daarmee geen (nieuwe) beschikking.Van een beschikking is evenmin sprake als gedeputeerde staten constateren dat de wijziging niet past binnen het saneringsplan waarmee reeds is ingestemd. In dat geval zal sprake zijn van een belangrijke wijziging van het saneringsplan (bijvoorbeeld een ander saneringsresultaat) en zal een nieuw saneringsplan moeten worden ingediend, waarop opnieuw besluitvorming plaatsvindt.

In artikel 39, vierde lid, van de Wet bodembescherming is provinciale staten de bevoegdheid gegeven nadere regels te stellen omtrent de gegevens die bij de melding omtrent een wijziging van het saneringsplan worden verstrekt. Voor het beoordelen van een melding tot wijziging van het saneringsplan is het noodzakelijk te vernemen om welke afwijkingen (opsomming hiervan) het gaat, wat de inhoud van deze afwijkingen is en welke gevolgen dit heeft ten opzichte van het eerdere saneringsplan waarmee is ingestemd, alsmede de reden om van het saneringsplan af te wijken. Op grond van artikel 39, vijfde lid, van de Wet bodembescherming kunnen Gedeputeerde Staten aanwijzingen geven naar aanleiding van de melding wijziging saneringsplan. Dit betreft eveneens geen beschikking, aangezien het aanwijzingen betreft op aspecten die binnen het saneringsplan vallen waarmee al is ingestemd.

Titel 6.8 Saneringsverslag

Artikel 6.8.1

Het saneringsverslag geeft het bevoegd gezag inzicht in de manier waarop de sanering is uitgevoerd. Op basis van dit verslag kunnen Gedeputeerde Staten aan de hand van een beschikking, die is ingericht volgens een vast model tot de conclusie komen dat de sanering naar behoren is afgerond, dan wel dat de saneringsdoelstelling als bedoeld in artikel 38 lid 1 van de Wet bodembescherming nog niet helemaal bereikt is.

Artikel 6.8.1 geeft een overzicht van de voor de beoordeling van het saneringsverslag benodigde gegevens en laat in het tweede lid ook de mogelijkheid om, mits goed gemotiveerd, bepaalde gegevens niet of niet opnieuw te verstrekken.

Hrt saneringsverslag komt ook nog ter sprake in de tekst van artikel 6.10.1 en onder de toelichting bij artikel 6.10.1 van deze verordening omdat in dit artikel de meer informele voorganger van dit type saneringsverslagen geregeld was onder de nu vervallen naam “evaluatierapport”. Voor saneringen die integraal afgerond zijn voor 2006 kan nog steeds gebruik gemaakt worden van dit evaluatierapport, maar dat zal in afnemende mate aan de orde zijn.

Artikel 6.8.1 lid 1 sub verwijst ook hier naar de gegevensdrager van artikel 6.2.1 lid 1 van de verordening met daarin technische specificaties en uitwerkingen.

Titel 6.9.1 Nazorgplan

Artikel 6.9.1

Aan de hand van het nazorgplan kunnen Gedeputeerde Staten zich een goed oordeel vormen over de aard en omvang van de restverontreiniging en over de (voorgenomen) maatregelen hieromtrent en kunnen ze toetsen of hier op milieuhygiënisch toereikende en aanvaardbare wijze uitvoering aan wordt gegeven. Het bevoegd gezag stemt slechts met het nazorgplan in als de daarin opgenomen gebruiksbeperkingen of nazorgmaatregelen naar het oordeel van gedeputeerde staten voldoende zijn om er voor te zorgen dat de restverontreiniging niet zal leiden tot kwaliteitsvermindering van de bodem. Het nazorgplan wordt zoveel mogelijk ingediend gelijktijdig met het saneringsverslag van artikel 39c van de wet zodat besluitvorming over het totaal mogelijk is. Zie hiervoor ook de toelichting bij artikel 6.1.2 van de verordening.

In artikel 39d van de Wet bodembescherming worden nagenoeg geen eisen gesteld aan het nazorgplan en wordt dit bewust aan de bevoegde gezagen gelaten. Dit heeft tot gevolg dat in artikel 6.9 van deze verordening eisen zijn opgenomen omtrent de inhoud van het nazorgplan, waarbij is aangesloten bij de praktijk hieromtrent.

Volgens artikel 39e, tweede lid, van de Wet bodembescherming is degene die saneert gehouden de nazorg uit te voeren, dan wel degene die daartoe is aangewezen in het nazorgplan. Het dient gewaarborgd te zijn dat er instemming is van degene die voor de nazorg wordt aangewezen. In de memorie van toelichting bij de “Wijziging van de wet bodembescherming” (29 462) wordt aangegeven dat het belasten van een derde met de nazorg gepaard zal gaan met contractuele afspraken. Om zekerheid te hebben dat de derde op de hoogte is van de – omvang van de – overgedragen nazorg is het noodzakelijk dat bij het nazorgplan waarin een derde als nazorgverantwoordelijke wordt aangewezen het daaraan ten grondslag liggende contract wordt overgelegd. Dit is geborgd is via artikel 6.9.1 lid 1sub j van de verordening.

De derde die wordt aangewezen als nazorgverantwoordelijk kan een opvolgende eigenaar zijn, maar ook een andere rechtspersoon, bijvoorbeeld een specifieke nazorgorganisatie. Het verdient de voorkeur om de tenaamstelling van de beschikking op het nazorgplan te wijzigen bij een nieuwe nazorgverantwoordelijke. Dat kan geschieden door een gezamenlijk verzoek tot naamswijziging van die beschikking. Dit geldt temeer wanneer de locatie nadien wederom van eigenaar verwisselt en beoogd is dat de eigenaar de nazorgverantwoordelijke is.

Lid 2 tot en met 7

In lid 2 tot en met 7 worden de nazorgmaatregelen beschreven. Nazorg richt zich op het beheer van de restverontreinigingen. Dit beheer omvat het gebruik van de bodem, de instandhouding van de eventueel aangebrachte isolatievoorzieningen en de monitoring van de restverontreiniging.

Ten aanzien van het gebruik van de bodem houdt nazorg in dat de gebruiksbeperkingen in acht genomen worden. Een gebruiksbeperking kan bijvoorbeeld zijn, dat gebruik voor consumptie van gewassen uit de tuin niet is toegestaan.

Nazorg richt zich ook op het instandhouden van de isolerende voorzieningen. Deze kunnen zijn aangebracht bij de sanering van immobiele verontreinigingen. Ze kunnen bestaan uit bijvoorbeeld: een leeflaag, deklaag, verhardingslaag of een bouwvloer. Isolerende voorzieningen worden soms aangebracht bij de sanering van mobiele verontreinigingen. Veelal betreft dit complexe mobiele verontreinigingen, waarbij het geheel of een deel van de verontreiniging wordt geïsoleerd. De isolerende voorzieningen kunnen bestaan uit een civieltechnische isolatie, bijvoorbeeld: een damwand, een bovenafdichting, of uit een geohydrologische isolatie, zoals drainage- en grondwateronttrekkingssystemen. Bij isoleren van mobiele verontreiniging hoort een periodieke monitoring van het grondwater om eventuele lekkages te ontdekken, periodieke controle op de werking van de isolerende voorziening en/of vervanging van dergelijke voorzieningen.

Nazorg kan zich ook richten op monitoring van de restverontreiniging zonder dat sprake is van een isolatievoorziening. Dit is alleen relevant bij mobiele verontreinigingen. Indien twijfel bestaat over de stabiliteit van de restverontreiniging, is monitoring van het grondwater gewenst.

Een melding op grond van de Grondwaterwet kan bijvoorbeeld noodzakelijk zijn bij een grondwateronttrekking/beheersing. Verder kan toestemming van de eigenaar van het terrein nodig zijn om het terrein te mogen betreden, als de uitvoering van de nazorg in handen is van een derde (bijvoorbeeld een nazorgorganisatie).

Het nazorgplan dient inzicht te bieden in de kosten van uitvoering. Bovendien moet het voor het bevoegd gezag duidelijk zijn dat de saneerder deze kosten kan dragen. Hiervoor kan eventueel een financiële zekerheidstelling worden verlangd door het bevoegd gezag op grond van artikel 39f, eerste lid, van de Wet bodembescherming.

Artikel 6.9.1. lid 1 onder k verwijst ook hier weer naar de gegevensdrager van artikel 6.2.1 lid 1 van de verordening waarin nog technische specificaties en uitwerkingen aan de orde komen.

Het achtste lid laat de mogelijkheid open om, mits goed gemotiveerd, bepaalde gegevens niet of niet opnieuw te verstrekken.

Titel 6.9. Toezicht en handhaving

Artikel 6.7.1 Vervallen

Artikel 6.7.2

Lid 1

De uitvoerder is degeen, die op grond van de afgegeven beschikking verantwoordelijk is voor de sanering. In de regel zal dit de grondeigenaar zijn of anders een zakelijk gerechtigde op de grond. Deze is aanspreekpunt, indien de vereiste meldingen en rapportages niet plaatsvinden. Dit laat onverlet de mogelijkheid, dat het feitelijk opstellen en indienen van de vereiste documenten overgelaten wordt aan de aannemer, die belast is met de technische realisatie, dan wel een begeleidend adviseur. In het kader van strafrechtelijke handhaving wordt onder de uitvoerder dus ook verstaan: de indiener van het saneringsplan, de eigenaar van het te saneren terrein en de milieukundig begeleider.

Lid 3 en 4

Grondwatersaneringen behoeven vaak veel meer tijd dan de sanering van verontreinigde grond. Als de grondwatersanering op een later tijdstip wordt beëindigd dan de grondsanering is afzonderlijke rapportage over de grondsanering en de grondwatersanering mogelijk. Pas na afronding van zowel de grond- als de grondwatersanering vindt formele besluitvorming over het saneringsverslag van de totale sanering plaats. De aanvrager kan wel alvast een beoordeling van de uitvoering van deze grondsanering vragen. Indien er sprake is van een formele gefaseerde sanering zoals bedoeld in artikel 38, derde lid, van de Wet bodembescherming, kan er per fase een formele afronding plaatsvinden.

In artikel 6.10.1 lid 4 wordt invulling gegeven aan de zinsnede “zo spoedig mogelijk indienen van het saneringsverslag na de uitvoering van de sanering” zoals bedoeld in artikel 39c lid 1 van de Wet bodembescherming. De verwijzing naar het Toezichtsplan Bodemsanering is komen te vervallen als het gaat om de opzet van de voortgangsrapportages omdat de praktijk inmiddels voldoende vertrouwd blijkt te zijn met het opmaken van deze rapportages. Lid 5 is verbeterd vanuit het oogpunt van de provinciale handhaving door aan te geven dat conform de daar genoemde aanwijzingen moet worden gehandeld. Artikel 6.10.1, lid 1 tot en met 5 zijn opgenomen in de strafbepaling van artikel 9 van deze verordening, de voormalige artikelen 6.7.1 en 6.7.2 zijn daaruit verwijderd

Titel 6.11 Gebiedsgericht verbijzondering

Artikel 6.11.1

Er is in toenemende mate sprake van gebiedsgerichte verbijzondering van bodembeleid en bodemgebruikswaarden. Dit vindt bijvoorbeeld plaats binnen het kader van Actief bodembeheer de Kempen en met de door gemeenten vastgestelde Bodemkwaliteitskaarten. De bedoeling van de verordening is zeker niet om deze ontwikkelingen te frustreren en hiertoe dient artikel 6.11.1,

3.7 Hoofdstuk 7. Ontheffingen

Artikel 7.2

In dit artikel en in de artikelen 7.3, 7.5 en 7.6 is voor het weigeren, voor het onder beperkingen of voorschriften verlenen van een ontheffing en voor het wijzigen of intrekken van een ontheffing het specialiteitsbeginsel vastgelegd. Dit beginsel brengt met zich mee dat het belang dat beschermd wordt door de desbetreffende bepaling, steeds de toetsingsgrond voor de bedoelde rechtshandelingen is. Overwogen is of de toetsingsgrond niet "het belang van de bescherming van het milieu" in meer algemene zin zou moeten zijn. Daarvoor zou pleiten dat - voor zover de ontheffing regels betreft die gebieden beogen te beschermen - dat zou passen bij een geïntegreerd gebiedsgericht beleid. Desalniettemin is daarvan vooralsnog afgezien omdat een dergelijke ruime toetsingsgrond tot veel onduidelijkheid zou kunnen leiden.

Artikel 7.4

In dit artikel is bepaald dat een ontheffing geldt voor degene aan wie zij is verleend en aan diens rechtsopvolgers, tenzij in de ontheffing anders is bepaald.

Artikel 7.8

Het verzoek om ontheffing bevat een beschrijving van de gedraging waarvoor een ontheffing wordt verzocht. Het begrip "gedraging", dat aansluit bij de in strafbepalingen gehanteerde terminologie, moet in de meest ruime zin worden opgevat. Daaronder valt dus ook het oprichten, in werking houden e.d. van een inrichting, het plaatsen en laten staan van een bouwwerk e.d.

Artikel 7.9

In dit artikel worden de adviseurs en de niet als adviseur betrokken bestuursorganen aangewezen. Burgemeester en Wethouders van de gemeente waarin de gedraging zal plaatsvinden, worden als adviseur bij de totstandkoming van de beschikking betrokken, als zij niet zelf bevoegd gezag zijn. Als Gedeputeerde Staten niet bevoegd gezag is en de gedraging in een bijzonder gebied zal plaatsvinden, worden zij als adviseur bij de procedure betrokken.

Artikel 7.10

Dit artikel is van toepassing bij beschikkingen op grond van bijlage 10, onderdeel B, en garandeert de betrokkenheid van de grondwateronttrekker bij de totstandkoming van die beschikkingen. De houder van een inrichting bestemd tot het onttrekken van grondwater, die is gelegen binnen een gebied waarbinnen regels gelden ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning, is direct belanghebbende bij de beslissing op een aanvraag om ontheffing van regels die de grondwaterkwaliteit beogen te beschermen.

3.8 Hoofdstuk 9 Handhaving

Artikel 9.1

Artikel 9.1 onder a is aangepast. In de eerste plaats zijn daarin de artikelen geschrapt die inmiddels zijn vervallen in verband met de Wijzigingswet Wet milieubeheer (structuur beheer afvalstoffen). Verder is toegevoegd de strafbaarstelling van overtreding van de artikelen 4.4.2. en 4.4.3. Tevens zijn in artikel 9.1 onder a toegevoegd de artikelen 6.7.1. en 6.7.2. Het soort overtredingen waarbij de start van de sanering niet of niet op tijd wordt gemeld is het best te ‘bestraffen’ met een proces-verbaal. Bestuursrechtelijk handhaven is niet effectief, omdat de gevolgen van de overtreding niet ongedaan kunnen worden gemaakt. Door een gedraging in strijd met deze artikelen strafbaar te stellen kunnen opsporingsambtenaren in geval van overtreding op grond van artikel 1a, onder 1, van de Wet op de economische delicten proces-verbaal opmaken.

3.9 Hoofdstuk 10. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 10.3

Artikel 10.3 regelt het overgangsrecht voor reeds verleende ontheffingen en voor aanvragen die op het moment van inwerkingtreding van de verordening nog in behandeling zijn. Kort samengevat komt het overgangsrecht op het volgende neer:

--?ontheffingen van de Verordening grondwaterbeschermingsgebieden gelden als ontheffingen van de provinciale milieuverordening voor zover zij betrekking hebben op gedragingen ten aanzien waarvan op grond van de nieuwe verordening rechtstreeks werkende regels kunnen worden gesteld;

-?toestemming (in welke vorm dan ook) voor grensoverschrijdend verkeer van afvalstoffen blijft nog drie maanden geldig als binnen die periode een ontheffing is aangevraagd, tot de bezwarentermijn met betrekking tot de beslissing op die aanvraag is verstreken;

-?ingediende aanvragen worden volgens het oude recht afgehandeld.

Toelichting op de Provinciale Milieuverordening Noord-Brabant

## De toelichting is bedoeld als service voor de gebruiker van de verordening. Aan de inhoud van de toelichting kunnen derhalve geen rechten worden ontleend.

Toelichting op de bijlagen

Bijlage 3. Parameters secundaire grondstoffen

Bijlage 4. Aanwijzing van categorieën van afvalstoffen

Bijlage 5. Gevaarlijke afvalstoffen

Bijlage 6. Aanwijzing bijzondere gebieden

Bijlage 6A Aanwijzing kwetsbare gebieden

Bijlage 8. Milieu-effectrapportage

Bijlage 9. Instructies voor vergunningen voor inrichtingen in bijzondere gebieden

Paragraaf 1 Vormgeving van de instructiebepalingen

Paragraaf 2 Toelichting op de instructies

Bijlage 10. Regels voor gedragingen

A. De regels inzake het voorkomen of beperken van geluidhinder (stiltegebieden)

B. De regels ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning

Paragraaf 1. Verordenende bevoegdheid van de provincie

Paragraaf 2. Systematiek van bijlage 10, onderdeel B

Paragraaf 3. Toelichting op de rechtstreeks werkende regels

Toelichting op de bijlagen

Bijlage 3. Parameters secundaire grondstoffen Vervallen

Bijlage 4. Aanwijzing van categorieën van afvalstoffen Vervallen

Bijlage 5. Gevaarlijke afvalstoffen Vervallen

Bijlage 6. Aanwijzing bijzondere gebieden

Toelichting detailkaarten grondwaterbeschermingsgebieden

Algemeen

De detailkaarten van de grondwaterbeschermingsgebieden zijn ontleend aan het grondwaterbeschermingsplan provincie Noord-Brabant (1988). Enkele gebieden zijn na vaststelling van het plan geactualiseerd.

Ten behoeve van de PMV zijn alle detailkaarten bij de 2e tranche in 1995 geactualiseerd.

Met de inwerkingtreding van de 3e tranche in januari 1999 zijn 12 gebieden opnieuw gewijzigd, waarbij de wijzigingen indicatief op kaart zijn aangegeven. Voor de 4e tranche (april 2001) zijn alle kaarten voorzien van de meest recente en beschikbare topografische ondergrond (kaarten 1:25.000). De grenzen van de waterwingebieden, beschermingszones en boringsvrije zones zijn waarnodig aangepast aan de nieuwe topografie. Uitgangspunt hierbij is dat grenzen van beschermingszones en boringsvrije zones zoveel mogelijk samenvallen met in het veld herkenbare structuren welke zo min mogelijk aan verandering onderhevig zijn, tenzij dit zou leiden tot grote afwijkingen ten opzichte van berekende grenzen. In die gevallen worden kadastrale grenzen gehanteerd. Voor waterwingebieden wordt in beginsel de kadastrale eigendomssituatie aangehouden. Bij de meeste gebieden heeft dit er toe geleid dat er kleine wijzigingen aan de begrenzingen zijn doorgevoerd. Daarnaast is bij een aantal pompstations de onttrekkingssituatie zodanig gewijzigd, dat een herberekening van de begrenzingen is uitgevoerd.

Gewijzigde grondwaterbeschermingsgebieden

In onderstaande tabel staat aangegeven welke grondwaterbeschermingsgebieden als gevolg van wijzigingen in de winning of kadastrale eigendomssituatie dan wel door een actuelere topografie zijn aangepast.

Nr. Naam gebied Soort wijziging Oorzaak wijziging

2 Huijbergen Verkleinen beschermingszone westzijde nieuwe topografie

5 Roosendaal 1. Vergroting waterwingebied (wwg) conform kaart WNWB; 2. kleine verkleining wwg linksboven 3. vergroten beschermingszone oostzijde Aankoop perceel door WNWB nieuwe topografie

6 Dorst Verkleinen beschermingszone Noordzijde Perceelssplitsing (aanleg parkeerplaats)

11 Prinsenbosch Verkleinen beschermingszone noordwest Perceelssplitsing 1996

12 Oosterhout Vergroten wwg zuid-west Aankoop perceel

13 Genderen Vergroten wwg centrum Aankoop perceel

14 Gilze Vergroten wwg oostzijde Aankoop perceel

15 Gilzerbaan Vergroten wwg noordzijde Herstellen foutje tranche 2

16 Waalwijk Begrenzing beschermingszone aanpassen: 1. woningbouw noord—oost 2. oostgrens wegberm (N261) westzijde 3. camping ’t Hoekske geheel binnen beschermingszone Nieuwe topografie

17 Nuland Doorgaande wegen uit wwg (Waterleidingstraat, deel Pompstraat en Vliertwijksestraat)

18 Helvoirt/Vlijmen Wegen ten zuiden en westen uit wwg Vaartweg ten zuiden uit wwg

19 Haaren 1. Doorgaande weg uit wwg 2. Kleine grenscorrecties waterwingebied 2. Begrenzing waterwingebied aangepast aan kadastrale situatie

20 Lith 1. Vervallen waterwingebied oostelijk van Kesselseweg 2. Uitbreiding waterwingebied westelijk van Kesselseweg 3. Verkleinen beschermingszone oostzijde en uitbreiding aan noord- en westzijde 1. Puttenveld nooit gerealiseerd 2. Aanpassing aan concessiegebied. Grondwaterwetvergunning 3. Herberekening zone op basis van nieuwe situatie

21 Macharen Doorgaande wegen (Hoogoordstraat en Langelsestraat) en watergangen uit wwg

22 Loosbroek Verbreden puttenveld zuid. Doorgaande wegen en watergangen uit wwg Nieuwe topografie

23 Boxmeer 1. Doorgaande weg uit wwg 2. Kleine grenscorrecties beschermingszone 2. Nieuwe topografie

24 Schijndel Boringsvrije zone aanpassen Nieuwe topografie

25 Veghel 1. Verkleinen wwg noord-west 2. Verkleinen/vergroten wwg zuidzijde 3. Doorgaande wegen uit wwg 4. Kleine grenscorrecties boringsvrije zone 1. Correctie 2. Pompstation uit wwg, nieuwe percelen erbij 4. Nieuwe topografie

26 Vierlingsbeek Aanpassen beschermingszone Nieuwe topografie

27 Son 1. Doorgaande wegen uit wwg (Brouwmeesterkampweg en Achterste Heistraat) 2. Kleine grenscorrecties boringsvrije zone 2. Nieuwe topografie

28 Oirschot 1. Vergroten wwg zuidzijde 2. Doorgaande wegen uit wwg 1. Nieuwe topografie

29 Vessem 1. div. aanpassingen beschermingszone 2. Doorgaande weg uit wwg (Merenweg) 1. Nieuwe topografie

30 Lieshout 1. Verkleinen waterwingebied t.p.v. Sonseweg 2. Doorgaande wegen uit wwg 1. Nieuw fietspad langs zuidzijde weg wordt nieuwe grens wwg

32 Someren 1. Uitbreiden wwg noord-westzijde 2. Doorgaande wegen uit wwg (Kerkendijk, Panweg, Bosweg en Kruisbaan) 1. Uitbreiding met Nieuw puttenveld

33 Budel Toegangsweg pompstation uit wwg

34 Aalsterweg/ Klokputten 1. Uitbreiden wwg Klotputten 2. Uitbreiden boringsvrije zone Klotputten 3. Verkleinen boringsvrije zone Aalsterweg 4. Verkleinen waterwingebied Aalsterweg 1. Gedeelte van winning Aalsterweg is verplaatst naar nieuw puttenveld Klotputten 4. Gewijzigde bestemming

35 Groote Heide 1. vergroten wwg 2. Doorgaande weg uit wwg (Huisvenseweg) 1. Grenzen aanpassen aan minimale bacteriologische beschermingszone

36 Helmond 1. Verschuiving beschermingszone in zuid-oostelijke richting 2. Vervallen reserveringsgebied 1. reallocatie putten 2. geen toekomstige uitbreiding meer voorzien

37 Empel Vervallen reserveringsgebied Geen toekomstige uitbreiding meer voorzien

39 Welschap 1. Doorgaande wegen uit wwg (Welschapsedijk en Vensedijk) 2. Wijziging boringsvrije zone 2. Herberekening boringsvrije zone op basis van nieuwe inzichten

40 Luyksgestel Uitbreiding beschermingszone (voormalig reserveringsgebied) Kaart is in 1996 reeds aangepast

De 100-jaarszones en herbegrenzing van de zeer kwetsbare gebieden

In het kader van het nieuwe beschermingsbeleid voor grondwater ten behoeve van de drinkwatervoorziening (beleidsplan vastgesteld op 20 september 2002 door PS) zijn voor de 8 zeer kwetsbare winningen naast de bestaande 25 jaarszones ook zogenaamde 100 jaarszones aangekondigd. In een zeer kwetsbaar grondwaterbeschermingsgebied ontbreken slecht doorlatende kleilagen boven de laag waaruit water wordt onttrokken. In het Streekplan 2002 zijn deze beschermingszones met een voorlopig karakter op de plankaart 2 en kaart D afgebeeld en is aangegeven dat de definitieve ligging van de zones in de provinciale milieuverordening wordt opgenomen.

De bestaande 25 jaarszones (juridisch verankerd in de provinciale milieuverordening) zijn midden jaren 80 berekend met behulp van een technisch eenvoudig rekenmodel volgens landelijk vastgestelde uitgangspunten. De hydrologische rekenmodellen zijn de afgelopen 20 jaar aanzienlijk uitgebreid, waardoor meer gedetailleerde berekeningen kunnen worden uitgevoerd.

In het nieuwe beleidsplan voor de drinkwaterbescherming is als actie opgenomen dat de provincie in samenwerking met het waterleidingbedrijf (Brabant Water) naast de 100-jaarszone ook de 25 jaarszones van de 8 zeer kwetsbare winningen met gemoderniseerde modelberekeningen zal bepalen. Ook is aangegeven dat de begrenzing van de bestaande 25- jaarszones, vanwege voortschrijdend technisch inzicht op basis van nieuwe berekeningen zo nodig wordt aangepast.

Op basis van de nieuwe berekeningen van de 25- en 100 jaarszone zijn de zones topografisch begrensd. De topografische begrensde zones hebben de status van beschermingszones. In de 5e tranche van de PMV (augustus 2004) zijn de aanpassingen zichtbaar gemaakt.

  1. Berekening 25- en 100-jaarszones

Voor de berekening van de 25- en 100 jaarszones is het zogenaamde Waterdoelenmodel toegepast. Het Waterdoelenmodel is ontwikkeld voor de provincie Noord-Brabant ten behoeve van de uitvoering van het waterhuishoudingbeleid (kwantitatief waterbeheer bijvoorbeeld realisatie gewenste grondwatertoestand). Het model is voor heel Brabant operationeel, is gevuld met alle beschikbare (geo-)hydrologische informatie en heeft draagvlak bij de waterbeheerders en waterleidingbedrijven. Voor de berekening van de 25- en 100-jaarszone zijn dezelfde uitgangspunten gehanteerd als in de oude berekeningen. Dat wil zeggen dat bij de berekening van de 25-jaars grens de stroombanen van de waterdeeltjes vanuit de winputten in stroomopwaartse richting worden vervolgd. Zodra een transporttijd van 25 jaar resp. 100 jaar is bereikt, wordt dit punt geprojecteerd naar maaiveld en als ‘gridcel’ (100x100m.) op kaart afgebeeld. Op deze wijze zijn ook gridcellen berekend met transporttijden van minder dan 25 jaar en transporttijden tussen 25 en 100 jaar. De (denkbeeldige) lijn die de gridcellen van 25- resp. 100 jaar met elkaar verbindt, is de berekende grens van de 25-, resp. 100 jaarszone. Daarnaast is per gridcel de relatieve bijdrage aan de totaal opgepompte hoeveelheid grondwater berekend. Naarmate de relatieve bijdrage hoger is, is de beschermingsurgentie ook hoger. De berekeningen voor de winningen Helvoirt, Budel en Vessem hebben betrekking op de verlaagde vergunningshoeveelheid (resp. 2, 3,5 en 6,5 mln m3 per jaar).

  1. Topografische begrenzing beschermingszones

De grenzen van de berekende 25- en 100 jaarszones (opgebouwd uit grids), zijn omgezet naar topografische grenzen. Daarbij worden zoveel mogelijk in het veld herkenbare structuren gevolgd (natte en droge infrastructuur). Dit is van belang vanwege een eenvoudige markering in het veld (borden grondwaterbeschermingsgebied), betere handhaving en duidelijkheid voor de streek.

Bij de topografische begrenzingen zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:

  • de grens van de 25 en 100 jaarszone volgt zoveel mogelijk wegen, spoorlijnen en grote waterlopen. Waar dit niet mogelijk is, worden in het landschap herkenbare of kadastrale kavelgrenzen gevolgd;

  • bij de beslissing omtrent de begrenzing zijn ook berekeningsresultaten gebruikt die inzicht geven in de bijdrage van het betreffende deelgebied in de totale voeding van het pompstation. Gridcellen met een verwaarloosbare bijdrage, veraf gelegen van de pompputten zijn buiten de beschermingszone gelaten, tenzij ze om andere hier genoemde argumenten zoals handhaafbaarheid en herkenbaarheid wel binnen de zone zouden moeten liggen. Bevinden deze gridcellen in de nabijheid van de pompputten, dan zijn deze vanwege de snelle doorstroming wel als beschermingszone begrensd. Deze keuze is gebaseerd op een extern deskundigenoordeel (geleverd door hydrologen die de berekeningen hebben uitgevoerd)

  • de grens van de beschermingszones verloopt zo gelijkmatig mogelijk (d.w.z. zo weinig mogelijk uitstulpingen) en vormt een aaneengesloten geheel (d.w.z. geen “eilanden” binnen de beschermingszone) vanwege uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van het beleid.

  • indien een relevant deel van een kavel deel uitmaakt van de berekende 25 of 100 jaarszone (gridkaart), dan is deze kavel geheel in de beschermingszone opgenomen. Bij bosgebieden is royaal begrensd.

  1. Voorkomen van 100 jaarszones

De 100 jaarszone blijkt in de praktijk relatief gering van omvang te zijn en slechts bij 4 van de 8 zeer kwetsbare wingebieden voor te komen (Budel, Marcharen, Nuland, Helvoirt). Dit laatste betekent dat het opgepompte grondwater bij de andere zeer kwetsbare winningen (die zonder 100 jaarszone) ten hoogste 25 jaar oud is. Dit betreft de winningen te Boxmeer, Vessem, Vierlingsbeek en Waalwijk.Vanwege de opbouw van de diepere ondergrond en/of het voorkomen van drainerende waterlopen buiten de 25 jaarszone bereikt het grondwater dat buiten deze zone infiltreert, nooit de winputten. Hiermee is ook de relatief grote kwetsbaarheid van deze winningen aangetoond. De kwetsbaarheid neemt namelijk af naarmate een deel van het opgepompte water uit ‘oud’ grondwater bestaat. Dit ‘oude’ grondwater is langer onderweg, waardoor er meer gelegenheid is voor natuurlijke zuivering in de ondergrond. Bovendien is het risico dat het ‘oude’ grondwater is belast, veel geringer.

  1. Veranderingen bij alle 8 zeer kwetsbare gebieden

Bij alle 8 zeer kwetsbare gebieden verandert als gevolg van het toegepaste nieuwe rekenmodel de begrenzing van de 25-jaarszones. Een belangrijke reden hiervoor is dat bij de berekening ook de invloed van de regionale stroming (van zuid naar noord) en van drainerende waterlopen in beschouwing is genomen. Vanwege de regionale grondwaterstroming hebben de berekende zones een meer langgerekte vorm in noord-zuid richting. Het voert hier te ver om de wijzigingen perceelsgewijs te beschrijven. In onderstaande volgen de meest opvallende veranderingen.Voor aanvullende informatie dienen de “oude” PMV-kaarten te worden vergeleken met de voorliggende kaarten.

Nummer en naam gebied globale beschrijving belangrijke wijzigingen

16 Waalwijk diverse aanpassingen;verruiming van de 25 jaarszone in het noorden in lichte mate, een grote uitbreiding in zuidelijke richting bij de Loonse en Drunense Duinen lopend tot in enkele percelen in het agrarisch gebied ten zuiden van de Duinen

17 Nuland diverse lichte verschuivingen 25 jaarszone; toevoeging 100 jaarszone

18 Vlijmen/Helvoirt de 25 jaarszone kent een meer langgerekte en, in verband met vermindering van de vergunningshoeveelheid (nu 2 mln m3), een smallere vorm; toevoeging 100 jaarszone aan zuidkant intrekgebied.

21 Macharen diverse aanpassingen 25 jaarszone; verruiming met name richting Oss (Omgeving Elzenburg, Horzak), toevoeging 100 jaarszone in Oss (bedrijventerrein )

23 Boxmeer door herberekening krijgt de 25-jaarsbeschermingszone een andere, meer langgerekte vorm met vertakkingen. Veranderingen vooral in de omgeving van Sint Anthonis en Oploo

26 Vierlingsbeek beperkte aanpassing 25 jaarszone, o.a. bij Overloon en enige verruiming in zuiwestelijke richting

29 Vessem 25 jaarszone verruimt enigszins in noordelijke en oostelijke richting. Een sterkere uitbreiding is er in zuidelijke richting, ondanks vermindering van de vergunningshoeveelheid (nu 6,5 mln m3). Bij de kern Vessem krimpt de zone enigszins

33 Budel De zone breidt tamelijk sterk uit richting Budel-Schoot en Budel-Dorplein. Bij Dorplein, grofweg bezuiden spoorlijn, 100 jaarszone. Ten noorden van Budel verschuift de begrenzing plaatselijk in westelijke richting. Er is uitgegaan van de verminderde vergunningshoeveelheid (nu 3,5 mln m3).

Toelichting detailkaarten stiltegebieden

De meeste stiltegebieden-kaarten hebben een schaal van 1:25.000. Enkele kaarten hebben een schaal van 1:50.000. Bij dit laatste gaat het om de stiltegebieden Biesbosch, De Utrecht, Drunensche Duinen, ‘t Leenderbos (resp. de kaartnummers 47, 53, 54, 60). De kaarten zijn ontleend aan het Uitwerkingsplan Stiltegebieden 1988 (een uitwerkingsplan op basis van het provinciale Streekplan), en sindsdien niet meer gewijzigd. Op termijn zullen de stiltegebieden opnieuw begrensd worden, afhankelijk van de resultaten van het in hoofdstuk 5 van het PMP aangekondigde onderzoek.

Bijlage 6A Aanwijzing kwetsbare gebieden

De selectie van de kwetsbare gebieden is opgenomen in de Nota lozingen buitengebied, door Gedeputeerde Staten vastgesteld d.d. 11 maart 2003. Hierna volgt een omschrijving van de geselecteerde gebieden, afkomstig uit voornoemde Nota lozingen buitengebied. Bij de selectie en begrenzing van de potentieel kwetsbare gebieden is uitgegaan van drie provinciale beleidsplannen:

  • Streekplan 2002 – 2012, inclusief plankaart 1 en 2 (februari 2002)

  • Waterhuishoudingsplan 2003-2006 (november 2002) en van de functies van de plankaart waarvoor de doelstelling afhankelijk is van grond- en of oppervlaktewater. Het waterhuishoudkundig ontwikkelingsbeleid heeft voor de relevante beleidscategorieën een resultaatverplichting voor de waterkwaliteit.

  • Nota bescherming van grondwater voor de drinkwatervoorziening (september 2002)

Daarnaast zijn aanvullende gegevens ontleend aan het Koepelplan ‘De Reconstructie aan zet’ (juni 2001), waar op kaart 8.2 gebieden zijn opgenomen als ‘Stroomgebied met beschermende maatregelen voor resultaatverplichting natuur’. In totaal worden acht verschillende categorieën kwetsbaar gebied onderscheiden. Voor twee categorieën, te weten de waterlopen met de functie waternatuur en/of de functie viswater, geldt als beïnvloedingsgebied het totale afwateringsgebied van de betreffende waterloop. Ook voor de bovengenoemde gebieden uit het Koepelplan geldt het gehele stroomgebied als kwetsbaar gebied. Voor grondwaterbeschermingsgebieden geldt als beïnvloedingsgebied de 25- en 100-jaarszone. Voor de overige categorieën is om praktische reden gekozen voor een beïnvloedingszone van 250 m. De bescherming richt zich hiermee met name op de kwaliteit van de lokale kwel en het oppervlaktewater in het kwetsbaar gebied zelf.

Voor de exacte begrenzing van de verschillende categorieën gebieden is de volgende werkwijze gevolgd. De kaarten behorende bij de PMV hebben een kaartschaal 1: 25.000. De reeds beschikbare kaart (schaal 1: 50.000 of kleiner) is daarom nader gedetailleerd. De digitale kaarten van de topografische ondergrond, schaal 1: 10.000 (Top10Vector), zijn hierbij als basis gebruikt.

Daarnaast hebben de gemeenten aangegeven de behoefte te hebben aan een begrenzing op perceelsniveau teneinde onduidelijkheden bij de uitvoering te voorkomen. Bij het nader detailleren van de begrenzing is daarom ook rekening gehouden met de eigendomsgrenzen zoals deze zijn opgenomen in de kadastrale kaarten. De nauwkeurigheid van de kadastrale kaart (schaal 1: 1 000) is groter dan de topografische kaart (schaal 1: 10 000) De kadastrale perceelsgrenzen kunnen daarom afwijken van op de topografische kaarten herkenbare grenzen.

De nadere begrenzing van de afwateringseenheden heeft plaatsgevonden in samenwerking met de waterkwantiteitsbeheerders in de provincie.

De begrenzing van de afwateringseenheden is in 2 stappen uitgevoerd:

• het begrenzen van de buitengrenzen met behulp van de topografische kaart 1: 10.0000

• het selecteren van de kadastrale percelen binnen deze begrenzing.

Voor het inpassen van de afwateringseenheden op de Top10 vectorkaart is gekeken naar logische grenzen, met name wegen. Bij het selecteren van de kadastrale percelen zijn alle percelen binnen deze concept begrenzing geselecteerd. Bij percelen die gedeeltelijk binnen deze begrenzing liggen is de volgende keuze gemaakt: • is het kadastraal perceel voor meer dan 50% bedekt is door de concept begrenzing van de afwateringseenheid, dan is het gehele perceel als kwetsbaar aangeduid. • Is het kadastraal perceel voor minder dan 50% bedekt, dan wordt het perceel niet betrokken bij de uiteindelijke begrenzing van het afwateringsgebied.

Door deze confrontatie van de concept begrenzing met de kadastrale percelen is dus de begrenzing van de buitengrenzen van de afwateringseenheden aangepast, namelijk gebaseerd op de grenzen van kadastrale percelen (1: 1.000) en niet (meer) op elementen uit de topografische kaart (1: 10.000). De begrenzing bestaat feitelijk uit de optelling van een groot aantal percelen die als kwetsbaar zijn aangeduid. In het bestand is per perceel het kadastraal nummer opgenomen. Hiermee is het in principe mogelijk om de eigenaren van de betreffende percelen te identificeren. De begrenzingen van de vennen, wielen en enkele krekenstelsels zijn overgenomen uit de Top10vector kaart (wielen en kreken) en de 1: 10 000 begrenzing van de ecologische hoofdstructuur (vennen). Bij de nadere begrenzing van de natte natuurparels is gebruik gemaakt van de globale begrenzing van de natte natuurparels (uit het streekplan) en de 1 : 10.000 begrenzing van de provinciale ecologische hoofdstructuur (kaart behorende bij GS-besluit van 2 juli 2002). Door middel van een GIS-bewerking zijn elementen geclassificeerd als bestaande en nieuwe natuur uit de 1 : 10.000 begrenzing geselecteerd, die binnen de globaal begrensde eenheden liggen of eraan raken.

De nadere begrenzing van de beïnvloedingszone van 250 m. is in twee stappen tot stand gekomen:

  1. het neerleggen van een 250 meter brede zone rondom de buitenbegrenzing van de legenda-eenheden vennen/wielen/enkele krekenstelsels, natte natuurparels, zwemwater en enkele gebieden uit de Natuurbeschermingswet, Vogel- en/of Habitatrichtlijn;

  2. Het selecteren van kadastrale percelen binnen deze begrenzing. Bij het selecteren van de kadastrale percelen zijn alle percelen die volledig binnen de zone van 250 meter vallen geselecteerd. Voor percelen die slechts gedeeltelijk binnen de zone gelegen zijn, is de volgende keuze gemaakt:

• Kadastrale percelen die gedeeltelijk gelegen zijn binnen de 250 meter zone, maar in zijn geheel gelegen zijn binnen een 350 meter zone rondom de gebieden, zijn ook als geheel als kwetsbaar aangeduid;

• Kadastrale percelen die gedeeltelijk gelegen zijn binnen de 250 meter zone, maar ook gedeeltelijk buiten een 350 meter zone rondom de gebieden, zijn gesplitst in 2 delen. Het gedeelte binnen de 250 meter zone is aangeduid als kwetsbaar.

Deze methode wijkt enigszins af van de methode zoals gehanteerd bij de selectie van kadastrale percelen binnen de begrenzing van de afwateringseenheden. De reden hiervoor is dat er rond natuurgebieden en natuurlijke wateren veelal grote percelen zijn gelegen en omdat een 250 meter zone rondom gebieden en waterlopen een enigszins “willekeurige grens” is die niet gebaseerd is op kenmerken uit het veld. Een selectie op basis van de bedekkingsgraad (50%) leidt dan tot ongewenste effecten. ijvoorbeeld: hele grote percelen die gedeeltelijk binnen de zone vallen zouden dan als niet kwetsbaar worden aangemerkt, waardoor ook een groot gedeelte van de bufferzone als niet kwetsbaar wordt aangemerkt. Omdat het vaak grote percelen betreft rondom natuurlijke ingerichte terreinen, bieden elementen uit de topografische kaart (zoals wegen) onvoldoende houvast voor een nadere afgewogen begrenzing. Door deze confrontatie van de 250 meter beïnvloedingszone met de kadastrale percelen is dus de begrenzing van de buffers aangepast, namelijk gebaseerd op de grenzen van kadastrale percelen (1: 1.000) en een maximale afstand van 350 meter, en niet (meer) op een exacte 250 meter grens rondom de kwetsbare natuurgebieden en waterlopen. Ook de begrenzing van deze eenheden bestaat feitelijk uit de optelling van een groot aantal percelen die als kwetsbaar zijn aangeduid. In het bestand is per perceel het kadastraal nummer opgenomen. Hiermee is het in principe mogelijk om de eigenaren van de betreffende percelen te identificeren.

Bijlage 8. Milieu-effectrapportage Vervallen

Bijlage 9. Instructies voor vergunningen voor inrichtingen in bijzondere gebieden

Op grond van een initiatiefvoorstel van Provinciale Staten is in artikel 5.4.3 lid 3 en 4 de mogelijkheid opgenomen om in de bijzondere grondwaterbeschermingsgebieden van de instructiebepalingen af te wijken mits daarbij duurzaam wordt voorkomen dat schadelijke stoffen in de bodem dringen of het grondwater kunnen bereiken. Het middel(voorschrift) dient niet centraal te staan, maar het te realiseren milieudoel. Hierbij dient wel te worden gewaarborgd dat de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning wordt beschermd. Richtinggevend daarbij kan zijn een CUR/PBV-aanbeveling c.q-keurmerk.

Paragraaf 1 Vormgeving van de instructiebepalingen

De instructiebepalingen zijn neergelegd in drie met elkaar samenhangende tabellen. De eerste tabel (B. Aanwijzing van categorieën van activiteiten in inrichtingen) geeft aan voor welke gevallen instructies zijn opgesteld. Dat zou dienen te geschieden aan de hand van aan te wijzen categorieën van inrichtingen. Op zich zou dit een werkbaar criterium kunnen zijn, maar een aantal essentiele uitzonderingen heeft geleid tot een andere werkwijze. Uiteindelijk is namelijk niet het begrip “categorie van inrichtingen” bepalend gebleken voor de risico’s voor de grondwaterkwaliteit, maar de wijze waarop de inrichting wordt uitgeoefend, de activiteiten of gedragingen die binnen de inrichting plaatsvinden. Zo zijn er diverse categorieën van inrichtingen, opgesomd in het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, denkbaar die in een beschermingszone gevestigd mogen worden, zolang bijvoorbeeld voor de verwarming geen ondergrondse opslagtank van huisbrandolie wordt geinstalleerd; maar op het moment dat een dergelijke tank wel wordt geïnstalleerd moet zo’n inrichting heel anders worden bekeken. Daarom is er voor gekozen om in de eerste tabel onder “categorieën van inrichtingen” alle categorieën, 1 tot en met 29, van Bijlage I behorende bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, te vermelden.

Vervolgens wordt er in tabel B een onderscheid gemaakt naar “categorieën van gevallen”: dat zijn de feitelijke gedragingen waarvoor de instructies zijn bedoeld. In hoeverre een bepaalde activiteit risico’s voor de grondwaterkwaliteit in zich heeft, hangt ook af van de kwetsbaarheid van de winning voor verontreiniging, en dus van de vraag in welke zone de activiteit plaatsvindt. Daarom is in de eerste tabel een onderscheid gemaakt naar “ligging in een beschermingszone” en “ligging in een boringsvrije zone”.

Tabel B bevat geen uitputtende lijst van risicodragende activiteiten in grondwaterbeschermingsgebieden. Voor niet-genoemde activiteiten geldt dat daarvoor het algemeen beschermingsniveau voldoende wordt geacht, of dat zij onderwerp zijn van rechtstreeks werkende regels in de provinciale milieuverordening.

De tweede tabel (C. Omschrijving van beperkingen en voorschriften) geeft een opsomming van de voorschriften die het bevoegd gezag aan de vergunningen moet verbinden.

De derde tabel (D. Instructiebepalingen) verbindt de eerste en de tweede met elkaar. Hierin wordt aangegeven welke voorschriften bij welke activiteiten horen. In de derde kolom van deze tabel wordt ook aangegeven in welke gevallen het bevoegd gezag kan afwijken van de instructies. De vierde kolom van tabel D geeft een nadere regeling voor de termijn waarbinnen bestaande milieuvergunningen moeten worden aangepast. Dit houdt verband met het feit dat een ontheffing, die in het verleden is verleend op basis van de Grondwaterbeschermingsverordening, niet oneindig haar gelding blijft houden. Slechts gedurende een overgangsperiode blijft zij bestaan naast de milieuvergunning (en wordt die vergunning geacht toe te staan hetgeen die ontheffing toestaat). Wat betreft de werkingsduur van een verleende provinciale ontheffing is de regeling (neergelegd in het vierde en vijfde lid van artikel VIII van het hoofdstuk afvalstoffen van de Wet milieubeheer) de volgende:

• indien een ontheffing voor een bepaalde termijn is verleend, blijft de ontheffing bestaan gedurende die termijn;

• indien een ontheffing niet voor een bepaalde termijn is verleend, blijft de ontheffing bestaan gedurende tien jaar na inwerkingtreding van het hoofdstuk Afvalstoffen van de wet, dus tot 1 januari 2004;

• in de provinciale milieuverordening kan een afwijkende regeling worden getroffen.

Uitgangspunt is dat een vergunning uiterlijk binnen 10 jaar moet worden aangepast. Voor de activiteiten waarvoor die termijn door de provincies acceptabel wordt geacht, is de laatste kolom van de derde tabel niets ingevuld, aangezien die periode van 10 jaar al uit de wet voortvloeit. Voor een activiteit is in de derde tabel wel een afwijkende regeling opgenomen, en is bepaald dat de vergunning moet worden aangepast binnen vijf jaar. Zowel dit tijdvak van vijf jaar als de activiteit waarvoor deze aanscherping geldt, zijn ontleend aan het rapport “Kengetallen deel A: Uitvoering gemeentelijke milieutaken” van het ministerie van VROM en de VNG. Voor de in dat rapport aangeduide “inrichtingen van categorie 4” wordt immers aangegeven dat er gemiddeld vijf jaar verstrijkt alvorens door dezelfde inrichting een nieuwe vergunningaanvraag, melding of kennisgeving dient te worden ingediend. In de derde tabel zijn opslagplaatsen voor vaar-, vlieg- en motorvoertuigen gelijkgesteld met de bedoelde categorie-4-inrichtingen (“afvalstoffen”).

Er is nog overwogen om voor de opslagen voor vloeibare aardolieproducten ook een aanpassing van de vergunning binnen vijf jaar voor te schrijven, dit gelet op de grote dreiging die van deze stoffen uitgaat voor de grondwaterkwaliteit.

Toch is geen afwijkende regeling opgenomen, aangezien het Kengetallen-rapport tankstations en huisbrandstoffen aanmerkt als categorie-3-inrichtingen, waarvoor gemiddeld eens in de tien jaar een nieuwe vergunningaanvraag, melding of kennisgeving dient te worden ingediend. Bovendien mag niet uit het oog worden verloren dat de bewuste activiteiten via de nog steeds geldende ontheffing afdoende worden gereguleerd.

Paragraaf 2 Toelichting op de instructies

In deze paragraaf worden de instructies onderbouwd en verder toegelicht. Het pakket modelvoorschriften voor te verlenen vergunningen in grondwaterbeschermingsgebieden kan dienen als voorbeeld voor middelvoorschriften om het deel bodem- en grondwaterbescherming in de milieuvergunning gestalte te geven.

N.b.:

  • Onder vloeistofdichte voorzieningen wordt in deze bijlage verstaan technische en materiële constructies die het doordringen van ongewenste stoffen naar de bodem verhinderen. Voor vloeren en verhardingen (zowel voor bestaande voorzieningen als nieuw aan te leggen voorzieningen) is de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten (NRB) van toepassing. De hoofdstukken 5, 6 en 7 van de NRB en de bijbehorende basisdocumenten en de desbetreffende CUR/PBV-aanbevelingen geven de stand der techniek aan en dienen toegepast te worden.

  • Onder BSB/nulsitatie-onderzoek wordt in deze bijlage verstaan: onderzoek als omschreven in het rapport “Bodemonderzoek Milieuvergunning en BSB met protocol voor gecombineerd bodemonderzoek”, SDU, Den Haag 1993, danwel de door Gedeputeerde Staten aangewezen richtlijn, die met betrekking tot dat onderwerp de geldende norm is.

Op- en overslaan van aardolieproducten (A1 t/m A3)

In zijn algemeenheid geldt dat met name in grondwaterbeschermingsgebieden de op- en overslag van aardolieproducten een risicovolle aangelegenheid is. Een liter olie kan immers 1 miljoen liter grondwater verontreinigen. De maatregelen, die volgens het algemeen beschermingsniveau moeten worden getroffen, zijn niet afdoende. De in de instructies opgenomen extra maatregelen verkleinen het risico zodanig dat het risico van grondwaterverontreiniging aanvaardbaar wordt. De extra maatregelen behelzen een strenger regime ten aanzien van onder andere keuring, constructie en gebruik/beëindiging van de opslag en monitoring van het ondergronds opgeslagen product in de bodem.

In de provinciale milieuverordening zijn regels opgenomen betreffende uitbreiding van de totale bestaande capaciteit van de ondergrondse opslag van vloeibare aardolieproducten en het nog niet installeren van ondergrondse kunststof tanks (zie bepaling 3.1.3 van bijlage 10B).

Het algemeen beschermingsniveau voor de opslag van aardolieproducten in emballage kan worden afgeleid uit de PGS 15 en 30. De constructie en het gebruik van de opslag, alsmede de overslag, worden in deze richtlijnen beschreven. Het bijzonder beschermingsniveau bestaat eruit dat de opslag plaatsvindt in of boven een lekbak met 100% opvangcapaciteit. Voor K-3-producten en smeerolie bevatten de PGS 15 en 30 echter geen regeling. Toch zal ook de op- en overslag van deze producten minimaal moeten plaatsvinden in of boven een vloeistofdichte bak die de totale hoeveelheid opgeslagen vloeistof kan bevatten.

Het uitvoeren van een (nul situatie) bodemonderzoek bij opslagen voor vloeibare aardolieproducten in emballage valt onder het algemeen beschermingsniveau.

Het algemeen beschermingsniveau ten aanzien van ondergrondse tanks (zowel van staal als van kunststof) wordt beschreven in het Besluit opslag in ondergrondse tanks (BOOT). Dit besluit regelt het in gebruik stellen, het in gebruik hebben en het buiten gebruik stellen van stalen c.q. kunststof ondergrondse tanks. Dit op basis van de PGS 28. Naast het BOOT zijn er nog andere algemene maatregelen van bestuur die het ondergronds opslaan van aardolieproducten regelen. Zij geven in een aantal gevallen een minder vergaand beschermingsniveau dan het BOOT, maar worden daar te zijner tijd op aangepast. Voor opslagen voor vloeibare aardolieproducten in ondergrondse tanks is geen instructie tot het voorschrijven van een nulsituatie-onderzoek opgenomen, omdat dit reeds voortvloeit uit het algemeen beschermingsniveau (BOOT, Besluit tankstations).

Het algemeen beschermingsniveau voor bovengrondse tanks is weergegeven in diverse algemene maatregelen van bestuur op basis van artikel 8.40 van de Wet milieubeheer waaronder het Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer, het Besluit tuinbouwbedrijven met bedekte teelt milieubeheer, het Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer en het Besluit tankstations milieubeheer. In deze besluiten wordt de PGS 29 van toepassing verklaard.

In deze richtlijn worden de constructie en het gebruik van de bovengrondse tank beschreven.

Voor binnenopslag van vloeibare aardolieproducten in bovengrondse tanks is deze richtlijn eveneens van toepassing.

De afleverinstallaties bij ondergrondse en bovengronds tanks kunnen worden verdeeld in twee categorieën, namelijk:

• afleverinstallaties met een doorzet van meer dan 10.000 liter per jaar;

• afleverinstallaties met een doorzet van 10.000 liter of minder. Voor de eerste categorie is het algemeen beschermingsniveau beschreven in het Besluit tankstations, ontleend aan de PGS28. Voor de tweede categorie - waarover vaak sprake zal zijn bij agrarische bedrijven waar uitsluitend wordt afgeleverd aan eigen landbouwwerkuigen - is het algemeen beschermingsniveau beschreven in de PGS 29. In deze richtlijnen worden de constructie en het gebruik van de opstelplaatsen van de tankende motorvoertuigen en van de afleverinstallatie aangegeven.

Op- en overslaan van andere schadelijke vloeistoffen/vloeibare afvalstoffen (A4 t/m A6)

Het algemeen beschermingsniveau ten aanzien van opslag in ondergrondse tanks voor bovenbedoelde stoffen is moeilijk te definiëren. De PGS 28 is speciaal opgesteld voor aardolieproducten, maar de basis daarvan is herkenbaar. De volgende eisen worden in ieder geval gesteld:

• productbestendigheid;

• vloeistofdichtheid;

• voldoende stevigheid;

• bescherming tegen corrosie;

• bescherming tegen mechanische spanningen;

• regelmatige keuring op wanddikte en vloeistofdichtheid;

• morsvrij vullen en afleveren, goed onderhoud;

• vloeistofdichte verhardingen bij vul- en afleverpunten;

• nulsituatie-onderzoek.

Hoe deze eisen worden ingevuld hangt af van de aard van de schadelijke stof.

Ten aanzien van bovengrondse tanks geldt hetzelfde als bij ondergrondse tanks. De PGS 29 is primair voor aardolieproducten opgesteld, maar de eisen zijn zodanig geformuleerd dat deze ook op andere vloeistofopslag kan worden toegepast. Aangezien er geen duidelijk algemeen beschermingsniveau aanwezig is, worden in grondwaterbeschermingsgebieden een aantal van de artikelen in de bovenstaande PGS-richtlijnen van toepassing verklaard in de instructies. Verdere extra maatregelen hebben onder andere betrekking op in gebruik stellen, geen uitbreiding van de bestaande ondergrondse opslag, monitoring van het ondergronds opgeslagen product in de bodem, beëindigen van de opslag, in afwachting van resultaten van een KIWA-onderzoek het installeren van ondergrondse kunststof tanks niet toestaan. Vanwege deze laatste bepaling worden stalen tanks toegepast. De extra maatregelen voor ondergrondse opslagen zoals die in hoofdstuk 9 van de PGS 28 zijn opgenomen, gelden alleen voor nieuwe installaties.

Op- en overslaan van andere vaste schadelijke stoffen/afvalstoffen (A7 en A8)

Het algemeen beschermingsniveau ten aanzien van op- en overslag in emballage kan worden afgeleid uit de PGS 15 en 30. De eerste regelt de opslag tot 10 ton, de tweede regelt de opslag groter dan 10 ton en de derde regelt de opslag van bestrijdingsmiddelen vanaf 400 kg. De richtlijnen handelen over de constructie en het gebruik van de opslag. De bodembeschermende voorzieningen dienen te voldoen aan de desbetreffende CUR/PBV aanbeveling. Op- en overslaan van dierlijke vaste mest (mestplaten) (A9)

In de Richtlijnen Mestbassins (RM 1992) en Handleiding Bouwtechnische Richtlijnen Mestbassins 1991 (HBRM 1991, tweede druk) zijn eisen opgenomen ten aanzien van het op- en overslaan van dierlijke dunne mest. Deze richtlijnen zijn echter niet van toepassing op het op- en overslaan van dierlijke vaste mest. Voor de op- en overslag van vaste dierlijke mest bevat het Besluit melkrundveehouderijen een aantal bepalingen, maar geen constructie-eisen (bijvoorbeeld betreffende de vloer, de wanden en de afvoer van water). In de handleiding Beton en Milieu is hier verder invulling aan gegeven. In grondwaterbeschermingsgebieden moeten duurzame voorzieningen worden aangebracht om te voorkomen dat mest in de bodem kan geraken.

Een vloeistofdichte, gewapend betonnen mestplaat met opstaande randen en vloeistofdichte riolering naar een mestkelder of andere gelijkwaardige voorzieningen, vloeien voort uit de instructies die op deze activiteit van toepassing zijn. Op deze wijze worden de constructie-eisen ten aanzien van dunne mest uit de RM en de HBRM ook van toepassing verklaard op vaste mest. Voor de opslag van vaste mest is al jaren een afzonderlijke AmvB in ontwikkeling, maar deze heeft geen hoge prioriteit. Totdat generieke regelgeving van kracht is, wordt een instructieregel noodzakelijk geacht.

Op- en overslaan van meststoffen, niet zijnde dierlijke meststoffen, niet zijnde overige organische meststoffen als bedoeld in BOOM (met name kunstmest) (A10).

De wijze van het op- en overslaan van deze meststoffen is niet in regelgeving aangegeven. In grondwaterbeschermingsgebieden zijn of worden voorzieningen voor onder andere kunstmeststoffen aangebracht die duurzaam voorkomen dat deze stoffen in de bodem kunnen geraken. De van de opslagvloer afstromende vloeistoffen dienen zodanig te worden afgevoerd dat deze niet in de bodem terecht kunnen komen. Voor opslagen met een capaciteit gelijk aan of minder dan 250 kilogram hoeven geen extra voorzieningen te worden aangebracht.

Op- en overslaan van zuiveringsslib en compost (A11)

Ook hier gelden de bepalingen die onder A10 zijn aangegeven. Ook al voldoet zuiveringsslib, compost of zwarte grond aan de criteria zoals gesteld in het Besluit kwaliteit en gebruik overige organische meststoffen (BOOM), dan is het toch mogelijk dat deze meststoffen verontreinigingen bevatten omdat in het kader van het BOOM slechts op een beperkt aantal parameters wordt bemonsterd. In verdachte gevallen is het raadzaam verdere onderzoeken te laten uitvoeren. Ten aanzien van het op- en overslaan van zwarte grond zijn geen instructies opgenomen. De reden daarvoor is dat zwarte grond:

• hetzij voldoet aan de criteria van BOOM (en dan voldoet het aan de streefwaarde);

• hetzij daaraan niet voldoet (en dan is er sprake van afval, waarvoor al wel instructies zijn opgesteld).

Opslaan van vaar-, vlieg- of motorvoertuigen of onderdelen daarvan (A12)

Het algemeen beschermingsniveau is voor een deel af te leiden uit de voorschriften van paragraaf 1.3 en 1.8 van de bijlage behorende bij het Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer. In grondwaterbeschermingsgebieden wordt daarbij ten minste het uitvoeren van een bodemonderzoek bij aanvang en beëindiging van deze activiteit(en) geëist. Eveneens moeten voorzieningen zijn of worden aangebracht die duurzaam voorkomen dat schadelijke stoffen in de bodem kunnen komen. De van de opslagplaats afkomende vloeistoffen moeten zodanig worden afgevoerd dat deze niet in de bodem kunnen afvloeien. De bodembeschermende voorzieningen dienen te voldoen aan de desbetreffende CUR/PBV aanbeveling. Het gebruiken ten behoeve van het productieproces (in ruime zin) van vloeibare aardolieproducten en andere schadelijke stoffen (A13) De bepalingen die onder A12 zijn aangegeven zijn ook hier van toepassing. Gemorste en gelekte vloeistoffen mogen niet in de bodem geraken. Het tot stand brengen/hebben/gebruiken van leidingen ten behoeve van het transport van schadelijke stoffen, niet zijnde afvalwater (productleidingen) (A14)

Wat betreft leidingen voor het transport van schadelijke stoffen zijn er drie soorten leidingen denkbaar:

• leidingen behorend bij onder- of bovengrondse tanks - daarvoor zijn voorschriften opgenomen onder de activiteiten A2, A3, A5 en A6.

• productleidingen of transportleidingen voor procesvloeistof: voor de meest gangbare boven- en ondergrondse leidingen van deze categorie kan worden volstaan met de voorschriften als bedoeld in B13. Voor grote ondergrondse transportleidingsystemen kunnen meer specifieke en op de soort producten toegespitste voorschriften gelden; zo geldt bijvoorbeeld voor dergelijke stalen ondergrondse transportleidingen de norm NEN 3650 (eerste druk, september 1992). Afhankelijk van de aard, de omvang en de mate van risico van de te transporteren vloeistof(fen) zijn aanvullende eisen zoals lekdetectie en dubbelwandigheid op zijn plaats. Dergelijke specifieke omstandigheden kunnen alleen per situatie afzonderlijk worden bezien, reden waarom hiervoor geen (standaard-)instructies zijn opgenomen; om dergelijke zaken onder de aandacht van het bevoegd gezag te brengen zal de provincie gebruik moeten maken van haar taak als wettelijk adviseur.

• leidingen voor het transport van afvalwater - hierop heeft activiteit A15 betrekking.

Het tot stand brengen/hebben/gebruiken van leidingen ten behoeve van het transport van afvalwater (zoals bedrijfsriolering) (A15) Voor de aanleg, het beheer en het onderhoud van de (interne) riolering van bedrijven worden over het algemeen reeds eisen opgelegd via de gemeentelijke bouw- en lozingsverordening. Daarom zijn in de Wet milieubeheervergunningen meestal ook geen specifieke bodembeschermingsvoorschriften voor het rioleringssysteem opgenomen. De betreffende voorschriften in de plaatselijke verordeningen verschillen nogal eens, zodat niet duidelijk is op welk niveau het algemeen beschermingsniveau ligt. Daarom is in tabel B verwezen naar hetgeen in de Nederlandse Praktijkrichtlijnen (NPR) wordt aanbevolen met betrekking tot aanleg, beheer en onderhoud van de diverse rioolstelsels.

Voor het ontwerp van een vloeistofdichte riolering wordt verwezen naar hoofdstuk 7 van de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB) en de CUR/PBV-aanbeveling 51 (Milieutechnische ontwerpcriteria voor bedrijfsrioleringen, Stichting CUR, 1998). Het tot stand brengen/hebben/gebruiken van niet eerder genoemde werken om schadelijke stoffen te vervoeren, te bergen, over te slaan, te storten of te infiltreren (A 16) De bepalingen die onder A12 zijn aangegeven zijn ook hier van toepassing. Vrijgekomen stoffen mogen niet in de bodem geraken. Voorzieningen voor de opslag van stoffen en opvang van uit de opslag vrijkomende vloeistoffen moeten slechts worden toegepast indien de situatie dit vereist.Ook infiltratie van verontreinigd water als gevolg van uitloogbare bouwmaterialen zoals onder andere lood en zink moet worden voorkomen.

Het tot stand brengen/hebben/gebruiken van parkeerterreinen of terreinen voor gemotoriseerd verkeer (A17)

Het algemeen beschermingsniveau voor parkeerterreinen of terreinen voor gemotoriseerd verkeer is in de huidige regelgeving nog niet aangegeven. De voorzieningen en maatregelen die in grondwaterbeschermingsgebieden moeten worden getroffen zijn de volgende.

• Terreinen groter dan 300m2 moeten zodanig zijn of worden verhard dat schadelijke stoffen niet in de bodem kunnen geraken;

• Hemelwater van terreinen groter dan 300m2 moet zodanig worden afgevoerd dat deze niet in de bodem terecht kan komen;

• Indien de totale oppervlakte al dan niet via uitbreiding de 300 m2 niet te boven gaat, kan worden volstaan met een aaneengesloten verharding. Wil er sprake zijn van terreinen die zodanig zijn verhard dat schadelijke stoffen niet door deze wegdekken in de bodem kunnen geraken, kort gezegd: wil er sprake zijn van vloeistofdichte terreinen, dan moeten zij ten minste voldoen aan de volgende criteria.

• De asfaltverharding heeft een percentage holle ruimte van minder dan 3%;

• De betonverharding is vrij van scheurvorming;

• De naden zijn vloeistofdicht afgekit;

• Het beton heeft een sterkteklasse van ten minste B25;

• De toe te passen bouwstoffen, zoals het bestratingsmateriaal, de voegmassa, alsmede de bestrating als geheel moet bestand zijn tegen schadelijke stoffen;

• De asfalt- en betonverhardingen dienen van een zodanige constructie en dikte te zijn dat deze geschikt zijn voor het doel waarvoor ze zijn aangelegd. Daarnaast biedt de hardheidsclausule de mogelijkheid om met innovatieve methoden hetzelfde doel te bereiken, de bescherming van de grondwaterkwaliteit met het oog op de waterwinning.Er moet daarbij duurzaam worden voorkomen dat schadelijke stoffen in de bodem dringen of het grondwater kunnen bereiken.

Het tot stand brengen/hebben/gebruiken van wasplaatsen ten behoeve van motorvoertuigen en (motor)werktuigen (A18) Vervallen, activiteit valt onder algemeen beschermingsniveau

Het verrichten van bouw- en aanleg werkzaamheden (A19) Vervallen, activiteit valt onder algemeen beschermingsniveau

Het toepassen van bouwstoffen (A20)

Het algemeen beschermingsniveau voor het toepassen van bouwstoffen in werken en als bodem is vastgelegd in het Bouwstoffenbesluit, de Vrijstellingsregeling grondverzet en de Vrijstellingsregeling samenstellings- en immissiewaarden Bouwstoffenbesluit. Voor het toepassen van bouwstoffen binnen inrichtingen in grondwaterbeschermingsgebieden moet in de milieuvergunning worden voorgeschreven dat

• op of onder het maaiveld slechts schone grond of categorie 1 bouwstoffen mogen worden toegepast als bedoeld in artikel 1, eerste lid onder h, respectievelijk j, van het Bouwstoffenbesluit, met uitzondering van (ontzilt) zeezand;

• hergebruik van (licht) verontreinigde grond in een werk slechts is toegestaan indien deze afkomstig is van binnen hetzelfde grondwaterbeschermingsgebied;

• hergebruik van (licht) verontreinigde grond als bodem slechts is toegestaan indien deze afkomstig is van binnen hetzelfde grondwaterbeschermingsgebied en voldaan is aan de eisen van de Vrijstellingsregeling Grondverzet (Stcrt. 1999, nr. 180).

De aanvoer van verontreinigingen van buiten het grondwaterbeschermingsgebied dient zoveel als mogelijk te worden voorkomen. In de nota “Bouwen op (Zee)zand” van mei 2000 is het provinciaal beleid voor grondstoffen voor ophoogdoeleinden verwoord. Hierin is onder andere aangegeven dat binnen grondwaterbeschermingsgebieden geen (ontzilt) zeezand en gebiedsvreemde verontreinigde grond mag worden aangevoerd.

Toepassing in een werk

Het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterbescherming stelt milieuhygiënische randvoorwaarden (samenstellings- en immissiewaarden) aan het verwerken van steenachtige materialen (inclusief grond) in (grond- en bouw)werken. Oogmerk is de bescherming van bodem (inclusief grondwater) en oppervlaktewater tegen verontreinigingen die uit dergelijke materialen kunnen vrijkomen.

Gebruikers moeten kunnen aantonen dat de materialen voldoen aan de eisen die in het besluit worden gesteld. De op grond van het Bouwstoffenbesluit gestelde eisen staan een marginale bodembelasting toe. Door de wetgever wordt aangenomen dat daarmee in het algemeen het grondwater op streefwaardeniveau wordt beschermd.

Voor de toepassing van licht verontreinigde grond in werken binnen grondwater-beschermingsgebieden wordt aangesloten bij het Bouwstoffenbesluit, omdat dit voldoende milieuhygiënische garanties biedt. In tegenstelling tot grond die bodem wordt, is grond in een werk terugneembaar, bijvoorbeeld bij gebleken verontreiniging. Door het bevoegd gezag de mogelijkheid te geven om vergunning te verlenen voor de toepassing van licht verontreinigde (categorie1) grond in werken, wordt één lijn getrokken met andere bouwstoffen die in een werk worden toegepast en waarvoor ook geen beperking aan de herkomst wordt opgelegd.

Gebruik van licht verontreinigde grond als bodem

Op grond van het Bouwstoffenbesluit mag schone grond zonder beperkingen op de bodem worden gebracht en de overige bouwstoffen, zijnde niet schone grond, slechts in een werk. De Ministeriële Vrijstellingsregeling grondverzet (MVG) van 1 oktober 1999 maakt het mogelijk om licht verontreinigde grond her te gebruiken als bodem. Als randvoorwaarde geldt dat de grond van vergelijkbare kwaliteit is als de ontvangende bodem. Dit houdt in dat voor het ontvangende gebied (al dan niet deel uitmakend van het grondwaterbeschermingsgebied) een bodemkwaliteitskaart (inclusief bodembeheersplan) moet worden opgesteld en dat rekening is gehouden met het geldend provinciale beleid ten aanzien van grondverzet.

Deze landelijk geldende regels voor het toepassen van licht verontreinigde grond bestendigen in feite de verontreiniging van het grondwater en dat is dit in tegenspraak met het grondbeginsel om grondwaterbeschermingsgebieden schoon te houden. Naar aanleiding van een in interprovinciaal verband uitgevoerde evaluatie van de PMV, is daarom in de ontwerp-PMV de bepaling opgenomen dat hergebruik van verontreinigde grond als bodem (dus in het kader van actief bodembeheer) slechts is toegestaan indien deze afkomstig is van binnen hetzelfde grondwaterbeschermingsgebied en voldaan is aan de eisen van de Vrijstellingsregeling Grondverzet.

De Wet milieubeheer biedt de mogelijkheid om gebieden aan te wijzen waarbinnen de bodemkwaliteit bij voorkeur moet verbeteren. Zo kunnen er (door Provinciale Staten) gebieden aangewezen worden (zogenaamde bijzondere bodemgebieden), die worden gevrijwaard van de aanvoer van (licht) verontreinigde grond met de bedoeling deze te vermengen met de bodem. Vooralsnog worden grondwaterbeschermingsgebieden niet als zodanig aangewezen, omdat verwacht wordt dat met de bestaande regelgeving in de PMV voldoende instrumenten beschikbaar zijn om verontreiniging van grondwaterbeschermingsgebieden door bouwstoffen te voorkomen.

Het verrichten van mechanische ingrepen in de bodem dieper dan 2, respectievelijk 10 meter (A21 en A22)

Voor het verrichten van mechanische ingrepen in de bodem, zoals boringen binnen inrichtingen in grondwaterbeschermingsgebieden zullen in de milieuvergunning een aantal voorschriften moeten worden opgenomen ter bescherming van bodem en grondwater. Uitgangspunt hierbij is dat de ingrepen zodanig moeten worden uitgevoerd dat er ook op de lange termijn geen nadelige effecten zijn te verwachten voor de grondwaterkwaliteit. Die voorschriften dienen zich te richten op de volgende aspecten:

• tijdens de mechanische ingreep mag geen verontreiniging van de bodem plaatsvinden,

• de mate van doorlaatbaarheid van de weerstandbiedende lagen na de ingreep mag niet groter zijn dan daarvoor;

• tijdens het gebruik van het boorgat mogen geen verontreinigende stoffen via dit boorgat in de bodem kunnen komen;

• bij beëindiging van het gebruik van een boring moet het ontstane boorgat volledig afsluitend worden opgevuld;

• een boring ten behoeve van een grondwateronttrekking die vergunningplichtig is ingevolge de Grondwaterwet en de Verordening waterhuishouding Provincie Noord-Brabant slechts mag worden uitgevoerd nadat de grondwateronttrekkingsvergunning is verleend;

• ruim voordat een boring wordt uitgevoerd of een put buiten gebruik wordt gesteld, dient het tijdstip van de uitvoering van de boring bij het bevoegd gezag gemeld te worden, om het bevoegd gezag in de gelegenheid te stellen toezicht te houden bij de uitvoering;

• warmtepompsystemen met een bodemwarmtewisselaar (gesloten systemen) dienen zodanig te worden uitgevoerd dat er geen bodembedreigende stoffen door lekkage of calamiteiten in het grondwater kunnen geraken.

Specifieke voorschriften voor warmte- en koudeopslagsystemen zijn niet opgenomen omdat dergelijke systemen in grondwaterbeschermingsgebieden niet zijn toegestaan vanuit het Waterhuishoudingsplan 2 (zie hieronder). Onder het kopje “ligging” is verder de 100-jaarsbeschermingszone opgenomen. Middelvoorschriften die aan de hierboven bedoelde bepalingen beantwoorden zijn te vinden op de bij de Leeswijzer grondwaterbescherming verstrekte diskette. Begin 2001 komt er een geactualiseerde voorschriftenset voor boringen beschikbaar.

Generieke regeling boringen

Het algemeen beschermingsniveau voor het doen van mechanische ingrepen in de bodem is nog niet in een algemene maatregel van bestuur of landelijk geldende richtlijn vastgelegd, maar hiertoe zijn wel ontwikkelingen gaande. Er is de laatste jaren sprake van een toename van het aantal kleine grondwaterwinningen. Hierbij is er een trend naar het dieper onttrekken van grondwater, tot een diepte van meer dan 400 meter. Momenteel wordt algemeen erkend dat deze toename in aantal en diepte een ongewenste ontwikkeling is, zowel binnen als buiten grondwaterbeschermingsgebieden. Dit vanwege de mogelijke negatieve effecten (zowel kwalitatief als kwantitatief) door het niet goed afdichten en vanwege de oncontroleerbaarheid van de huidige situatie. Daarom hebben het IPO (Interprovinciaal Overleg) en de VEWIN in 1999 een onderzoek uitgevoerd naar de mogelijkheden voor een generieke, niet gebiedsgerichte aanpak van (de uitvoering van) grondboringen. Een conclusie is dat het bestaande wettelijke instrumentarium ten aanzien van boringen niet toereikend is en dat een generieke regeling in de vorm van een AMvB op grond van de Wet bodembescherming de beste optie is. Een AMvB kan gelden voor boorputten binnen en buiten inrichtingen en binnen en buiten grondwaterbeschermingsgebieden. Vooralsnog zijn de Provinciale Milieuverordening en de provinciale Verordening Waterhuishouding Noord-Brabant de enige beschikbare regulerende instrumenten rond diepe grondroering Provinciale milieuverordening en Verordening Waterhuishouding. Om verdergaande ontwikkeling op het gebied van kleine onttrekkingen en ongewenst gebruik van diep grondwater te voorkomen zijn in de per 1 oktober 2000 in werking getreden Wijziging Verordening Waterhuishouding Noord-Brabant onder andere de volgende maatregelen doorgevoerd: regelgeving voor alle onttrekkingen dieper dan 30 meter; bestaande onttrekkingen zullen worden gelegaliseerd. Nieuwe onttrekkingen en vervanging van bestaande diepe putten zullen echter niet meer worden toegestaan. Daarnaast wordt het te voeren beleid met betrekking tot onttrekkingen dieper dan 80 meter zodanig aangescherpt, dat het diepe grondwater in beginsel alleen voor drinkwatertoepassingen gebruikt mag worden. Er wordt een actieplan opgesteld voor het afdichten van putten die niet meer in gebruik zijn. In overleg met de waterleiding- en boorbedrijven zal – in afwachting van een landelijke generieke regeling getracht worden te komen tot een certificering die garanties kan bieden voor een goede uitvoering van boringen.

Voor de grondwaterbeschermingsgebieden gelden op grond van de Provinciale milieuverordening Noord-Brabant beperkingen en verboden ten aanzien van boringen. Deze richten zich met name op de kwaliteit van de (uitvoering van de) put en op het voorkomen van verontreinigingen tijdens het gebruik. Voor het verrichten van boringen binnen vergunningplichtige (Wm) inrichtingen is altijd een vergunning van de gemeente nodig. Hierin worden eisen gesteld aan de uitvoering van de put ter bescherming van het grondwater. Boringen dienen zodanig te worden uitgevoerd dat er geen nadelige effecten zijn voor de grondwaterkwaliteit.

In de PMV zijn geen regels opgenomen die een limiet aan de diepte stellen. Er is wel overwogen om - in aansluiting met de Wijziging Verordening Waterhuishouding Noord-Brabant- in de PMV een absoluut verbod op te nemen op het boren van putten dieper dan 80 m-mv. Dit zou dan gelden zowel voor boringen buiten inrichtingen, waarvoor de provincie bevoegd gezag is als voor boringen binnen inrichtingen, waarvoor de gemeenten bevoegd gezag zijn op grond van de Wet milieubeheer. Voor dit laatste zou dan aanpassing van instructieregels (voor vergunningplichtige inrichtingen) en algemene voorschriften (voor AMvB-inrichtingen) nodig zijn. Bij opname van een maximale diepte in de instructieregels is echter geen enkele afweging en nuancering meer mogelijk: het verbod is absoluut en gemeenten zijn verplicht zich hieraan te conformeren, ook al zou een specifieke omstandigheid of de locale situatie een diepe boring wel wenselijk en niet bezwaarlijk maken (bijvoorbeeld voor frisdrankenproductie of monitoring grondwaterkwaliteit). Wij gaan er van uit dat de regels en het beleid zoals die met de Wijziging Verordening Waterhuishouding Noord-Brabant zijn vastgesteld, voldoende houvast bieden om diepe boringen in grondwaterbeschermingsgebieden te weren. De toegevoegde waarde van een absoluut verbod in de PMV zou dan ook beperkt zijn. Er bestaat een gedeeltelijke overlap tussen de PMV en de Vwhh. In grondwater-beschermingsgebieden zijn grondwaterputten met een diepte groter dan 30 zowel vergunningplichtig in het kader van de grondwaterwet als de Wm/PMV. Op grond van de PMV dienen voorschriften in de Wm-vergunning opgenomen te worden. Via de Grondwaterwet kunnen eisen aan boringen gesteld worden als de te plaatsen put bedoeld is voor het onttrekken van grondwater met een inrichting die vergunningplichtig is. Afstemming van beide procedures is aan te bevelen om te voorkomen dat tegenstrijdige voorschriften aan de vergunningen verbonden worden of een milieuvergunning verleend wordt voor een onttrekking die in strijd is met het onttrekkingsbeleid. Voor putten die niet vergunningplichting zijn ingevolge de Grondwaterwet gelden alleen de bepalingen in de PMV. Dit is bijvoorbeeld bij putten ondieper dan 30 meter en putten die niet tot doel hebben grondwater te onttrekken. Er wordt een leidraad opgesteld voor boringen om te komen tot een goede afstemming van voorschriften en procedures.

De diepten van 30 en 80 meter die in de Verordening Waterhuishouding Noord-Brabant voor boringen zijn opgenomen, zijn zowel op de geologische bodemopbouw als op de uitvoerings-praktijk bij boringen gebaseerd. Boringen tot 30 meter kunnen door niet professionele bedrijven worden uitgevoerd. Voor diepere boringen is specialistisch materieel nodig.

Door hier de vergunningsgrens te leggen, wordt een mogelijkheid gecreëerd afspraken met de branche van boorbedrijven te maken, bijvoorbeeld om te komen tot een certificeringsregeling. De grens van 80 meter heeft met name zijn motivering in de ligging van het eerste watervoerende pakket.

De regionaal verspreide kleilagen liggen veelal op een grotere diepte dan 80 meter. Juist deze kleilagen zijn van veel belang om de diepe waterlagen te beschermen tegen verontreiniging.

Met iedere doorboring, ook indien deze zorgvuldig is uitgevoerd, neemt het risico van kortsluitstroming toe. Verder is het algemene beleid er op gericht om de zeer diepe lagen (beneden de regionaal verspreide afsluitende lagen) bij voorrang te reserveren voor de doeleinden waarbij drinkwaterkwaliteit wettelijk is voorgeschreven.

Binnen de provincie zijn echter wel verschillen in diepteligging van de afsluitende kleilagen en watervoerende bodemlagen. Regionaal afgestemde grenzen zou aan deze verschillen beter recht kunnen doen. De ervaringen welke zijn opgedaan bij de reeds bestaande 2 en 10 metergrenzen in respectievelijk beschermingszone en boringsvrije zone, alsmede regelgeving voor beregening, heeft geleerd dat eenvoudige en eenduidige regels noodzakelijk zijn indien men te maken heeft met een zeer grote groep belanghebbenden. Een gelijke behandeling van een ieder draagt in sterke mate bij aan het creëren van draagvlak. Verder zijn eenduidige en duidelijke grenzen voor het toezicht en de handhaving een absolute voorwaarde.

Naast het beperken van het aantal diepere boringen is het van belang dat de boringen die wel worden geplaatst aan hoge eisen voldoen. De afwerking van boringen dient zodanig plaats te vinden dat doorboorde scheidende klei- en leemlagen goed wordt afgedicht. Naast ongewenste grondwaterstandsveranderingen wordt hiermee tevens voorkomen dat verontreinigd ondiep grondwater zich snel over diepe lagen verspreidt. Omdat veel boringen in de directe omgeving van gebouwen of machines staan is de kans op beïnvloed ondiep grondwater ter plaatse van een pompput relatief groot. Verder wordt door de onttrekking de kans op een sterke verticale stroming langs de put sterk vergroot. De eigenaar is in beginsel verantwoordelijk voor eventuele optredende bodem- en grondwaterverontreiniging. Sanering van een eenmaal optredende verontreiniging van diep gelegen lagen zal bijzonder duur zijn.

Warmte- en koudeopslag

Bij systemen voor koude- en warmteopslag wordt het grondwater gebruikt als energiebuffer. Grondwater wordt onttrokken en gebruikt voor koeling of verwarming en vervolgens in dezelfde laag teruggebracht in de bodem. De kwaliteit van het grondwater mag hierbij niet in gevaar worden gebracht. Dit is te bereiken door het toepassen van systemen waarbij het water dat in de bodem wordt gebracht weer zoveel mogelijk wordt teruggewonnen. Over meerdere jaren gezien mag geen opwarming of afkoeling van de bodem optreden.

Omdat over de effecten op lange termijn nog geen duidelijk inzicht bestaat, is in het Waterhuishoudingsplan 2 (WHP) van de provincie opgenomen dat in beschermingszones en boringsvrije zones deze systemen niet mogen worden toegepast.

Begin 2000 hebben de ministeries van VROM en EZ het project “De bodem als energiebron en –buffer” gestart, wat wordt getrokken door NOVEM en waarin ook IPO participeert. Het doel van het project is het formuleren van nieuwe beleidsaanbevelingen voor de bescherming van de bodem bij het gebruik van energieopslagsystemen en warmtepompsystemen (en het creëren van een bestuurlijk draagvlak daarvoor). Het project moet inzicht verschaffen in de korte en lange termijn effecten voor het milieu en de mogelijke maatregelen ter beperking van negatieve milieueffecten teneinde een integrale afweging te kunnen maken met de positieve aspecten van energiebesparing. Tevens wordt een juridisch kader ontwikkeld. Indien de uitkomst van het project hiertoe aanleiding geeft, kan het provinciaal beleid mogelijk worden bijgesteld.

Ontgrondingen

Ten aanzien van ontgrondingen, waarbij de bodemlaag wordt verwijderd en daardoor sprake is van een grootschalige ingreep, geldt dat de bescherming van het grondwater gewaarborgd dient te blijven. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan de aanleg van een waterpartij.

Een ontgronding dient tevens te worden getoetst aan het provinciaal ontgrondingenbeleid zoals dit mei 2000 is vastgesteld in de beleidsnota “Bouwen op (Zee)zand”. Dit betekent dat het in principe slechts mogelijk is vergunning te verlenen voor het uitvoeren van een functionele ontgronding met een maximale ontgrondingsdiepte die afhangt van de functie.

Bijlage 10. Regels voor gedragingen

A. De regels inzake het voorkomen of beperken van geluidhinder (stiltegebieden)

Bepaling 1.1

In bepaling 1.1 van Bijlage 10, onderdeel A, is toegevoegd de definitie van het begrip “openbare weg”. Er is behoefte aan een heldere definitie van dit begrip in verband met de handhaving van bepaling 2.2, waarin het verbod is opgenomen om zich met een motorvoertuig of bromfiets te bevinden buiten de openbare weg of buiten andere voor bestemmingsverkeer openstaande wegen of terreinen. Het begrip “openbare weg” wordt gedefinieerd door aansluiting te zoeken bij de Wegenverkeerswet 1994. De Wegenverkeerswet 1994 is echter van toepassing op alle wegen en paden die voor het openbaar verkeer open staan. Derhalve ook op wegen die alleen openstaan voor voetgangers en fietsers. Juist op deze wegen en paden dienen motorvoertuigen in milieubeschermingsgebieden voor stilte te worden geweerd. Derhalve worden wegen die alleen openstaan voor voetgangers en fietsers in bepaling 1.1 uitgezonderd van het begrip “openbare weg”. Dit betekent dat daarmee handhavend kan worden opgetreden bij overtreding van bepaling 2.2 indien een motorvoertuig of bromfiets zich binnen een milieubeschermingsgebied voor stilte bevindt op een weg die krachtens de Wegenverkeerswet 1994 alleen open staat voor voetgangers en fietsers.

Bepaling 2.1

In de toestellenlijst worden die mobiele geluidbronnen opgenomen die door hun niet-permanent karakter moeilijk of helemaal niet via de ruimtelijke ordening of het vergunningenregime voor inrichtingen uit de Wet milieubeheer te weren zijn. Nieuwe lawaaiige toestellen die nog niet op de toestellenlijst voorkomen noch in andere regelgeving ten aanzien van het geluidsaspect gereguleerd zijn, kunnen via de vangnetbepaling 2.1, eerste lid, van de verordening aangepakt worden.

Toelichting per categorie

a.

Seismologisch onderzoek

Het seismologisch onderzoek dient ter beantwoording van de vraag of zich in de ondergrond gasvoerende structuren van voldoende omvang bevinden. Het wordt uitgevoerd met zogenaamde airgun-apparatuur. Hieronder wordt verstaan de apparatuur voor het door middel van de gecomprimeerde lucht ‘ onder water opwekken van trillingen.

Daarnaast wordt ook de schotgatmethode toegepast. Bij deze laatste methode worden kleine explosieve ladingen in de bodem tot ontsteking gebracht. Ook deze methode valt onder de omschrijving van categorie b. Hoewel seismologisch onderzoek doorgaans van korte duur is, wordt gevreesd voor verstoring. Reden om bedoelde activiteit onder de werking van de verordening te plaatsen.

Opsporingsboringen

De vergunning ten behoeve van opsporingsboringen heeft in het algemeen betrekking op een redelijk omvangrijk gebied, waarbinnen door middel van een aantal op elkaar volgende opsporingsboringen getracht wordt de aanwezigheid van olie of gas aan te tonen. Het gaat dus om een tijdelijke activiteit, die met een zekere regelmaat verplaatst binnen het gebied. De bij de boringen gebruikte lawaaiige toestellen beïnvloeden het natuurlijk achtergrondgeluidniveau in stiltegebieden negatief. In die gevallen waarin booractiviteiten in stiltegebieden op grond van besluitvorming op rijksniveau onvermijdelijk zijn geworden, kan via de verordening worden bevorderd dat zodanige maatregelen en voorzieningen worden getroffen dat hinderlijk geluid, met name piekgeluid, zoveel mogelijk wordt voorkomen.

b.

Ook activiteiten in het kader van de aanleg van kabels en buisleidingen, waarbij gebruik gemaakt wordt van motorisch aangedreven werktuigen, behoren onder het regime van deze verordening te vallen. Immers de verstoring van deze activiteiten, hoewel van tijdelijke aard, is zodanig, dat, indien de onvermijdelijkheid van de aanleg is aangetoond, slechts ontheffing kan worden verleend onder geluidreducerende voorwaarden. De aanleg van kabels en leidingen ten behoeve van woonhuisaansluitingen kan worden begrepen als onderdeel van de aanleg of reconstructie van wegen danwel van de bouw van woningen, welke activiteiten via de ruimtelijke ordening en niet via de verordening worden gereguleerd.

c.

Voor het gebruik van de onder c. genoemde toestellen is een uitzondering gecreëerd als het gaat om noodsituaties. In casu valt te denken aan het gebruik van marifoons, portofoons en dergelijke toestellen. Klokgelui ter gelegenheid van godsdienstige en levensbeschouwelijke plechtigheden en lijkplechtigheden, alsmede oproepen tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging zijn toegestaan.

e.

De onder e. genoemde toestellen zijn toegestaan in het normale gebruik in en om woningen en legale woonboten binnen het gebied.

g.

Onder schietwapens worden verstaan schietwapens als bedoeld in de zin van artikel 1 van de Wet wapens en munitie. In onderzoek is nog de mogelijkheid van beperking van jacht in milieustimuleringsbieden waar het aspect stilte beschermd wordt. Het gebruik van toestellen voor het afschieten van kleiduiven is een lawaaiige vorm van recreatie en als zodanig wezensvreemd aan een stiltegebied. Schietwapens in gebruik voor kleiduivenschietsport vallen niet onder de Jachtwet.

Bepaling 2.2 en 2.3

Het gebruik in stiltegebieden van elektrisch aangedreven motorvoertuigen, zoals rijwielen voorzien van een elektro-(hulp)motor, zal, wegens de geringe geluidsemissie die van deze voertuigen is te verwachten, niet worden verboden.

Bepaling 2.5

Door de inperking van de reikwijdte van het in bepaling 2.5 opgenomen verbod blijft de Vaartuigenverordening integraal in stand. Concreet: het eerste lid van bepaling 2.5 geldt niet in stiltegebied “De Biesbosch” omdat de genoemde verordening de materie al voldoende regelt.

B. De regels ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning

Paragraaf 1. Verordenende bevoegdheid van de provincie In zijn algemeenheid geldt dat de rol van de provincies veel nadrukkelijker een beleids-bepalende is geworden. Het zwaartepunt van de uitvoering van het Grondwater-beschermingsbeleid is verschoven naar de gemeenten. Met de inwerkingtreding van de Wet milieubeheer moet er onderscheid worden gemaakt tussen gedragingen buiten inrichtingen en gedragingen binnen inrichtingen. Voor gedragingen buiten inrichtingen zijn en blijven de provincies bevoegd gezag, tenzij voorzover die bevoegdheid door provincies in hun PMV uitdrukkelijk bij de gemeenten is gelegd. Voor uiteenlopende activiteiten kunnen door de provincies voorschriften worden opgesteld die direct kunnen worden toegepast in het kader van de ontheffingverlening op basis van de PMV.

Voor gedragingen binnen inrichtingen wordt de situatie geheel anders - en bijzonder complex. In zijn algemeenheid geldt dat het mogelijk is om in de PMV ten aanzien van bepaalde inrichtingen in waterwingebieden of beschermingszones een absoluut verbod op te nemen, een verbod waarvan geen ontheffing kan worden verleend. De mogelijkheid en wenselijkheid van andere regels hangt allereerst af van de vraag welk college in het Ivb wordt aangemerkt als bevoegd gezag. Is dat het college van Gedeputeerde Staten, dan blijft het “vertalen” van het provinciale grondwaterbeschermingsbeleid naar de Wet milieubeheer-vergunning een interne, provinciale, aangelegenheid. Aan aanvullende regelgeving in de PMV is dan geen behoefte. Indien het college van Burgemeester en Wethouders bevoegd gezag is, moet vervolgens de vraag worden beantwoord of voor de inrichting de vergunningplicht van de Wet milieubeheer (nog) geldt.

• Indien voor die zogenaamde gemeentelijke inrichting de normale vergunningplicht van de Wet milieubeheer geldt, kunnen met het oog op die vergunningverlening in de PMV instructiebepalingen worden opgenomen.

• Het is ook mogelijk dat voor die zogenaamde gemeentelijke inrichting de normale vergunningplicht van de Wet milieubeheer niet meer geldt omdat die inrichting valt onder de werkingssfeer van een Algemene Maatregel van Bestuur met een meldingstelsel. Dan kunnen in de PMV verdergaande rechtstreeks werkende bepalingen worden opgenomen. In aanvulling op het reeds genoemde algemeen verbod kan gedacht worden aan (aanvullende)algemene regels gekoppeld aan een meldingsysteem. Tot de mogelijkheden behoort zelfs een verbod- en ontheffingstelsel.

De mogelijkheden voor provinciale regelgeving in schema gebracht:

[Figuur kon niet worden opgenomen; verwezen wordt naar de op te vragen integrale papieren versie.]

Er is niet voor gekozen om van alle mogelijkheden tot regelgeving uitputtend gebruik te maken. Met name voor inrichtingen waarvoor Burgemeester en Wethouders bevoegd gezag zijn is terughoudendheid betracht. De Wet milieubeheer gaat uit van de gedachte dat er voor een inrichting een document dient te zijn, afkomstig van een bevoegd gezag, waarin alle voorschriften voor die inrichting zijn vermeld. Anderzijds geeft dezelfde Wet milieubeheer de bevoegdheid tot het (her-)introduceren van provinciale algemene regels of provinciale ontheffingen in aanvulling op de regels die bij amvb voor niet-vergunningplichtige inrichtingen gesteld zijn. Het gevolg van laatstbedoelde constructie zou dan wel weer zijn dat de bewuste inrichtingen met meerdere documenten en meerdere bevoegde gezagen zouden worden geconfronteerd.

Ten aanzien van niet-vergunningplichtige inrichtingen waarvoor Burgemeester en Wethouders bevoegd gezag zijn bevat de PMV een regeling die ook Gedeputeerde Staten tot bevoegd gezag kan maken. Het betreft bepaling 3.1.4. (25-jaarszone), 3A.1.3 (100-jaarszone) en 4.1 (boringsvrije zone) Deze bepaling biedt, in samenhang met bepaling 5.1, eerste lid, de basis voor het opstellen van provinciale (aanvullende) algemene voorschriften voor dergelijke inrichtingen.

De provinciale betrokkenheid bij “gemeentelijke” inrichtingen is derhalve niet tot nul gereduceerd. Afgezien van de in de voorgaande alinea bedoelde bepalingen bevat de PMV ten aanzien van categorieën van dergelijke inrichtingen nog twee soorten regels:

• de instructiebepalingen van bijlage 9 voor vergunningplichtige inrichtingen in grondwater-beschermingsgebieden (waterwingebieden, beschermingszones en boringsvrije zones);

• een aantal absolute verboden, voor vergunningplichtige en niet-vergunningplichtige inrichtingen, met name in waterwingebieden en in mindere mate in de beschermings-zones.

In aanvulling op de instructiebepalingen is er behoefte aan absolute verboden. Een instructie moet namelijk betrekking hebben op de inhoud van een vergunning, een te verlenen vergunning derhalve. Dat houdt in dat er twee beperkingen zijn aan het instrument van de instructies:

a. Een instructie tot het weigeren van een vergunning is niet mogelijk. Dat maakt dat gebruikmaking van het instrument van instructiebepalingen in een aantal gevallen tekort zou schieten. Een pijler van het provinciaal grondwaterbeschermingsbeleid is namelijk dat sommige activiteiten een dermate groot risico voor de grondwaterkwaliteit hebben dat deze activiteiten onder geen enkel beding in een beschermingsgebied mogen worden uitgeoefend. In de PMV komen dan ook diverse verbodsbepalingen voor, die zijn geformuleerd als een absoluut verbod. In een beperkt aantal gevallen is een al dan niet voorwaardelijke uitzondering op het verbod mogelijk. Dat houdt in belangrijke mate verband met bescherming van bestaande rechten of rechten in een vergevorderd stadium van vestiging. Zie hiervoor de bepalingen 3.1.2 en 3A.1.2.

b. De instructiemogelijkheid schiet sowieso tekort ten aanzien van inrichtingen waarvoor de vergunningplicht is opgeheven, omdat er een Algemene Maatregel van Bestuur op van toepassing is.

Het aantal absolute verboden in de PMV is overigens beperkt tot die gevallen waarin algemene maatregelen van bestuur (het algemeen beschermingsniveau) evident onvoldoende bescherming bieden aan de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning.

Het opnemen van instructiebepalingen en absolute verboden voor categorieën van inrichtingen leidt er niet toe dat er twee bevoegde gezagen komen. Naar de inrichtingen toe blijft alleen het college van Burgemeester en Wethouders bevoegd gezag:

• hetzij om de Wet milieubeheer-vergunning te verlenen waarin de instructies zijn verwerkt;

• hetzij om de Wet-milieubeheer-vergunning niet te verlenen (een absoluut verbod in de provinciale milieuverordening is voor het bevoegd gezag ten aanzien van de Wet milieubeheer-vergunning namelijk een verplichte weigeringsgrond);

• om handhavend op te treden.

Paragraaf 2. Systematiek van bijlage 10, onderdeel B

Beschermingsgebieden en zones

Rond de plaatsen waar grondwater wordt gewonnen ten behoeve van de openbare drinkwater-voorziening zijn beschermingsgebieden gecreëerd. Binnen die gebieden gelden regels die tot doel hebben de kwaliteit van het grondwater te beschermen. Die bescherming ligt niet in alle gebieden op eenzelfde niveau. Er is namelijk van uitgegaan dat met een geringer beschermingsniveau kan worden volstaan, naarmate de geohydrologische bescherming via slecht doorlatende klei- of leemlagen boven het watervoerende pakket toeneemt. Afhankelijk van de geohydrologische situatie ter plaatse van de winplaats is het volgende onderscheid te maken:

Het waterwingebied

Voor de begrenzing van het waterwingebied geldt de horizontale verblijftijd van 60 dagen per pompput of minimaal 30 meter rond iedere pompput. De lijn die alle berekende verblijftijden of bemeten afstanden omvat, bepaalt het waterwingebied.

De beschermingszone

De beschermingszone ligt als een schil rond het waterwingebied. De grens van dit gebied wordt bepaald aan de hand van de verblijftijd van waaraf het grondwater een periode van 25 jaar, respectievelijk 100 jaar, nodig heeft om de pompputten te bereiken. Van een 100-jaarszone is alleen sprake bij de 8 zeer kwetsbare winningen Waalwijk, Nuland, Helvoirt, Macharen, Boxmeer, Vierlingsbeek, Vessem en Budel-Dorplein. De verblijftijd wordt in beginsel berekend als de horizontale verblijftijd; bij winningen onder dikke aaneengesloten kleilagen met een bepaalde hydrologische weerstand, wordt de verblijftijd gerekend vanaf de bovenkant van die kleilaag (verticale en horizontale verblijftijd).

De boringsvrije zone

Als de verticale verblijftijd van het grondwater meer dan 25 jaar en, voor zover van toepassing 100 jaar, is dan is er geen sprake van een beschermingszone en is alleen bescherming gewenst tegen verwijdering of perforaties van de beschermende kleilaag. Indien de verticale en horizontale verblijftijd korter is dan 25 jaar, dan wordt er naast de beschermingszone ook een zone tegen aantasting van de kleilaag aangegeven. In deze twee situaties hanteert de provincie de boringsvrije zone die wordt berekend op basis van de horizontale verblijftijd in het watervoerende pakket. De verbodsbepalingen ten aanzien van de waterwingebieden, de beschermingszones en in mindere mate de boringsvrije zones komen grotendeels met elkaar overeen. Toch zijn er belangrijke verschillen in de uitgangspunten van de bescherming van de verschillende gebieden. Hiervoor is al aangegeven dat met een geringer beschermingsniveau kan worden volstaan, naarmate hetzij op het maaiveld de afstand tot de winningsmiddelen, hetzij in de bodem het aantal slecht-doorlatende lagen boven het watervoerende pakket waaruit wordt onttrokken, toeneemt.

In de waterwingebieden is de bescherming het sterkst. Binnen de waterwingebieden dient elk risico van verontreiniging te worden voorkomen. In deze gebieden zijn in principe alleen die activiteiten toegestaan die in verband staan met de grondwaterwinning. Uitzondering hierop is het om praktische redenen toestaan van het roeren van de grond en het oprichten, hebben en in exploitatie nemen van boorputten ten behoeve van onderzoek voor het grondwaterbeheer of de grondwaterbescherming. Het beschermingsregime van de boringsvrije zones is gericht op het tegengaan van activiteiten die de beschermende functie van de slecht-doorlatende bodemlagen teniet kunnen doen. De mate van bescherming van de beschermingszones neemt een tussenpositie in.

Het onderscheid in beschermingsregime voor de verschillende categorieën van zones komt niet alleen tot uitdrukking in het aantal verboden gedragingen. Het verschil is ook gelegen in:

• de ruimere lijst van uitzonderingen op de verbodsbepalingen voor de beschermingszones ten opzichte van de waterwingebieden;

• de mogelijkheid om voor de beschermingszones en boringsvrije zones algemene voorschriften voor bepaalde activiteiten of objekten vast te stellen;

• de mogelijkheid tot het verlenen van ontheffing van de verbodsbepalingen, die ruimer is in de beschermingszones dan in de waterwingebieden; en

• het gegeven dat ten aanzien van gelijksoortige handelingen of objecten bij de ontheffingverlening strengere voorschriften zullen worden gesteld in de waterwingebieden dan in de beschermingszones en boringsvrije zones.

Er zijn beschermingsgebieden, waarin het grondwater zowel uit het eerste, als uit een dieper gelegen watervoerend pakket wordt onttrokken. In die gebieden is dan het strengste regime, dat van de beschermingszone, van toepassing.

Groepering van de verbods- en andere bepalingen

Ten behoeve van de leesbaarheid zijn per zone alle bepalingen die voor die zone gelden bij elkaar geplaatst in drie afzonderlijke titels. Een aantal verbodsbepalingen, uitzonderingen op de verboden en ontheffingsmogelijkheden gelden voor alle zones. Dit betekent dat een aantal passages ten aanzien van de zone waterwingebied een of twee maal wordt herhaald ten aanzien van de andere zones. Voor de zones waterwingebied en beschermingszone bevat bijlage 10, onderdeel b, zowel bepalingen ten aanzien van inrichtingen als bepalingen ten aanzien van handelingen buiten inrichtingen. De eerste paragraaf heeft steeds betrekking op inrichtingen; de tweede paragraaf op handelingen buiten inrichtingen. Voor de boringsvrije zone zijn vrijwel uitsluitend bepalingen opgenomen ten aanzien van handelingen buiten inrichtingen. In elke paragraaf worden eerst de verbodsbepalingen gepresenteerd. Vervolgens wordt in een afzonderlijke bepaling aangegeven in welke situaties de verbodsbepalingen niet van toepassing zijn. Daarna wordt vermeld van welke verbodsbepalingen ontheffing kan worden verleend, soms beperkt tot bepaalde gevallen. De verbodsbepalingen voor inrichtingen zijn absolute verboden, met slechts een uitzondering waar het gaat om niet-vergunningplichtige inrichtingen in beschermingszones. Een afzonderlijke titel bevat een regeling voor algemene voorschriften, die Gedeputeerde Staten kunnen opstellen. Later in deze toelichting wordt daar op ingegaan.

De opbouw van bijlage 10 onderdeel B schematisch in beeld gebracht:

TITEL 1 Algemene bepalingen

TITEL 2 Waterwingebieden:

PARAGRAAF 1 Inrichtingen: verbodsbepalingen (bepalingen 2.1.1 en 2.1.2)

PARAGRAAF 2 Handelingen buiten inrichtingen: verbodsbepalingen (bepaling 2.2.1)

uitzonderingsbepalingen (bepaling 2.2.2)

ontheffingsmogelijkheden (bepaling 2.2.3)

TITEL 3 25 jaars-beschermingszones:

PARAGRAAF 1 Inrichtingen: verbodsbepalingen (bepalingen 3.1.1 t/m 3.1.4)

PARAGRAAF 2

Handelingen buiten inrichtingen: verbodsbepalingen (bepaling 3.2.1)

uitzonderingsbepalingen (bepaling 3.2.2)

ontheffingsmogelijkheden (bepaling 3.2.3)

TITEL 3A 100-jaarsbeschermingszone:

PARAGRAAF 1 INRICHTINGEN verbodsbepalingen (bepalingen 3A.1.1 t/m 3A.1.3)

PARAGRAAF 2

Handelingen buiten inrichtingen: verbodsbepalingen (bepaling 3A.2.1)

uitzonderingsbepalingen (bepaling 3A.2.2)

ontheffingsmogelijkheden (3A2.3)

TITEL 4 Boringsvrije zones:

verbodsbepaling inrichtingen (bepaling 4.1)

verbodsbepaling buiten inrichtingen (bepaling 4.2)

uitzonderingsbepaling (bepaling 4.3)

ontheffingsmogelijkheid (bepaling 4.4)

TITEL 5 Algemene voorschriften

Paragraaf 3. Toelichting op de rechtstreeks werkende regels

Waterwingebieden

In de zone waterwingebied zijn in principe alleen die activiteiten toegestaan, die in verband staan met de grondwaterwinning. Wat betreft gedragingen binnen inrichtingen is dit uitgangspunt neergelegd in bepaling 2.1.1.

Het eerste lid van deze bepaling bevat een algemeen verbod voor het oprichten van inrichtingen, ongeacht of ze vergunningplichtig zijn of niet, ook ongeacht een eventuele bodemindex. Alle inrichtingen die worden genoemd in de drie bijlagen van het Ivb vallen onder dit verbod.

Met deze bepaling wordt de vestiging van nieuwe inrichtingen voorkomen. Dit geldt ook voor inrichtingen waarvoor Burgemeester en Wethouders een vergunning op grond van de Wet milieubeheer zouden moeten afgeven. De laatste volzin van artikel 8.10, tweede lid, van de wet betekent namelijk dat de vergunning moet worden geweigerd, indien ingevolge de PMV een verbod geldt tot het oprichten van een dergelijke inrichting. Voor bestaande inrichtingen in waterwingebieden is een overeenkomstig verbod niet opgenomen. Een dergelijke bepaling zou er namelijk toe leiden dat alle bestaande inrichtingen gesloten moeten worden, ook indien door het treffen van maatregelen het risico voor grondwaterverontreiniging tot een aan vaardbaar niveau zou kunnen worden teruggebracht. In een afweging van belangen is het nu mogelijk om bepaalde bestaande inrichtingen te continueren, omdat het drinkwaterbelang onvoldoende gebaat is bij, of mogelijk zelfs niet opweegt tegen de (maatschappelijke) kosten van beëindiging. Ten aanzien van bestaande inrichtingen zal derhalve van geval tot geval moeten worden bezien op welke wijze eventuele risico’s voor de kwaliteit van het grondwater kunnen worden gereduceerd. Dat zal dan dienen te geschieden in het kader van de toepassing van de Wet milieubeheer.

Het tweede lid van bepaling 2.1.1 behelst een algemeen verbod voor alle bestaande inrichtingen om de inrichting zelf of de werkwijze in de inrichting te veranderen, als dat een extra milieubelasting met zich meebrengt. Ook dit verbod richt zich net als het eerste lid tot alle Ivb-inrichtingen, vergunningplichtig of niet, ongeacht een eventuele bodemindex. Voor de formulering van het tweede lid is aansluiting gezocht bij de redactie van het tweede lid van artikel 8.19 van de Wet milieubeheer.

Bepaling 2.2.1 geeft aan welke gedragingen buiten inrichtingen in waterwingebieden verboden zijn.

• Onderdeel a heeft betrekking op het hebben, gebruiken, enz. van schadelijke stoffen. De begripsomschrijving van schadelijke stoffen is in bepaling 1.1 van Bijlage 10, onderdeel B, een algemene beschrijving gegeven, waarin een zekere begrenzing is opgenomen (“de bodem
verontreinigen of kunnen verontreinigen”). Een limitatieve opsomming van schadelijke stoffen is vermeden, omdat daarbij het gevaar
blijft bestaan dat nieuwe stoffen, die schadelijk (kunnen) zijn, niet onder de verbodsbepalingen vallen. De verordening zou dan telkens gewijzigd moeten worden. Naast de algemene omschrijving wordt er in bepaling 1.2 verwezen naar een stoffenlijst. Deze lijst geeft een opsomming van de belangrijkste stoffen die de bodem en het grondwater
kunnen verontreinigen, en heeft geen andere status dan die van een lijst van voorbeelden van schadelijke stoffen.

Onder schadelijke stoffen worden ook begrepen bestrijdingsmiddelen. De werkzame stoffen in bestrijdingsmiddelen zijn, vaak al in zeer geringe concentraties, schadelijk voor de mens. Dit betekent, dat bestrijdingsmiddelen niet in het drinkwater mogen voorkomen. Ook het voorkomen ervan in de grondstof waaruit het drinkwater wordt bereid moet worden tegengegaan, omdat de meeste bestrijdingsmiddelen moeilijk uit water zijn te verwijderen. Het gebruik van bestrijdingsmiddelen in de beschermingsgebieden moet derhalve aan banden worden gelegd. Hierin wordt voorzien door de Bestrijdingsmiddelenwet. Op grond van deze wet kan, bij de toelating van een bestrijdingsmiddel, worden bepaald dat het middel niet, of slechts onder bepaalde voorwaarden mag worden gebruikt in waterwin-gebieden en de bijbehorende beschermingsgebieden. Gelet op de grote kwetsbaarheid van de waterwingebieden gaat deze regeling niet ver genoeg. Door bestrijdingsmiddelen te brengen onder het regime van schadelijke stoffen wordt in waterwingebieden het gebruik van bestrijdingsmiddelen verboden. Het verlenen van een ontheffing voor het gebruik van bestrijdingsmiddelen in waterwingebieden is niet mogelijk, zie bepaling 2.2.3, 2de lid, onder b. Op grond van bepaling 2.2.1, lid 1 onder m is het binnen het waterwingebied verboden licht verontreinigde grond, ontzilt zeezand of andere secundaire bouwstoffen als bodem of in werken te gebruiken. MVR-grond wordt niet gezien als een schadelijke stof. Op MVR-grond zijn volgens de Ministeriële vrijstellingsregeling samenstellings- en immissiewaarden Bouwstoffenbesluit (25 juni 1999) de regels voor schone grond van het Bouwstoffenbesluit van toepassing. De aanvoer van verontreinigingen van buiten het grondwaterbeschermingsgebied dient zoveel mogelijk te worden voorkomen. In de nota “Bouwen op (Zee)zand” van mei 2000 is het provinciaal beleid voor grondstoffen voor ophoogdoeleinden verwoord. Hierin is aangegeven dat binnen grondwaterbeschermingsgebieden in principe geen (ontzilt) zeezand mag worden aangevoerd. Binnen waterwingebieden en beschermingszones van grondwaterbeschermingsgebieden geldt een absoluut verbod voor de aanvoer van (ontzilt) zeezand en licht verontreinigde grond van buiten het grondwaterbeschermingsgebied, met het doel deze te gebruiken als bodem. Hiervoor wordt geen ontheffing verleend. Alleen voor het toepassen van gebiedseigen licht verontreinigde grond als bodem kan onder bepaalde omstandigheden ontheffing verleend worden. Hierbij valt te denken aan natuurontwikkelingsprojecten waar een gesloten grondbalans noodzakelijk is of andere projecten die een positieve bijdrage leveren aan de grondwaterbescherming. Met dergelijke aanvragen zal echter zeer terughoudend worden omgegaan. Van geval tot geval zal beoordeeld worden of en onder welke voorwaarden ontheffing verleend kan worden. Op basis van het Bouwstoffenbesluit mag schone grond zonder beperkingen op de bodem worden gebracht en de overige bouwstoffen, zijnde niet schone grond, slechts in een werk. De Ministeriële Vrijstellingsregeling grondverzet (MVG) maakt het mogelijk om licht verontreinigde grond her te gebruiken als bodem. Als randvoorwaarde geldt dat de grond van vergelijkbare kwaliteit is als de ontvangende bodem. Dit houdt in dat voor het ontvangende gebied (al dan niet deel uitmakend van het grondwaterbeschermingsgebied) een bodemkwaliteitskaart (incl. bodembeheersplan) moet worden opgesteld. Deze landelijk geldende regels voor het toepassen van licht verontreinigde grond bestendigen in feite de verontreiniging van het grondwater en dat is in tegenspraak met het grondbeginsel om grondwaterbeschermingsgebieden schoon te houden. Naar aanleiding van een in interprovinciaal verband uitgevoerde evaluatie van de PMV, is daarom in de ontwerp-PMV de bepaling opgenomen dat hergebruik van verontreinigde grond als bodem slechts is toegestaan indien deze afkomstig is van binnen hetzelfde grondwaterbeschermingsgebied en voldaan is aan de eisen van de ministeriële Vrijstellingsregeling Grondverzet.

De Wet milieubeheer biedt de mogelijkheid om gebieden aan te wijzen waarbinnen de bodemkwaliteit bij voorkeur moet verbeteren. Zo kunnen er (door Provinciale Staten) gebieden aangewezen worden (zogenaamde bijzondere bodemgebieden), die worden gevrijwaard van de aanvoer van (licht) verontreinigde grond met de bedoeling deze te vermengen met de bodem. Vooralsnog worden grondwaterbeschermingsgebieden niet als zodanig aangewezen, omdat verwacht wordt dat met de bestaande regelgeving in de PMV voldoende instrumenten beschikbaar zijn om verontreiniging van grondwaterbeschermingsgebieden door bouwstoffen te voorkomen. Onder het in de bodem brengen van schadelijke stoffen wordt ook verstaan het infiltreren van verontreinigd hemelwater, dat afkomstig is van verhardingen en daken. Gezien de aard van het grondgebruik in waterwingebieden en de beperkingen voor de aanleg van wegen en gebouwen, is dit met name aan de orde in beschermingszones. In de toelichting bij bepaling 3.2.1 wordt verder op deze materie ingegaan.

• Onderdeel b heeft betrekking op het aanwenden en het direct op de bodem opslaan van meststoffen. Onder dit begrip wordt een aantal verschillende stoffen begrepen, zie de omschrijving in bepaling 1.1, eerste lid. Als eerste zijn er de dierlijke meststoffen, omschreven in de Meststoffenwet. Daarnaast zijn er zogenaamde overige organische meststoffen: compost, zwarte grond en zuiveringsslib. Deze categorie meststoffen wordt omschreven in het Besluit kwaliteit en gebruik overige organische meststoffen (BOOM), dat ook (mede) is gebaseerd op de Meststoffenwet. Verder zijn er allerlei soorten van agrarische en niet agrarische restprodukten, die als meststof worden aangewend, zoals uienpulp, en eierafval of papierpulp • De schadelijkheid van het gebruik van dierlijke meststoffen voor de waterwinning is gelegen in de mogelijke uitspoeling van nitraat naar het grondwater, en de kans op besmetting met pathogene of ziekteverwekkende organismen.

Het risico van besmetting met pathogene organismen doet zich vooral voor in de waterwingebieden. Deze gebieden worden immers omsloten door de lijn waarbinnen het grondwater maximaal 60 dagen in het watervoerende pakket nodig heeft om de pompputten te bereiken. Binnen die maximale periode is een volledige afbraak van ziekteverwekkende kiemen niet gewaarborgd. Het gebruik van dierlijke meststoffen is dan ook verboden. Beweiding is wel toegestaan, zie de omschrijving van het begrip “op of in de bodem brengen van dierlijke meststoffen” in bepaling 1.1, lid 2.

De opslag van 10 m3 of meer dierlijke meststoffen moet ingevolge Bijlage I van het Ivb (categorie 7.1) worden gezien als een inrichting en hoort dus niet in deze titel thuis; zij is begrepen in het verbod op inrichtingen als bedoeld in bepaling 2.1.1. (Voor de wijziging van het lvb lag deze grens bij 1 m3).

• Voor compost en zwarte grond geldt dat de opslag van 10 m3 of meer volgens het Ivb (categorie 7.1) moet worden gezien als inrichting. Die opslag valt onder het verbod van bepaling 2.1.1. In bepaling 2.2.1 zijn kleinere opslagen dan 10 m3 en het gebruik van compost en zwarte grond verboden. De samenstelling van compost en zwarte grond moet tegenwoordig voldoen aan de eisen van het BOOM. De samenstellingseisen van dat besluit zijn evenwel beperkt tot zeven zware metalen en arseen. Ten aanzien van pathogene organismen en organische micro-verontreinigingen stelt het BOOM geen eisen. Met het oog op de bescherming van de kwaliteit van het grondwater wordt de toetsing van het BOOM als te beperkt ervaren. Aanvullende provinciale regelgeving is zeker voor de zone waterwingebied gewenst. Veiligheidshalve is gekozen voor de meest stringente regeling, die van het absolute verbod.

• De opslag van zuiveringsslib wordt ook geregeld in Bijlage I van het Ivb. Zuiveringsslib kan worden aangemerkt als bedrijfsafvalstof. De opslag van 5 m3 of meer zuiveringsslib is in categorie 28 aangemerkt als inrichting en is daarmee op grond van bepaling 2.1.1 verboden. In onderdeel b van bepaling 2.2.1 wordt het gebruik van zuiveringsslib en het op de bodem opslaan tot 5 m3 verboden. Weliswaar geldt ook ten aanzien van zuiveringsslib dat de kwaliteit moet voldoen aan de bepalingen van het BOOM, maar het gestelde ten aanzien van compost en zwarte grond is eveneens van toepassing op zuiveringsslib.

• Op grond van de Meststoffenwet 1947 en het Meststoffenbesluit 1977 kunnen stoffen als meststof worden aangewezen, waarna zij als meststof mogen worden verhandeld. Deze regeling is bedoeld om bedrog in de handel van meststoffen te bestrijden, vooral ten aanzien van de bemestende waarde van een stof. Aangewezen meststoffen kunnen vanuit een oogpunt van bodem- en grondwaterbescherming echter niet in alle gevallen worden toegepast. Niet zelden is sprake van agrarische of industriele afvalstoffen die niet alleen zijn samengesteld uit stoffen met een bemestende waarde, maar ook uit zware metalen. Daarom worden voor de toepassing in waterwingebieden deze overige meststoffen gelijkgesteld met zuiveringsslib. Dat leidt tot een absoluut verbod op het gebruik ervan.

• Onderdeel c bevat een verbod op de aanleg en het gebruik van onder andere pijpleidingen en opslagsystemen.

• Met de inwerkingtreding van de Wet bodembescherming is de Wet op de lijkbezorging gewijzigd. Zo is vervallen het toenmalige derde lid van artikel 16, dat bepaalde dat in beginsel geen begraafplaats mocht worden aangelegd of uitgebreid binnen de afstand van 2500 meter van enige inrichting tot waterwinning van een waterleidingbedrijf. Gelet op de kwetsbaarheid van waterwingebieden is er voor deze gebieden echter wel behoefte aan de instandhouding van een dergelijke bepaling. In de grondwaterbeschermingsverordening was al een regeling dienaangaande opgenomen, die nu is overgenomen in onderdeel d. Met de begraafplaatsen zijn de zogenaamde strooivelden gelijkgesteld, alsmede dierenbegraafplaatsen.

• Onderdeel e verbiedt het oprichten enz. van boorputten. Bij boringen bestaat het gevaar dat een eventuele verontreiniging snel tot op grote diepte kan doordringen omdat de natuurlijke bodemopbouw ter plaatse wordt verstoord. Dit geldt met name voor het doorboren van slecht-doorlatende bodemlagen.

• Onderdeel f heeft betrekking op het roeren van de grond. In deze bepaling wordt een aantal activiteiten samengevat die aanleiding kunnen geven tot aantasting of vernietiging van de van nature aanwezige barrières, waardoor eventuele verontreinigingen vanaf de oppervlakte snel in het grondwater terecht kunnen komen. Daarbij valt te denken aan diepe grondbewerking ontgrondingen, ontginning, de aanleg van ondergrondse reservoirs en heiwerkzaamheden.

• In aanvulling hierop dienen ingevolge onderdeel g nieuwe watergangen en waterplassen bij woonwijken, die een risico vormen voor het grondwater te worden voorzien van een bodemafdichting.

• Onder terreinen voor gemotoriseerd verkeer (onderdeel h) zijn mede begrepen militaire oefenterreinen en terreinen ten behoeve van de uitoefening van de motorsport. Ook weilanden die tijdelijk als parkeerterrein worden benut vallen hier onder.

• Met kampeergelegenheid in onderdeel i wordt bedoeld een terrein met daarbij behorende voorzieningen, ter beschikking gesteld voor het houden van recreatief nachtverblijf of voor het plaatsen dan wel geplaatst houden van kampeermiddelen alsook een bouwwerk, ter beschikking gesteld voor het houden van recreatief nachtverblijf, niet zijnde een hotel, een pension of een woning, anders dan een zomerhuis. Deze omschrijving is ontleend aan de Kampeerwet.

• Woningen en andere gebouwen zijn, door de bouwactiviteiten en het gebruik, in principe ongewenst. Daarom is in de verordening een verbod op het tot stand brengen van gebouwen opgenomen (onderdeel j).

• Onderdeel k bevat een verbod op het uitvoeren van bodemlozingen. Het Lozingenbesluit bodembescherming kent voor de onderscheiden soorten bodemlozingen ontheffings-mogelijkheden. Gelet op de samenstelling/kwaliteit van geloosde vloeistoffen dient in gebieden waar grondwater wordt gewonnen echter grote terughoudendheid te worden betracht bij het toestaan van bodemlozingen. Die grote terughoudendheid bestaat met name uit een absoluut verbod van nieuwe lozingen. Voor bestaande lozingen gelden de bepalingen van het Lozingsbesluit bodembescherming en de “zorgplichtbepaling” in de Wet milieubeheer (artikel 10.33), inhoudend de verplichting voor gemeenten zorg te dragen voor een doelmatige inzameling en een doelmatig transport van afvalwater dat vrijkomt bij de binnen haar grondgebied gelegen percelen. Gedeputeerde Staten kunnen onder bepaalde voorwaarden vrijstelling verlenen van die zorgplicht. Lozing van hemelwater in de bodem is uitgezonderd in het Lozingenbesluit bodembescherming. Infiltratie van verontreinigd hemelwater valt onder onderdeel a.

• Onderdeel l betreft het verspreiden van baggerspecie.Ter toelichting hierop het volgende. Op grond van artikel 10.2, eerste lid van de Wet milieubeheer is het verboden om afvalstoffen buiten een inrichting op of in de bodem te brengen. Op 1 januari 1994 is het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen in werking getreden. In deze Algemene Maatregel van Bestuur, die is gebaseerd op artikel 10.2, tweede lid van de Wet milieubeheer, wordt voor onder meer baggerspecie (onderhoudsspecie) van de klasse 1 en 2 vrijstelling verleend van dit algemeen stortverbod buiten een inrichting.Het verspreiden van baggerspecie klasse 3 en 4 is niet vrijgesteld. In het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen wordt in paragraaf III van de Nota van toelichting opgemerkt dat het in bepaalde gevallen nodig kan zijn om het verspreiden op het land van onderhoudsspecie klasse 1 of 2 geheel uit te sluiten. Genoemd worden onder meer milieubeschermingsgebieden ter bescherming van grondwater. In de Nota van toelichting wordt de mogelijkheid van het stellen van regels terzake bij provinciale milieuverordening expliciet erkend.

  • Onderdeel m betreft het gebruik van licht verontreinigde grond, ontzilt zeezand of andere secundaire bouwstoffen als bodem of in werken. In waterwingebieden geld hiervoor een absoluut verbod, zonder ontheffingsmogelijkheid.

  • Onderdeel n bevat,voor alle duidelijkheid, het verbod voor het waterwingebied op het oprichten van warmtepomp-systemen met bodemwarmtewisselaar Voor wat betreft de - overigens onwaarschijnlijke - situatie dat deze systemen reeds aanwezig zouden zijn in bestaande waterwingebieden kan toetsing plaatsvinden aan de verboden als bedoeld in bepaling 2.2.1, lid 1 onder c, e en f in relatie tot de ontheffingsbevoegdheid van bepaling 2.2.3 lid 1 sub a.

• Tenslotte bevat het eerste lid van bepaling 2.2.1 in onderdeel o een vangnetbepaling voor uitzonderlijke situaties die niet onder de overige categorieën (a t/m n) begrepen zijn.

Bepaling 2.2.2 bevat de uitzonderingsbepalingen op de verboden van bepaling 2.2.1.

De uitzonderingen van het eerste lid hebben betrekking op het voorhanden hebben van kleine hoeveelheden schadelijke stoffen voor normaal (huishoudelijk) gebruik of verkoop, het verspreiden van wegenzout en het vervoeren van schadelijke stoffen over de weg. Wat betreft onderdeel b wordt nog opgemerkt dat een exakte hoeveelheid in het algemeen moeilijk is aan te geven. Dat hangt af van de concrete situatie en de aard van de stof. Bij de kwalifikatie van “geringe” is gedacht aan de kleine voorraad schadelijke stoffen, zoals medicijnen, reinigingsmiddelen, insekticiden, enzovoorts, die in bijna ieder gezin, maar ook in kantoren, winkels en boerderijen binnenshuis voorkomen. Aangehouden wordt een maximale hoeveelheid van 20 tot 25 kilo of liter (ontleend aan categorie 5 van bijlage I van het Ivb en de PGS 15. Voorafgaand aan de activiteiten die worden vermeld in het tweede lid, onder b, vindt al een provinciale toetsing plaats, waarbij alle betrokken belangen worden afgewogen, dus ook het belang van de bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning. Het derde lid laat bestaande bodemlozingen ongemoeid, om dezelfde redenen als het hebben van bestaande inrichtingen niet onder een provinciale verbodsbepaling valt.

Bepaling 2.2.3 geeft de ontheffingsmogelijkheden van de verboden van bepaling 2.2.1. Een aantal ontheffingsmogelijkheden is geclausuleerd.

• Lid 1, onder b, kent geen ontheffingsmogelijkheid voor nieuwe begraafplaatsen, dierenbegraafplaatsen, strooivelden, respectievelijk kampeerterreinen e.d.

• Lid 2, onder a, maakt ontheffingverlening voor ondergrondse opslagen in tanks onmogelijk.

• Lid 2, onder b, maakt ontheffingverlening voor het gebruik van bestrijdingsmiddelen onmogelijk. Zelfs het gebruik van bestrijdingsmiddelen die op grond van de Bestrijdingsmiddelenwet in waterwingebieden zijn toegestaan, wordt daarmee verboden.

• Dierlijke meststoffen zijn (indirekt, nl. via de samenstellende bestanddelen) opgenomen op de eerder in deze toelichting genoemde lijst van schadelijke stoffen. Daaruit zou kunnen worden afgeleid dat voor het gebruik van dierlijke meststoffen in waterwingebieden ontheffing kan worden verleend op basis van bepaling 2.2.3, eerste lid, juncto bepaling 2.2.1, eerste lid, onderdeel a. Dit is evenwel niet de bedoeling. Het gebruik van dierlijke mest in de zone waterwingebied is namelijk (in aanvulling op bepaling 2.2.1, eerste lid, onder a) afzonderlijk verboden in bepaling 2.2.1, eerste lid, onder b, en dat onderdeel b komt niet voor in de opsomming van ontheffingsmogelijkheden in bepaling 2.2.3, eerste lid, onder a. De enige wijze van bemesting die is toegestaan is beweiding, zoals al eerder in deze toelichting is aangegeven.

De regels voor waterwingebieden in schema gebracht:

[Schema kon niet worden opgenomen; verwezen wordt naar de te bevragen integrale papieren versie]

Beschermingszones (25 jaar)

De regelgeving ten aanzien van beschermingszones is minder streng dan die ten aanzien van waterwingebieden. Dat blijkt met name uit het aantal inrichtingen waarvoor een absoluut verbod geldt. Geldt voor waterwingebieden een absoluut verbod voor het oprichten van alle inrichtingen, voor beschermingszones geldt het slechts voor bepaalde, met name genoemde categorieën van inrichtingen. Die inrichtingen worden genoemd in bijlage 10.B.1. De basis voor die bijlage is bepaling 3.1.1. en 3A.1.1 voor uitsluitend de zwarte lijst.

Om te komen tot een afgewogen lijst van categorieën van inrichtingen c.q. bedrijven die een ernstige of zeer ernstige bedreiging vormen voor het grondwater is gebruik gemaakt van “Bedrijven en milieuzonering”, Vereniging van Nederlandse gemeenten, ‘s Gravenhage, juli 1992. In “Bedrijven en milieuzonering” is per bedrijfstype onder meer een index voor het milieucompartiment bodem opgenomen. Hierbij gold de volgende kwalitatieve omschrijving:

Bodemindex 1: potentieel geen of geringe emissie;

Bodemindex 2: potentieel aanzienlijke emissie;

Bodemindex 3: potentieel zeer ernstige emissie.

Inmiddels is deze uitgave van 1992 vervangen door een versie van 2001. In de tabel bij deze uitgave bevat de kolom “opmerkingen”de letter B indien een gemiddeld bedrijf binnen het genoemde bedrijfstype een verhoogde kans op bodemverontreiniging geeft. Deze letter B komt in principe overeen met de hiervoor genoemde index 2 en 3 voor bodem in de uitgave van 1992.

De bodemindex is de milieubelasting van het gemiddelde bedrijfstype. Daar waar tussen de bedrijven binnen hetzelfde bedrijfstype zeer grote verschillen voorkomen in milieubelasting (grote diversiteit) is dit in genoemde brochure als zodanig aangegeven.

Het PMP hanteert de termen “zwarte lijst” en “grijze lijst”. In de zwarte lijst - in bijlage 10.B.1 - met bedrijven waarvoor een oprichtingsverbod geldt, zijn in principe alle bedrijfstypen opgenomen met een voormalige bodemindex 3 (inmiddels genoemd: B-inrichting). Uitzondering is gemaakt voor die bedrijfstypen waarbinnen de diversiteit zeer groot is. Deze bedrijfstypen zijn geplaatst op de “grijze lijst” van het Provincial Milieubeleidsplan, waarvoor een restrictief beleid wenselijk is. Op de grijze lijst zijn tevens alle bedrijfstypen met een bodemindex 2 (inmiddels eveneens aangeduid als B-inrichting) geplaatst. In de acht zeer kwetsbare grondwaterwinningen in de provincie Noord-Brabant (winningen waarbij het drinkwater gewonnen wordt uit het freatische -oppervlakkige- grondwater) is de grijze lijst als het ware zwart geworden, zodat voor die gebieden een aangescherpt oprichtingsverbod geldt. Bestaande inrichtingen die voorkomen op de lijst van bijlage 10.B.1 vallen niet onder het verbod van bepaling 3.1.1. of 3A.1.1. Voor deze inrichtingen geldt hetzelfde als eerder in deze toelichting is opgemerkt ten aanzien van bestaande inrichtingen in waterwingebieden. Voor deze inrichtingen gelden, voor zover ze vergunningplichtig zijn, wel de instructiebepalingen van bijlage 9. Inrichtingen die in de VNG-brochure van een voormalige bodemindex 1 zijn voorzien (dat wil zeggen: niet gelden als een B-inrichting) zijn niet in bijlage 10.B.1 opgenomen. De eventuele bodembedreiging die van deze inrichtingen uitgaat kan voldoende worden ondervangen via het algemeen beschermingsniveau en in aanvulling daarop de instructiebepalingen.

Gelet op de bedoeling van het oprichtingsverbod rond zwarte en grijze lijst bedrijven in de PMV en ook gelet op de formulering in het streekplan, waarin sprake is van nieuwvestiging en niet van oprichten, is het uitgangspunt wel dat, wil het verbod rond de zwarte en grijze lijst van toepassing zijn, in elk geval een of andere vorm van nieuwvestiging van bedrijvigheid moet dreigen plaats te vinden of niet legaal hebben plaatsgevonden. Dit dan al dan niet na aanpassing van een reeds bestaande bedrijfslocatie. Bij het zwarte of grijze lijst verbod gaat het niet om het aanpakken van oprichting, uitsluitend als juridisch begrip, dus zonder dat in de praktijk enige verandering van bedrijfsvoering plaatsvindt. Een dergelijke situatie kan zich bijvoorbeeld voordoen wanneer een tijdelijke vergunning voor een bestaand, legaal aanwezig, bedrijf niet helemaal naadloos aansluit op de geactualiseerde vergunning voor een nieuwe periode, zodat formeel-juridisch gezien wederom een oprichtingsvergunning is vereist. Ook wanneer bijvoorbeeld vanuit de landelijke wetgever een wijziging in de milieuregelgeving voor hele categorieën van bedrijvigheid wordt doorgevoerd kan vervolgens sprake zijn van oprichting in een louter formeel-juridische betekenis, zonder dat in de bestaande praktijk enige verandering optreedt.

Een uitzondering op het oprichtingsverbod voor nieuwe inrichtingen gold verder indien een strucuurschema bedrijventerreinen was opgesteld voor de in werking treding van de verordening. Voor deze inrichtingen moest wel aangetoond worden dat zodanige voorzieningen werden getroffen dat ze de voormalig bodemindex 1 toekwam, derhalve niet golden als de tegenwoordige B-inrichting. Aan uitzonderingen voor het structuurschema bedrijventerreinen van vóór 1 maart 1995 als hiervoor bedoeld bleek bij de PMV-wijziging van 2003/2004 geen behoefte meer te bestaan. De 5e tranche had te maken met de onder het kopje “toelichting detailkaarten grondwater-beschermingsgebieden” toegelichte herbegrenzing van de 8 zeer kwetsbare winningen aan de hand van gemoderniseerde modelberekeningen. Dit resulteerde in de 100-jaars beschermingszone als nieuw begrip en had in sommige gevallen ook gevolgen voor de ligging van de reeds bestaande 25-jaarsbeschermingszone.

Wel werd bij de inspraakronde erop aangedrongen om het oprichtingsverbod zwarte en grijze lijst uit de PMV te vervangen door een maatwerkbenadering. In paragraaf 4.2.3 van het provinciale beleidsplan voor de drinkwatervoorziening van september 2002 is sprake van een onderzoek in IPO-verband naar de mogelijkheden van toepassing van (elementen uit) de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten om tot een zogenaamde milieurendementsbenadering te komen bij de activiteiten in en rond inrichtingen. Dit onderzoek heeft (nog) niet tot bruikbare resultaten geleid.

In die situaties waarin de systematiek van bepaling 3.1.1 en in het verlengde daarvan bepaling 3A1.1 (100-jaarszone, alleen grijze lijst verbod) in combinatie met de zwarte en/of grijze lijst te verregaande ongewenste effecten met zich mee bleek te brengen is voorzien in een systeem van (voorwaardelijke) uitzonderingsbepalingen op het oprichtingsverbod. Deze uitzonderingen met de daarbij behorende randvoorwaarden zijn bijeengebracht in bepaling 3.1.2 vanaf lid 4 tot en met lid 9 en 3A1.2 vanaf lid 4 tot en met lid 9.

Het betreft dan onder meer een situatie waarin sprake is van in verregaand stadium van planologische voorbereiding verkerende, omvangrijke initiatieven, die een grote investeringslast kennen en als gevolg van het trekken van een nieuwe zonegrens en een oprichtingsverbod zwarte en/of grijze lijst van bepaling 3.1.1 of 3A1.1 alsnog (nagenoeg) niet gerealiseerd zouden kunnen worden (bepaling 3.1.2 lid 4 en 3A.1.2 lid 4). Verder is voorzien in een uitzonderingsbepaling voor planologisch ingepaste bedrijventerreinen die bijvoorbeeld te maken krijgen met vertrekkende bedrijven en bij ongewijzigde regelgeving geen bedrijfsopvolger meer zouden mogen toelaten op het terrein, voor zover in zo’n geval sprake zou zijn van handelen in strijd met het oprichtingsverbod. Om te voorkomen dat om die reden langdurige leegstand en mogelijke verloedering van bestaande bedrijventerreinen optreedt is in bepaling 3.1.2. lid 5 en 3A 1.2. lid 5 een uitzonderingsregeling opgenomen. Ook is voorzien in een uitzonderingsbepaling voorzien voor het geval dat een ontwerp-vergunning op basis van de Wet milieubeheer bekend is gemaakt voordat de nieuwe zonegrens een feit is (bepaling 3.1.2, lid 6 en 3A 1.2, lid 6), danwel een bouwvergunning is verleend voor het geval de inrichting valt onder een Algemene maatregel van bestuur ter vervanging van de vergunningplicht (bepaling 3.1.2 lid 7 en 3A.1.2 lid 7).

De voorwaardelijke uitzonderingsbepalingen sluiten op het punt van systematiek en redactie zoveel mogelijk aan bij de inmiddels vervallen uitzonderingsbepaling 3.1.2. sub 4 en 5 in de PMV, die in 1995 is opgesteld in verband met - toen nog - uitsluitend het Structuurschema bedrijventerreinen 1995. De eis dat “redelijkerwijs moet worden aangetoond” dat een bepaald bodembeschermingsniveau wordt gehaald is daarmee niet nieuw in de regeling. Voor wat betreft de hiervoor genoemde uitzonderingsbepalingen is deze eis slechts geactualiseerd in de zin van aangepast aan de hedendaagse formuleringen in de betreffende uitgave van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten.

Het gaat bij de planologisch vergevorderde en planologisch ingepaste omvangrijke initiatieven (meestal betreft het bedrijventerreinen), tekst waarvoor de uitzonderingsbepalingen zijn opgesteld, eveneens om een voorwaardelijke uitzondering op het oprichtingsverbod, omdat een acceptabel niveau van bodembescherming geboden blijft en ook redelijkerwijs moet worden aangetoond. Dit houdt in dat de betreffende inrichtingen – al dan niet als gevolg van nadere beschermende maatregelen - niet mogen gelden als inrichtingen met een verhoogde kans op bodemverontreiniging (B-inrichting) in de zin van de publicatie Bedrijven en milieuzonering, VNG uitgeverij, Den Haag, 2001 of de meest recente uitgave daarvan. De VROM-inspectie regio Zuid en de grondwateronttrekker zullen in de gelegenheid worden gesteld advies uit te brengen.

Ook toekomstige exploitanten van individuele inrichtingen - - dat wil in de hier bedoelde context zeggen: inrichtingen niet gelegen zijnde op een onder een voorwaardelijke uitzonderingsbepaling vallend bedrijventerrein - die wel of niet onder de vergunningplicht van de Wet milieubeheer vallen vrezen door een oprichtingsverbod ingevolge de zwarte en grijze lijst te worden getroffen. Voor deze groep van gevallen gelden de hiervoor al genoemde uitzonderingsbepalingen 3.1.2. lid 6 en 3A.1.2. lid 6 alsmede 3.1.2. lid 7 en 3A.1.2. lid 7, die dan wel direct samenhangen met de veronderstelde, vergevorderde besluitvorming rond het bestaansrecht van de inrichting en de eisen aan dit bestaansrecht. Om deze reden is hier geen afzonderlijke bodem-indexeis opgenomen. De gebruikelijke actualisatieplicht, zoals die op een gegeven moment vanuit het bevoegd vergunningverlenend gezag of Amvb- gezag moet worden opgepakt richting bestaande inrichtingen is hier wel van toepassing. Ook blijft het mogelijk dat vanuit andere wettelijke kaders, niet zijnde de PMV, belemmeringen bestaan.

Het tweede en derde lid van bepaling 3.1.2 zien op een situatie waarbij verplaatsing van inrichtingen als bedoeld in bepaling 3.1.1 binnen een beschermingszone aan de orde is. De centrale voorwaarden waaronder die verplaatsing mogelijk is, zijn dat:

a. door die verplaatsing (redelijkerwijs gesproken) de kwaliteit van het grondwater niet afneemt of kan afnemen (tweede lid);

b. dat op de oude locatie überhaupt geen bedrijfsactiviteiten meer zullen plaatsvinden (derde lid). De laatste voorwaarde brengt onder meer met zich mee dat het bevoegd gezag voor de vergunningverlening op de nieuwe locatie, doorgaans het college van Burgemeester en Wethouders, de nieuwe vergunning -ingeval er sprake is van een op grond van de Wet milieubeheer vergunningplichtige inrichtingslechts kan verlenen onder de voorwaarde dat de vergunning voor de oude inrichting is ingetrokken. Daarmee wordt namelijk gegarandeerd dat de oude vergunning niet meer door een rechtsopvolger op de oude locatie benut kan worden. Daarnaast bestaat in het algemeen -en dit geldt ook voor de zogenaamde niet-vergunningplichtige “Algemene Maatregel van Bestuur-inrichtingen”- een verbod voor het oprichten of in werking hebben van inrichtingen op de oude locatie. Praktisch betekent dit doorgaans dat de planologische bestemming voor de oude locatie gewijzigd wordt. Verplaatsing zal dan ook met name aan de orde zijn bij gemeentelijke herinrichting van gebieden, waarbij bedrijven op een andere locatie gevestigd zullen worden.

Zoals gezegd zal doorgaans het college van Burgemeester en Wethouders bevoegd gezag voor de vergunningverlening zijn en dient dat college dan ook invulling te geven aan de term “redelijkerwijs” van bepaling 3.1.2. De provincie kan die invulling via haar adviserings-bevoegdheid bewaken op grond van de Wet milieubeheer en het Ivb.

De lijst van bijlage 10.B.1 wordt nog met twee bepalingen in paragraaf 3.1 aangevuld. Bepaling 3.1.3 geeft een aanvullende regeling voor de ondergrondse opslag van vloeibare aardolieproducten. De bepaling heeft betrekking op tankstations maar ook op opslagen van huisbrandolie bij particulieren en ziet niet alleen op inrichtingen die uitsluitend bestaan uit een ondergrondse opslag, maar ook op inrichtingen die zijn samengesteld uit meerdere onderdelen waaronder een ondergrondse opslag. Het verbod heeft betrekking op de vervanging of uitbreiding van bestaande ondergrondse opslagen. Vergroting van de ondergrondse opslag is uitgesloten, met uitzondering van de situatie als bedoeld in het tweede lid. Het argument voor die uitzondering is dat door het toestaan van capaciteitsuitbreiding in die gevallen het risico op bodemverontreiniging geringer wordt: de frequentie waarmee bevoorrading middels tankauto’s vereist is, kan worden verlaagd, waardoor de kans op mors- en lekverliezen bij het vullen van de ondergrondse tanks afneemt.

Kunststof tanks voor de opslag van onder andere motorbrandstof worden sinds 1985 in Nederland toegepast. Voor het installeren, beheer en onderhoud van deze tanks zijn voorschriften samengesteld, die in de PGS 28 zijn aangegeven. In bijlage IV van deze richtlijn wordt aangegeven dat het KIWA onderzoek uitvoert naar diverse aspecten van kunststof tanks, en wordt geadviseerd om in afwachting van de resultaten van dat onderzoek in grondwaterbeschermingsgebieden nog geen kunststof installaties op te richten.
Bepaling 3.1.4 vormt met bepaling 5.1 de basis voor algemene provinciale voorschriften voor niet-vergunningplichtige inrichtingen, in aanvulling op de regels uit de Algemene Maatregelen van Bestuur. De situatie kan zich voordoen dat een Algemene Maatregel van Bestuur de vergunningplicht voor een categorie van inrichtingen opheft, terwijl naar het oordeel van de provincie onvoldoende wordt voorzien in de bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning. Bepaling 3.1.4 geeft de provincie de mogelijkheid om in een dergelijk geval op basis van de PMV nadere regelgeving op te stellen. Het eerste lid bevat een algemeen verbod voor het in werking hebben van niet-vergunningplichtige inrichtingen, welk verbod via het tweede lid ongedaan kan worden gemaakt. De strekking van het tweede lid is enerzijds dat in de gevallen dat in een inrichting voldaan wordt aan door Gedeputeerde Staten vastgestelde algemene voorschriften die voor die inrichting gelden, het verbod van het eerste lid niet geldt. Anderzijds geldt het verbod niet in de gevallen waarin door Gedeputeerde Staten geen algemene voorschriften zijn gesteld welke op die inrichting betrekking hebben. In het laatste geval gelden er voor de betreffende inrichtingen met andere woorden geen van provinciewege gestelde aanvullende regels. Op deze wijze is bijvoorbeeld het oprichten van warmtepompsystemen met bodemwarmtewisselaar in de amvb-inrichting binnen de 25- en 100-jaarsbeschermingszones, en de boringsvrije zone, aan regels gebonden. Voor bestaande amvb-inrichtingen wordt een overgangstermijn in acht genomen, die wordt bepaald bij gelegenheid van de vaststelling van de aanvullende regels door Gedeputeerde Staten op basis van bepaling 5.1.

De bepalingen 3.2.1, 3.2.2 en 3.2.3 lopen parallel aan de bepalingen 2.2.1, 2.2.2 en 2.2.3 voor waterwingebieden. De afwijkingen van de eerstgenoemde bepalingen voor beschermingszones ten opzichte van de bepalingen voor waterwingebieden zijn de volgende:

• Bepaling 3.2.1 onderdeel a heeft betrekking op het hebben, gebruiken, enz. van schadelijke stoffen. Onder het in de bodem brengen van schadelijke stoffen wordt ook verstaan het infiltreren van verontreinigd hemelwater, dat afkomstig is van verhardingen en daken. In toenemende mate wordt bij aanleg en renovatie van rioleringsstelsels verhard oppervlak afgekoppeld van de riolering. In plaats van het af te voeren naar de rioolwaterzuiverings-installatie, wordt het hemelwater geïnfiltreerd in de bodem, geloosd op oppervlaktewater of benut in de waterketen, Infiltratie kan rechtstreeks of via infiltratievoorzieningen als bijvoorbeeld wadi’s, ondergrondse voorzieningen of doorlatende verharding. Water dat van daken of straten stroomt, kan verontreinigd zijn (zware metalen, bestrijdingsmiddelen, nutriënten door hondepoep, etc). Bij ongecontroleerde infiltratie hiervan kan de bodem en het grondwater verontreinigd worden. Bij het voornemen om hemelwater te infiltreren geldt een inspanningsverplichting om te voorkomen dat de bodem en het grondwater op termijn wordt verontreinigd. Zowel in de ontwerpfase, de bouwfase als de beheersfase dient gedaan te worden wat hiervoor redelijkerwijs verwacht kan worden. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan:

  • welke materialen kunnen door afkoppeling uitlogen en als gevolg van depositie afstromen naar het grondwater;

  • opstellen van een beheersplan (beheer verhardingen en zuiveringsvoorziening, accumulatie in bodem);

  • opzetten van een monitoringssysteem (controle van effecten naar grondwater).

Verontreinigingen kunnen uit het afstromend water gefilterd worden, ter plaatse of elders in centrale voorzieningen. Hiervoor kan de bestaande bodem worden benut door gebruik te maken van bodempassage. Beter is het om bij de bron maatregelen te nemen die vervuiling van het water voorkomen. Er zal een provinciale leidraad worden opgesteld waarin bovenstaande infiltratieaspecten verder worden uitgewerkt. Module B2100 van de Leidraad Riolering (juli 2000) vormt hiervoor het uitgangspunt.

• In tegenstelling tot de regeling bij de waterwingebieden bevat de regeling bij beschermingszones geen verbod voor het in stand brengen van woningen in de zin van de Woningwet. Risico’s van dergelijke activiteiten kan in de beschermingszones- voldoende ondervangen worden door bepaling 3.2.1 onder c en f. Ook het gebruik van gebouwen op zich hoeft in de beschermingszones niet bij voorbaat geweerd te worden.

• Bepaling 3.2.1, eerste lid onder k, behelst in beschermingszones een verspreidingsverbod voor alleen klasse 2 baggerspecie, terwijl het verbod in waterwingebieden ook klasse 1 betreft. Zie verder de toelichting bij bepaling 2.2.1, onder k.

• Voor bestrijdingsmiddelen is in bepaling 3.2.2, eerste lid, onder f, een uitzondering gemaakt op de regeling voor schadelijke stoffen. De provincie zal het gebruik van risicovolle bestrijdingsmiddelen terugdringen via stimulering en ontwikkeling van alternatieve methoden.Indien er grondgebruikers zijn die zich willen onttrekken aan de stimuleringsaanpak zullen binnen de zeer kwetsbare grondwaterbeschermingsgebieden voorwaarden worden gesteld aan het gebruik van risicovolle middelen door wijziging van de PMV. Deze wijziging zal als uiterste middel aan de orde komen wanneer in de praktijk blijkt dat de beoogde voorwaarden reeds door grote groepen worden toegepast maar een beperkt aantal grondgebruikers niet bereid is de voorwaarden vrijwillig toe te passen. De provincie respecteert de vrijheid van ondernemers ten aanzien van gewaskeuze onder de voorwaarde dat de milieubelasting niet toeneemt ten opzichte van de gemiddelde milieubelasting in het grondwaterbeschermingsgebied in 2001/2002.

• Bepaling 3.2.2, tweede lid, geeft aan dat het normaal landbouwkundig gebruik van kunstmest en dierlijke mest in beschermingszones is toegestaan.

• Bepaling 3.2.2, derde lid, geeft aan dat er geen verbod geldt voor aanleg e.d. van rioolleidingen met een vuillast van minder dan 10 lozingseenheden per aansluiting, terwijl hiervoor een verbod geldt in waterwingebieden.

• Bepaling 3.2.2, vijfde lid, beoogt (gelijk aan de regeling voor de 100-jaarszones), als zijnde een overgangsbepaling, te voorkomen dat infrastructurele werken die, nadat ze zijn aanbesteed of in aanleg zijn, te maken krijgen met de instelling van een nieuwe beschermingszone ook direct onder een nieuw regime gaan vallen. Voor wat betreft het wettige bezit van reeds bestaande infrastructurele werken in de 25-jaarszone is het aanvragen van een ontheffing evenmin noodzakelijk.

• Bepaling 3.2.2, zesde lid beoogt de wettig aanwezige kampeergelegenheden die met de instelling van een nieuwe 25-jaarsbeschermingszone te maken krijgen vrij te stellen van de ontheffingplicht voor wat betreft het bezitten en het exploiteren daarvan.

• Aan bepaling 2.2.2, derde lid, 3.2.2 zevende lid en ook aan bepaling 3A.2.2 vijfde lid voor de 100- jaarszone is volledigheidshalve toegevoegd dat sprake moet zijn van een door het bevoegd gezag geregistreerde lozing, derhalve niet van een willekeurige lozing.

• Bepaling 3.2.3. eerste lid, verwijst tevens naar onderdeel b van bepaling 3.2.1, eerste lid. Daarmee wordt in beschermingszones ontheffingverlening mogelijk voor het toepassen van zwarte grond, compost, zuiveringsslib en andere meststoffen als bedoeld op grond van de Meststoffenwet 1947.

• Bepaling 3.2.3, eerste lid, verwijst tevens naar onderdeel d van bepaling 3.2.1, eerste lid. Dat maakt ontheffingverlening mogelijk voor begraafplaatsen in beschermingszones.

• Bepaling 3.2.3, eerste lid verwijst ook naar onderdeel e van bepaling 3.2.1. Het geeft aan dat ontheffing verleend kan worden op het verbod boren van putten. Hierin worden eisen gesteld aan de uitvoering van de put ter bescherming van het grondwater. Deze richten zich met name op de kwaliteit van de uitvoering en op het voorkomen van verontreinigingen tijdens het gebruik van de put.

• Uitgangspunt hierbij is dat boringen zodanig moeten worden uitgevoerd dat er ook op de lange termijn geen nadelige effecten zijn te verwachten op de grondwaterkwaliteit in het algemeen en op de waterwinning voor de openbare drinkwaterproductie in het bijzonder. Dit betekent dat terughoudend omgegaan zal worden met activiteiten die in hetzelfde watervoerende pakket plaatsvinden als waar het te beschermen drinkwater zich bevindt. Een ontheffingsverzoek zal tevens worden getoetst aan het provinciale beleid en de regelgeving ten aanzien van grondwateronttrekkingen, zoals dit is verwoord in de (wijziging) Verordening Waterhuishouding Provincie Noord-Brabant (Vwhh). Ingevolge de Vwhh zijn alle grondwateronttrekkingen dieper dan 30 m-mv vergunningplichtig. Voor onttrekkingen dieper dan 80 meter wordt in beginsel geen onttrekkingsvergunning verleend. Het beleid van de provincie is er op gericht om de diepe zoetwatervoorraden te reserveren voor toepassingen waarvoor drinkwaterkwaliteit is vereist. Dit betekent dat in principe geen ontheffing ingevolge de PMV zal worden verleend indien de boorput dieper is dan 80 meter onder maaiveld. In de PMV zijn geen regels opgenomen die een limiet aan de diepte stellen. Er is wel overwogen om - in aansluiting met de Wijziging Verordening Waterhuishouding - in de PMV een absoluut verbod op te nemen op het boren van putten dieper dan 80 m-mv. Voor de eenduidigheid zou dit dan moeten gelden zowel voor boringen buiten inrichtingen, waarvoor de provincie bevoegd gezag is als voor boringen binnen inrichtingen, als voor boringen waarvoor de gemeenten bevoegd gezag zijn op grond van de Wet milieubeheer. Bij opname van een maximale diepte is echter geen enkele afweging en nuancering meer mogelijk, ook al zou een specifieke omstandigheid of de locale situatie een diepe boring wel wenselijk en niet bezwaarlijk maken (bijvoorbeeld voor frisdrankenproductie of monitoring grondwaterkwaliteit). Wij gaan er van uit dat de regels en het beleid zoals dat met de Wijziging Verordening Waterhuishouding is vastgesteld, voldoende houvast bieden om diepe boringen in grondwaterbeschermingsgebieden te weren. De toegevoegde waarde van een absoluut verbod in de PMV zou dan ook beperkt zijn. Er bestaat een gedeeltelijke overlap tussen de PMV en de Vwhh. In grondwaterbeschermingsgebieden zijn grondwaterputten met een diepte groter dan 30 zowel vergunningplichtig ingevolge de Grondwaterwet als ontheffingsplichting ingevolge PMV. Via de Grondwaterwet kunnen eisen aan boringen gesteld worden als de te plaatsen put bedoeld is voor het onttrekken van grondwater met een inrichting die vergunningplichtig is. Afstemming van beide procedures is aan te bevelen om te voorkomen dat tegenstrijdige voorschriften verbonden worden of een ontheffing verleend wordt voor een onttrekking die in strijd is met het onttrekkingsbeleid. Voor putten die niet vergunningplichtig zijn ingevolge de Grondwaterwet gelden alleen de bepalingen in de PMV. Dit is bijvoorbeeld bij putten ondieper dan 30 meter en putten die niet tot doel hebben grondwater te onttrekken. Er wordt een leidraad opgesteld voor boringen om te komen tot een goede afstemming van voorschriften en procedures. (Voor een uitgebreidere toelichting zie verder de toelichting op bijlage 9 bij instructieregels A21 en A22).Bepaling 3.2.3, eerste lid verwijst ook naar onderdeel f van bepaling 3.2.1. Het geeft aan dat ontheffing verleend kan worden op het verbod de bodem dieper te roeren dan 2 meter onder het maaiveld. veld. Ten aanzien van ontgrondingen, waarbij de bodemlaag wordt verwijderd en daardoor sprake is van een grootschalige ingreep, geldt dat bescherming van het grondwater gewaarborgd dient te blijven. Er wordt eveneens getoetst aan het provinciaal ontgrondingenbeleid zoals dit mei 2000 is vastgesteld in de beleidsnota “Bouwen op (Zee)zand”. Dit betekent dat in principe slechts ontheffing verleend zal worden voor het uitvoeren van een functionele ontgronding2 met een maximale ontgrondingsdiepte die afhangt van de functie.

• Bepaling 3.2.3, eerste lid geeft de mogelijkheid ontheffing te verlenen van het verbod als bedoeld in bepaling 3.2.1, lid 1 onder h tot het aanleggen, hebben of houden van infrastructurele werken. Voor de 100-jaarszone geldt een soorgelijke bepaling, evenals voor het waterwingebied. Aan een ontheffing worden voorschriften verbonden met betrekking tot de aanleg van voorzieningen die duurzaam voorkomen dat schadelijke stoffen in de bodem terecht komen en voorsschriften met betrekking tot toe te passen bouwstoffen. Parkeerterreinen en terreinen die – al dan niet tijdelijk – voor gemotoriseerd verkeer openstaan, groter zijn dan 300 m2 en gelegen zijn in de bebouwde omgeving (in de nabijheid van het rioleringsstelsel) worden bij voorkeur aangesloten op de riolering. Voor (parkeer-)terreinen in het buitengebied (niet in de nabijheid van het rioleringsstelsel) kan worden volstaan met gecontroleerde infiltratie en monitoring. Bij gecontroleerde infiltratie gaat het om een voorziening die eventueel aanwezige verontreinigende stoffen afvangt, zoals een speciaal hiervoor uitgeruste bodempassage of een filter. Bemonstering en onderhoud van de voorziening moet daarbij gewaarborgd zijn. Aan een ontheffing voor aanleg, reconstructie, renovatie, herinrichting en grootschalig onderhoud van intensief gebruikte wegen (15.000 of meer voertuigen per etmaal) binnen alle waterwingebieden en beschermingszones (25 en 100 jaar) worden aanvullende voorschriften verbonden. Deze voorschriften behelzen in beginsel afvoer van afstromend wegwater via een apart rioolsysteem voor wegwater en infiltratie van dit water buiten de beschermingszone. Zonodig wordt het infiltratiewater daar via technische voorzieningen zodanig gezuiverd dat dit de kwaliteit van het gebiedseigen bovenste grondwater niet negatief beïnvloedt. Indien afvoer van het wegwater tot buiten de beschermingszone technisch niet haalbaar is, of onevenredig duur ten opzichte van de te behalen milieuwinst, dan hebben de voorschriften ook betrekking op infiltratievoorzieningen binnen de beschermingszone en monitoring van de werking hiervan. De voorschriften met betrekking tot infiltratie zijn gebaseerd op de CIW-richtljn Afstromend Wegwater en houden het volgende in:

  • binnen alle waterwingebieden en de 25-jaarszones van de zeer kwetsbare winningen worden de meest vergaande maatregelen uit de richtlijn toegepast. Water afkomstig van verhardingen mag alleen via de speciale voorzieningen in de bodem worden geïnfiltreerd. Na passage van deze voorzieningen dient het infiltratiewater van overeenkomstige kwaliteit te zijn als het gebiedseigen bovenste grondwater. De wegbeheerder is verantwoordelijk voor de aanleg en het beheer van de infiltratievoorzieningen.

  • binnen de 100-jaarszones van de zeer kwetsbare winningen en de 25-jaarszones van de kwetsbare winningen wordt de noodzaak van beschermende infiltratievoorzieningen van geval tot geval beoordeeld op basis van een risico-inschatting en kosten-baten analyse.

  • Bij aanleg of reconstructie van wegen binnen de bebouwde kom dient het wegwater in beginsel via de riolering te worden afgevoerd (Leidraad Riolering 2000).Hiervan kan gemotiveerd worden afgeweken. In die gevallen dient afvoer plaats te vinden via gecontroleerde infiltratie.

• De onderdelen l en m betreffen het gebruik van licht verontreinigde grond, ontzilt zeezand of andere secundaire bouwstoffen als bodem of in werken. In beschermingszones kan slechts een ontheffing worden verleend voor het op of onder het maaiveld toepassen van categorie 1 bouwstoffen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder j, van het Bouwstoffenbesluit, dus inclusief categorie 1 grond. Voor categorie 2 bouwstoffen en bijzondere categorie bouwstoffen alsmede ontzilt zeezand blijft een absoluut verbod gelden, zonder ontheffingsmogelijkheid. Aanvoer van verontreinigingen van buiten het grondwaterbeschermingsgebied dient zoveel mogelijk te worden voorkomen. In de nota “Bouwen op (Zee)zand” van mei 2000 is het provinciaal beleid voor grondstoffen voor ophoogdoeleinden verwoord.

2 Onder een functionele ontgronding wordt verstaan: Een ontgronding zoals in de nota “Bouwen op (Zee)zandDe grondstoffenvoorziening niet (provincie Noord-Brabant, mei 2000) is bedoeld, i.e. volledig ten dienste staat van het ontwikkelen van maatschappelijke functies, zoals natuurontwikkeling, recreatie, wonen aan water e.d., en die derhalve ook voldoet aan de in bijlage 1 van de nota vanuit ontgrondingen- en/of waterhuishoudingsoptiek gegeven voorwaarden om aangemerkt te worden als functionele ontgronding. Hierin is aangegeven dat binnen grondwaterbeschermingsgebieden geen (ontzilt) zeezand mag worden aangevoerd. Voor de toepassing van licht verontreinigde grond in werken wordt aangesloten bij het Bouwstoffenbesluit, omdat dit voldoende milieuhygiënische garanties biedt. In tegenstelling tot grond die bodem wordt, is grond in een werk terugneembaar, bijvoorbeeld bij gebleken verontreiniging. Met de ontheffingsmogelijkheid voor lichtverontreinigde (categorie 1) grond in werken, wordt één lijn getrokken met andere bouwstoffen die in een werk worden toegepast en waarvoor ook geen beperking aan de herkomst wordt opgelegd.

• Tenslotte wordt het voor gedragingen in beschermingszones mogelijk gemaakt dat Gedeputeerde Staten algemene voorschriften vaststellen. Indien dergelijke algemene voorschriften zijn vastgesteld en daaraan wordt voldaan, hoeft daarvoor geen ontheffing te worden aangevraagd. Verwezen wordt naar bepaling 3.2.2, zesde lid, titel 5 en de toelichting daarop. Van deze mogelijkheid wordt bijvoorbeeld gebruik gemaakt voor de uniforme regulering van het warmtepompsysteem met bodemwarmtewisselaar

De regels voor 25-jaarsbeschermingszones in schema gebracht:

[Schema kon niet worden opgenomen; verwezen wordt naar de te vragen integrale papieren versie]

Beschermingszones (100 jaar)

De grens van de 100-jaarszone is op gelijke wijze berekend als de grens van de 25-jaarszones. Op de grens bedraagt de transporttijd van de waterdeeltjes in de watervoerende laag (de horizontale stroming) tot aan de pompputten 100 jaar. De 100-jaarszone is alleen van toepassing bij winningen waar dikke aaneengesloten kleilagen ontbreken (de zeer kwetsbare grondwaterbeschermingsgebieden). Ook hier gaat het erom de risico’s voor verontreiniging zo klein mogelijk te maken. Het betreft, zoals ook is aangegeven in de toelichting bij de detailkaarten, 4 gebieden, te weten Budel, Macharen, Nuland en Helvoirt. Ingevolge het streekplan Noord-Brabant 2002 zijn woonwijken en bedrijventerreinen op stedelijke uitbreidingslocaties niet toegestaan in de 25-jaarszone rond de zeer kwetsbare winningen in de stedelijke regio’s en in de 25- en 100-jaarszone ronde de zeer kwetsbare winningen in de landelijke regio’s. Op een stedelijke uitbreidingslocatie in het gebied tussen de 25- en 100-jaarszone ronde de zeer kwetsbare winningen in de stedelijke regio’s zijn woonwijken en bedrijventerrreinen alleen toegestaan als er sprake is van duidelijke ruimtelijke voordelen en na zorgvuldige afweging ten opzichte van alternatieven buiten de zone . In dat geval moeten maatregelen worden getroffen ter voorkoming van toename van het vervuilingsrisico van het grondwater. Het oprichtingsverbod beperkt zich in de bepaling 3A.1.1 tot de zwarte lijst bedrijven. Verder gelden de in de toelichting bij bepaling 3.1.2 voor de 25-jaarszone behandelde (voorwaardelijke) uitzonderingssituaties op het oprichtingsverbod ook voor de 100-jaarszone (bepaling 3A1.2 lid 4 tot en met 9). Ook zijn ingevolge bepaling 3A.1.3, net als bij de 25-jaarszone, algemene regels mogelijk voor de niet vergunningplichtige inrichtingen in de 100-jaarszones. Voor bestaande niet-vergunningplichtige inrichtingen geldt een overgangstermijn, zoals al ter sprake kwam bij de toelichting op bepaling 3.1.4 voor de 25-jaarszone.

Bijzondere aandacht vraagt het gebruik van schadelijke stoffen zoals bedoeld in bepaling 3A.2.1 lid 1 onder a in relatie tot de lijst van gevaarlijke stoffen van bepaling 1.2 (laatstelijk gewijzigd bij besluit van Gedeputeerde Staten d.d. 23 februari 1995). Infiltratie van met name lood en zink in de 25- en 100-jaarsbeschermingszones is ongewenst en dient te worden voorkomen. Dit door binnen de 25-jaarszone helemaal geen toepassing van schadelijke bouwmaterialen toe te staan tenzij geen sprake is van uitloging. Binnen de 100-jaarszone is ontheffing mogelijk indien de te treffen voorzieningen tegen ongewenste infiltratie door een onafhankelijke instantie als adequaat zijn beoordeeld.

Boringsvrije zones

In paragraaf 2 van deze toelichting is al aangegeven welke overwegingen hebben geleid tot de introduktie van boringsvrije zones. Het beschermingsregime van deze zones is erop gericht om hen te vrijwaren van bodemingrepen, die de beschermende funktie van slecht-doorlatende bodemlagen teniet zouden kunnen doen. De bepalingen 4.1 t/m 4.3 wijken verder wat de reikwijdte betreft niet af van de overeenkomstige bepalingen in de andere zones. Ook in boringsvrije zones zal in beginsel geen ontheffing worden verleend voor boringen die in strijd zijn met het grondwaterbeleid (dieper dan 80 meter onder maaiveld) en ontgrondingen die in strijd zijn met het provinciale ontgrondingenbeleid (nota Bouwen op (Zee)zand, mei 2000).

Met name om de oprichting van warmtepompsystemen met bodemwarmtewisselaars aan regels te kunnen binden is de mogelijkheid geïntroduceerd van het stellen van algemene voorschriften voor de niet-vergunningplichtige inrichting in de boringsvrije zone. Dit naast de reeds bestaande mogelijkheid tot nadere regulering van gedragingen buiten inrichting in de boringsvrije zone, zoals die thans te vinden is in bepaling 4.3 lid 2. Voor wat betreft bestaande systemen als hier bedoeld is toetsing aan bepaling 4.2, a. en b. (het voormalige 4.1, a. en b.) in relatie tot eventueel bestaande algemene regels op basis van artikel 4.3, lid 2 of verkregen ontheffing op basis van bepaling 4.4, lid 1 van belang. Verder geldt ook hier een overgangstermijn voor bestaande niet-vergunningplichtige inrichtingen, te bepalen bij gelegenheid van de vaststelling van nieuwe aanvullende regels op basis van artikel 5.1

De regels voor boringsvrije zones in schema gebracht:

[Schema kon niet worden opgenomen; verwezen wordt naar de te vragen integrale papieren versie]

Algemene voorschriften

Om het aantal te verlenen ontheffingen en de daaraan verbonden administratieve werkzaamheden te beperken en om de burgers op voorhand meer zekerheid te kunnen verschaffen omtrent de toelaatbaarheid van activiteiten kunnen Gedeputeerde Staten, onder het stellen van algemene voorschriften, de verboden die gelden voor enkele beschermingszones en boringsvrije zones, geheel of gedeeltelijk buiten toepassing verklaren. Van deze bevoegdheid hebben Gedeputeerde Staten gebruik gemaakt voor uiteenlopende gedragingen. De bevoegdheid is uitsluitend gegeven voor:

• niet-vergunningplichtige inrichtingen in 25- en 100-jaarsbeschermingszones;

• gedragingen buiten inrichtingen in 25- en 100-jaarsbeschermingszones;

• gedragingen buiten inrichtingen in boringsvrije zones;

• niet-vergunningplichtige inrichtingen in borinsvrije zones

In de waterwingebieden zouden alle handelingen of situaties die niets met de grondwaterwinning te maken hebben in principe verboden moeten zijn. Toepassing van algemene voorschriften in waterwingebieden is dan ook uitgesloten.

In de PMV is bij de verbodsbepalingen in bijlage 10 onderdeel B aangegeven dat de verbodsbepalingen niet gelden indien en voorzover wordt voldaan aan de algemene voorschriften (bepaling 3.1.4, derde lid, bepaling 3.2.2, zesde lid, en bepaling 4.2, tweede lid).

Om zicht te houden op de situaties, objecten en handelingen waarvoor algemene voorschriften zijn vastgesteld kan een meldingensysteem noodzakelijk zijn. In het tweede lid van bepaling 5.1 wordt aan Gedeputeerde Staten de bevoegdheid toegekend om een meldingensysteem op te nemen in algemene voorschriften.

Overige bepalingen

Waterleidingbedrijven presenteren zich steeds nadrukkelijker als milieubedrijven, met een verantwoordelijkheid naar het eigen (mogelijk milieubelastend) handelen. Vanuit die optiek is er voor gekozen om in een aantal bepalingen voor waterleidingbedrijven een uitzondering op eerdergenoemde verbodsbepalingen op te nemen. De betreffende bepalingen zijn overigens wel uitdrukkelijk voorzien van de clausule dat de bewuste inrichting of gedraging waarvoor de uitzondering zou gelden, redelijkerwijs noodzakelijk moet zijn voor de normale werking van het waterleidingbedrijf, gericht op de openbare drinkwaterproductie. Wat betreft de procedure die moet worden gevolgd bij ontheffingverlening wordt het volgende opgemerkt. Bepaling 1.3, vierde lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat in principe afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is op de procedure van totstandkoming van ontheffingen. Deze procedure zou neerkomen op een verzwaring van de procedure die was opgenomen in de grondwaterbeschermingsverordening. In die verordening was bepaald dat alleen de milieu-inspectie, het waterleidingbedrijf en het gemeentebestuur in de gelegenheid werden gesteld te adviseren omtrent verzoeken om ontheffing. Die “oude” procedure heeft voor alle betrokkenen tot tevredenheid gefunktioneerd. Er wordt dan ook de voorkeur aan gegeven om de bestaande praktijk zoveel mogelijk te continueren. Genoemd artikel 1.3, vierde lid, van de wet biedt daartoe ook de mogelijkheid. De laatste volzin maakt het mogelijk om in de PMV voor een andere procedure dan die van afdeling 3.5 te kiezen, indien uit het oogpunt van de bescherming van het milieu geen bezwaren zijn te verwachten. De bepalingen 2.2.3, derde lid, 3.2.3, tweede lid, en 4.3, tweede lid, zijn de uitwerking van het een en ander. Deze bepalingen hebben tot gevolg dat op de totstandkoming van beschikkingen de procedure van titel 4.1 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is. De procedurekeuze heeft gevolgen voor de beroepsmogelijkheid. Artikel 20.1 van de wet stelt tegen besluiten beroep open op de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep op een administratieve rechter in te stellen, alvorens beroep in te stellen eerst bezwaar tegen dat besluit moet maken bij het bevoegd gezag dat het besluit genomen heeft. Nu is gekozen voor de procedure van het niet-volgen van de procedure van afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht moet degene die zich niet met de beschikking van Gedeputeerde Staten kan verenigen eerst bij dat college bezwaar maken en kan pas in tweede instantie beroep bij de Raad van State worden ingesteld.

De kaarten waarop de grondwaterbeschermingsgebieden zijn aangegeven, zijn gepubliceerd in het provinciaal blad als onderdeel van tranche 3 (Provinciaal blad nr. 4/99), en de kaarten waarop de stiltegebieden zijn aangegeven, maken onderdeel uit van tranche 2B (Provinciaal blad nr. 142/95). De kaarten van de 11 gewijzigde grondwaterbeschermingsgebieden zijn gepubliceerd in het Provinciaal Blad als onderdeel van tranche 5 (Provinciaal Blad nr. 95/04).

Dit regelingenbestand is geen bekendmaking als bedoeld in artikel 136 van de Provinciewet. De wettelijke bekendmakingen vinden uitsluitend plaats in de provinciale bladen. De provincie aanvaardt geen aansprakelijkheid voor verschillen tussen de teksten in dit bestand en die in de provinciale bladen.