Provinciale Milieuverordening Noord-Brabant
besluiten vast te stellen de volgende verordening:
Artikel 1.1
In deze verordening wordt verstaan onder: a. de wet: de Wet milieubeheer; b. vervallen c. Gedeputeerde Staten: Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant; d. provinciaal milieuprogramma: het provinciale milieuprogramma als bedoeld in artikel 4.14 van de wet; e. een saneringsplan: een plan, bedoeld in artikel 39, eerste lid, van de Wet bodembescherming; f. servicecentrum: servicecentrum als bedoeld in de Wet bodembescherming; g. bijzonder gebied: een gebied als bedoeld in artikel 5.1.1 lid 1; h. kwetsbaar gebied: een gebied als bedoeld in artikel 5.1.1 lid 2; i. afvalwater: alle water waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen; j. huishoudelijk afvalwater: afvalwater afkomstig van particuliere huishoudens en ander afvalwater dat naar zijn aard en samenstelling overeenkomt met afvalwater afkomstig van een particulier huishouden; k. bedrijfsafvalwater: afvalwater, niet zijnde huishoudelijk afvalwater; l. (gecertificeerde) IBA-III: een zuiveringssysteem voor de Individuele Behandeling van afvalwater met een zuiveringsrendement van 95 – 98 %; m. de grondwateronttrekker: de houder van een inrichting als bedoeld in art. 15.34, tweede lid, van de wet.
Titel 3.1 Voorbereiding
Artikel 3.1.1
Artikel 3.1.2
Vervallen
Titel 3.2 Beklag
vervallen
Titel 4.1 Milieukwaliteitseisen
Gereserveerd
Titel 4.2 Instructies voor vergunningen voor inrichtingen en voor lozingen op oppervlaktewateren
Artikel 4.2.1
In deze titel wordt verstaan onder: a. wet: de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (wet van 13 november 1969, houdende regelen omtrent de verontreiniging van oppervlaktewateren); b. lozing: een lozing van huishoudelijk- of bedrijfsafvalwater die rechtstreeks of via een werk op oppervlaktewater plaatsvindt. Via een werk kan zijn dat het afvalwater via een op een vaste plaats gelegen afvoer of lozingspijp en al dan niet na voorzuivering op oppervlaktewater wordt geloosd. Indien door de waterkwaliteitsbeheerder voor de lozing een vervuilingheffing wordt geheven, wordt de lozing gezien als een oppervlaktewaterlozing.
Artikel 4.2.2
Titel 4.3 Afvalstoffen
Artikel 4.3.0
In deze titel wordt verstaan onder: a. inzamelen: ophalen van bedrijfs- of gevaarlijke afvalstoffen bij een persoon die zich van die afvalstoffen ontdoet door afgifte aan degene die die afvalstoffen ophaalt; b. vervallen; c. meldingenpunt: de Stichting Landelijk Meldingenpunt Afvalstoffen, opgericht door de gezamenlijke provincies; d. vervallen; e. Groene lijst van afvalstoffen: bijlage II van de verordening (EEG) nr. 259/93 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 1 februari 1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap (PbEG L30); f. het Bouwstoffenbesluit: Het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterbescherming (Stb. 1995, 567); g. bouwstof: een bouwstof als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b. van het Bouwstoffenbesluit, voorzover niet zijnde een primaire grondstof; h. bouw- en slooplocatie: een samenhangend geheel van sloop- en bouwwerkzaamheden op één duidelijk begrensde aaneengesloten locatie; i. secundaire grondstoffen: de na bewerking door een mobiele puinbreekinstallatie verkregen granulaten; j. doelmatige wijze toepassen: het rechtstreeks ter plaatse van de bouw- en slooplocatie (doen) aanbrengen en (doen) houden van secundaire grondstoffen, conform het Bouwstoffenbesluit, welke een omvang hebben van meer dan vijftig gewichtsprocenten van het totaal op deze locatie vrijgekomen en bewerkt steenachtig materiaal, waarbij niet meer secundaire grondstoffen worden gebruikt dan uit civieltechnisch én bouwkundig oogpunt strikt noodzakelijk is; k. werk: een werk als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a van het Bouwstoffenbesluit; l. standaard RAW-bepalingen: standaardbepalingen van de RAW 2000; m. BRL SBC-SL007: beoordelingsrichtlijn van de Stichting Beheer Certificatie voor het procescertificaat slopen; n. BRL 2506: beoordelingsrichtlijn voor het KOMO-productcertificaat voor BSA-granulaten voor toepassing in de betonbouw en wegenbouw en voor het KOMO-attest met productcertificaat voor BSA-granulaten voor toepassing in de wegenbouw en voor het KOMO-attest met productcertificaat voor BSA-granulaten voor toepassing in de grondbouw; o. Menggranulaat: granulaat voortkomend uit het breken van metselwerk en beton, zodanig dat het mengsel voor ten minste 45 procent (m/m) uit beton bestaat.
§ 4.3.1 Huishoudelijke afvalstoffen vervallen
Artikel 4.3.1.1
Vervallen
Artikel 4.3.1.2
Vervallen
Artikel 4.3.1.3
Vervallen
Artikel 4.3.1.4
Vervallen
Artikel 4.3.1.5
Vervallen
§ 4.3.2 Afvalwater
Artikel 4.3.2.1
Artikel 4.3.2.2
Artikel 4.3.2.3
Artikel 4.3.2.4
Gedeputeerde Staten kunnen beleidsregels vaststellen waarin de uitoefening van hun bevoegdheden op grond van deze paragraaf nader worden uitgewerkt
§ 4.3.3 Bedrijfsafvalstoffen
Vervallen
Afdeling 1 Algemeen
Artikel 4.3.3.1
Vervallen
Artikel 4.3.3.2
Vervallen
Afdeling 2 Het gescheiden houden van bedrijfsafvalstoffen
Artikel 4.3.3.3 tot en met 4.3.3.6.
Vervallen
Afdeling 3 Het inzamelen van bedrijfsafvalstoffen
Artikelen 4.3.3.7 tot en met 4.3.3.9
Vervallen
Afdeling 4 De melding inzake de afgifte en ontvangst van bedrijfsafvalstoffen
Artikel 4.3.3.10 tot en met 4.3.3.21
Vervallen
Afdeling 5 Provinciegrensoverschrijdend verkeer van bedrijfsafvalstoffen
Artikelen 4.3.3.22 tot en met 4.3.3.25
Vervallen
Afdeling 6 Mobiele installaties
Artikel 4.3.3.26 tot en met 4.3.3.29
Vervallen
§ 4.3.4 Gevaarlijke afvalstoffen
Vervallen
Afdeling 1 Algemeen
Artikel 4.3.4.1
Vervallen
Afdeling 2 De melding inzake de afgifte en ontvangst van gevaarlijke afvalstoffen
Artikel 4.3.4.2 tot en met 4.3.4.9
Vervallen
Afdeling 3 Het inzamelen van gevaarlijke afvalstoffen
Artikelen 4.3.4.10 tot en met 4.3.4.16
Vervallen
§ 4.3.5 Voorschriften voor inrichtingen
Artikel 4.3.5.1
Vervallen
§ 4.3.6 Gemeentelijke samenwerking
Gereserveerd
Titel 4.4 Gebruik van gesloten stortplaatsen
Artikel 4.4.1. Begripsbepaling
In deze titel wordt verstaan onder: a. voormalige stortplaats: een stortplaats waar vóór 1 september 1996 het storten van afval is beëindigd; b. gesloten stortplaats: een stortplaats als bedoeld in artikel 8.47, eerste lid, onder c., van de wet; c. hergebruik: nieuwe gebruiksfunctie voor een voormalige of gesloten stortplaats; d. hergebruikplan: het plan, bedoeld in artikel 4.4.5; e. Nota: de Nota “Hergebruik van stortplaatsen”, vastgesteld bij besluit van Gedeputeerde Staten van …. nr…. ….; f. Nazorgplan: het nazorgplan bedoeld in artikel 8.49, derde lid, van de wet; g. nazorgvoorzieningen: de voorzieningen ter bescherming van het milieu, bedoeld in artikel 8.49, eerste en tweede lid, van de wet, dan wel soortgelijke voorzieningen die zijn aangebracht op een voormalige stortplaats; h. werk: grondwerk, wegenbouwkundig werk, waterbouwkundig werk of bouwwerk.
Artikel 4.4.2 Verbodsbepaling
Artikel 4.4.3
Artikel 4.4.4 Ontheffing
Artikel 4.4.5 Over te leggen gegevens
Artikel 4.4.6 Hergebruikplan
Artikel 4.4.7 Relatie met vergunningverlening
Titel 4.5 Overige algemene regels
Gereserveerd
Titel 5.1 Aanwijzing van bijzondere en kwetsbare gebieden
Artikel 5.1.1
Artikel 5.1.2
Titel 5.2 Milieukwaliteitseisen voor bijzondere gebieden
Gereserveerd
Titel 5.3 Milieu-effectrapportage
VERVALLEN
§ 5.3.1 Activiteiten en besluiten ten aanzien waarvan het maken van een milieu-effectrapport verplicht is
Artikel 5.3.1.1
Vervallen
§ 5.3.2 Nadere regels omtrent de indiening en behandeling van een verzoek om een ontheffing van de verplichting tot het maken van een milieu-effectrapport
Artikel 5.3.2.1 tot en met 5.3.2.3
Vervallen
§ 5.3.3 Overige bepalingen
Artikel 5.3.3.1
Vervallen
Titel 5.4 Instructies voor vergunningen voor inrichtingen in bijzondere gebieden
Artikel 5.4.1
Titel 5.4A Instructies voor vergunningen voor inrichtingen in kwetsbare gebieden
Artikel 5.4A.1
Titel 5.5 Rechtstreeks werkende regels voor gedragingen in bijzondere gebieden
Artikel 5.5.1
Artikel 5.5.2
Titel 5.5A Rechtstreeks werkende regels voor gedragingen in kwetsbare gebieden
Artikel 5.5A.1
Titel 5.6 Overige regels in bijzondere gebieden
§ 5.6.1 Toetsing ammoniakreductie-plannen
Artikel 5.6.1.1
Vervallen.
§ 5.6.2 Adviseurs bij vergunningverlening in bijzondere gebieden
Artikel 5.6.2.1
Met betrekking tot een aanvraag om een vergunning voor een inrichting gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied, waarop Burgemeester en Wethouders of Gedeputeerde Staten bevoegd zijn te beslissen, wordt naast de in artikel 8.7, eerste lid, onder a en b, van de wet aangewezen adviseurs tevens als adviseur aangewezen het waterleidingbedrijf dat in het betreffende gebied een inrichting ten behoeve van de grondwateronttrekking heeft met het oog waarop dit gebied wordt beschermd.
Titel 6.1 Voorbereiding
Artikel 6.1.1 (nieuw)
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. saneringsplan: een plan als bedoeld in artikel 39, eerste lid, van de Wet bodembescherming; b. saneringsverslag: een verslag als bedoeld in artikel 39c, eerste lid, van de Wet bodembescherming; c. nazorgplan: een nazorgplan als bedoeld in artikel 39d van de Wet bodembescherming.
Artikel 6.1.2
Artikel 6.1.3
Titel 6.2 Indiening van bescheiden
Artikel 6.2
Vervallen
Artikel 6.2.1
Titel 6.3 Het saneringsplan
Artikel 6.3.1
Vervallen
Artikel 6.3.2
Artikel 6.3.3
Titel 6.4 Betrokkenheid bij de uitvoering
Artikel 6.4.1
Artikel 6.4.2
Artikel 6.4.3
Vervallen
Titel 6.5 Beklag
Vervallen
Titel 6.6 Bijzondere regels inzake sanering van de waterbodem
Artikel 6.6.1
Artikel 6.6.2
Met betrekking tot het instemmen met het saneringsplan is artikel 6.1.2 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 6.6.3
De waterkwaliteitsbeheerder verschaft Gedeputeerde Staten de informatie omtrent de resultaten van de door hem uitgevoerde sanering en de besteding van de daarvoor aan hem toegekende gelden, overeenkomstig de voorschriften die Gedeputeerde Staten stellen bij het verlenen van een bijdrage.
Artikel 6.6.4
In de aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 63i, eerste lid, onder c, van de Wet bodembescherming worden vermeld: a. de risico's ten aanzien van de verspreiding van de achterblijvende ernstige verontreinigingen, alsmede de wijze waarop deze risico's worden geminimaliseerd; b. de bestemming van de vrijkomende baggerspecie en de eventuele fracties daarvan.
Titel 6.7 Wijziging saneringsplan
Artikel 6.7.1
Bij een melding tot wijziging van het saneringsplan als bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de Wet bodembescherming dienen de volgende gegevens te worden verstrekt: a. alle gegevens die afwijken van het saneringsplan waarmee Gedeputeerde Staten op grond van artikel 39, tweede lid, van de Wet bodembescherming hebben ingestemd; b. de inhoud van de wijziging; c. de reden van de wijziging; d. de gevolgen van de wijziging voor de saneringsdoelstelling en de te treffen saneringsmaatregelen; e. of en in hoeverre de uitvoering van de wijziging verandering brengt in het tijdstip waarop de sanering naar verwachting zal zijn afgerond.
Titel 6.8 Saneringsverslag
Artikel 6.8.1
Titel 6.9 Nazorgplan
Artikel 6.9.1
Titel 6.10 Toezicht en handhaving
Artikel 6.10.1
Titel 6.11 Gebiedsgerichte verbijzondering van beleid
Artikel 6.11.1
De bepalingen uit deze verordening zijn niet van toepassing voor zover sprake is van strijdigheid met regels die voortvloeien uit het door Gedeputeerde Staten dan wel door andere terzake bevoegde gezagen vastgestelde beleid voor gebiedsgerichte verbijzondering.
Titel 6.6 Bijzondere regels inzake sanering van de waterbodem
Artikel 6.6.1 tot en met 6.6.4.
Vervallen
Titel 6.7. Toezicht en handhaving
Artikel 6.7.1. en 6.7.2
Vervallen
Artikel 7.0
Van de bepalingen van deze verordening en van de daarvan deel uitmakende bijlagen kan een ontheffing als bedoeld in artikel 1.3 van de wet worden verleend voor zover dat bij die bepalingen is aangegeven. Dit hoofdstuk is van toepassing op de totstandkoming van de beschikking op de aanvraag tot het geven van een ontheffing en van de beschikking tot wijziging of intrekking van een ontheffing.
Artikel 7.1
Het bevoegd gezag houdt bij het besluit op de aanvraag om ontheffing in ieder geval rekening met het voor hem geldende milieubeleidsplan.
Artikel 7.2
De ontheffing wordt geweigerd indien door het stellen van beperkingen of voorschriften niet voldoende kan worden tegemoet gekomen aan het belang dat beschermd wordt door de bepaling waarvan ontheffing wordt gevraagd.
Artikel 7.3
Artikel 7.4
Een ontheffing geldt voor degene aan wie zij is verleend of voor zijn rechtsopvolgers, tenzij bij de ontheffing anders is bepaald.
Artikel 7.5
Artikel 7.6
Artikel 7.7
Met betrekking tot de totstandkoming van een beschikking op grond van artikel 7.5 of 7.6 zijn de artikelen 7.1 tot en met 7.3 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 7.8
Artikel 7.9
Artikel 7.10
Artikel 8.1
Dit hoofdstuk is van toepassing: 1. op de totstandkoming van beschikkingen van Gedeputeerde Staten ingevolge artikel 15.21 juncto artikel 15.20 en ingevolge artikel 15.22 van de wet met betrekking tot de vergoeding van kosten of schade door het van toepassing worden van bepalingen van deze verordening; 2. op de totstandkoming van beschikkingen van Gedeputeerde Staten ingevolge de artikelen 26 en 28 en waar relevant artikel 29 a van de Ontgrondingenwet.
Artikel 8.2
De aanvraag om vergoeding van kosten of schade bevat tenminste de volgende gegevens: a. de bepalingen van deze verordening door het van toepassing worden waarvan de aanvrager zich voor kosten ziet gesteld, dan wel schade lijdt; b. de aard en de omvang van de kosten dan wel de schade; c. de wijze waarop de kosten dan wel de schade naar het oordeel van de aanvrager dienen onderscheidenlijk dient te worden vergoed en, zo een vergoeding in geld wordt gewenst, het bedrag dat naar zijn oordeel voor vergoeding in aanmerking komt.
Artikel 8.3
Artikel 8.4
Indien geen toepassing is gegeven aan artikel 8.3, tweede lid, stellen Gedeputeerde Staten de betrokken grondwateronttrekker in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen voordat zij een beslissing nemen met betrekking tot een vergoeding van kosten dan wel schade door het van toepassing worden van bepalingen van bijlage 10, onderdeel B.
Artikel 8.5
Artikel 9.1
Een gedraging in strijd met: a. artikel 4.3.3.3, 4.3.3.4, 4.3.3.13, 4.3.3.14, 4.3.3.16, tweede en derde lid, 4.3.3.17, 4.3.3.18, 4.3.3.19, tweede en derde lid, 4.3.3.20, 4.3.4.2, 4.3.4.3, 4.3.4.8, 4.3.4.9, 4.4.2 eerste lid, 4.4.3 eerste lid, 5.5.1, 5.5A.1, 6.10.1 of b. een op grond van artikel 5.5.2 geldende verbodsregel uit bijlage 10 is een strafbaar feit.
Artikel 10.1
Vervallen
Artikel 10.2
Vervallen
Artikel 10.3
Artikel 10.4
De verboden gesteld in de bepalingen 2.1 tot en met 2.5 van bijlage 10 onder A gelden niet ten aanzien van een gedraging die is toegestaan voor het tijdstip waarop die bepalingen ten aanzien van het gebied waarbinnen de gedraging plaats vindt, in werking treden, gedurende zes maanden na dat tijdstip.
Artikel 10.5
Vervallen
Artikel 10.6
Vervallen
Artikel 10.7
Gedeputeerde Staten hebben de bevoegdheid de verwijzingen in deze verordening naar de diverse wetten overeenkomstig de definitieve wetsteksten te vernummeren.
Artikel 10.8
Deze verordening kan worden aangehaald als: Provinciale milieuverordening Noord-Brabant.
Gereserveerd
Gereserveerd
Vervallen
Vervallen
Vervallen
In onderstaande tabel zijn de gebieden genummerd die in afzonderlijke kaartenbundels behorend bij deze bijlage op kaart zijn weergegeven. Op de gebieden die in het milieubeleidsplan zijn aangeduid als grondwaterbeschermingsgebieden is bijlage 10, onderdeel B van toepassing, op de stiltegebieden (onderdeel van milieustimuleringsgebieden in de zin van het plan) bijlage 10, onderdeel A. De regels van bijlage 10, onderdeel B, hebben betrekking op waterwingebieden, 25- en 100-jaars beschermingszones en op boringsvrije zones; of een bepaling van toepassing is blijkt uit het kaartmateriaal, dat aangeeft of er sprake is van een van de vier Categorieën grondwaterbeschermingsgebied.
Het natuurmonument De Groote Peel is als gebied aangewezen waarop bijlage 8 onder B onder 1 van toepassing is. Onder dit natuurmonument wordt verstaan: de gebieden aangewezen door de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij bij besluit van 13 november 1990, kenmerk NMF-90-8859 en bij besluit van 13 november 1990, kenmerk NMF-90-8848, voor zover gelegen op het grondgebied van de provincie Noord-Brabant.
Grondwaterbeschermingsgebieden
1. Halsteren
2. Huybergen
3. Ossendrecht
5. Roosendaal
6. Dorst
7. Ginneken
8. Wouw
9. Schijf
10. Seppe
11. Prinsenbosch
12. Oosterhout
13. Genderen
14. Gilze
15. Gilzerbaan
16. Waalwijk
17. Nuland
18. Vlijmen-Helvoirt
19. Haaren
20. Lith
21. Macharen
22. Loosbroek
23. Boxmeer
24. Schijndel
25. Veghel
26. Vierlingsbeek
27. Son
28. Oirschot
29. Vessem
30. Lieshout
31. Vlierden
32. Someren
33. Budel
35. Groote Heide
36. Helmond
37. Drongelen
38. Welschap
39. Luyksgestel
Bijlage 6A Aanwijzing kwetsbare gebieden
In de Nota lozingen buitengebied wordt onderscheid gemaakt naar gebieden die meer of minder kwetsbaar zijn voor verontreinigingen als gevolg van ongezuiverde lozingen van huishoudelijk- en bedrijfsafvalwater. Een gebied is als ‘kwetsbaar’ benoemd indien de waterkwaliteit van het grond- en/of oppervlaktewater van belang is voor de realisatie van de waterkwaliteitsdoelstelling.
Binnen een als ‘kwetsbaar’ benoemd gebied worden andere voorwaarden gesteld voor oppervlaktewater- en bodemlozingen als binnen een ‘niet-kwetsbaar’ gebied. De binnen de kwetsbare gebieden geldende voorwaarden zijn opgenomen in de titels 4.2 en 5.4A en 5.5A van deze verordening. De selectie van de kwetsbare gebieden is opgenomen in voornoemde Nota lozingen buitengebied. Hieronder volgt een omschrijving van de gebieden, die in afzonderlijke kaartenbundels behorend bij deze bijlage op kaart zijn weergegeven. In totaal worden acht verschillende categorieën kwetsbaar gebied onderscheiden.
De geselecteerde kwetsbare gebieden zijn:
Bijlage 7. Doorwerking gebiedsgerichte milieukwaliteitseisen
Gereserveerd
Bijlage 8. Milieu-effectrapportage
Vervallen
Bijlage 9. Instructies voor vergunningen voor inrichtingen in bijzondere gebieden
A. Begripsomschrijvingen
In deze tabel wordt verstaan onder:
- waterwingebied, 25- en 100-jaars-beschermingszone en boringsvrije zone: zones van
- grondwaterbeschermingsgebieden die als zodanig zijn aangewezen in bijlage 6;
- PGS: Publicatiereeks Gevaarlijke stoffen van het ministerie van VROM (ter vervanging van de door de Commissie Preventie van Rampen door Gevaarlijke Stoffen opgestelde CPR richtlijnen).
- PGS 28:Publicatie 28 van de PGS getiteld “Vloeibare aardolieprodukten: afleverinstallaties en ondergrondse opslag”, dan wel de door Gedeputeerde Staten aangewezen richtlijn uit de PGS, die met betrekking tot dat onderwerp de geldende norm is;
- PGS 29: Publicatie 29 van de PGS getiteld “Richtlijn voor bovengrondse van brandbare vloeistoffen in verticale cilindrische tanks”, dan wel de door Gedeputeerde Staten aangewezen richtlijn uit de PGS, die met betrekking tot dat onderwerp de geldende norm is;
- PGS 30: Publicatie 30 van de PGS getiteld "Vloeibare aardolieprodukten: buitenopslag in kleine installaties”, dan wel de door Gedeputeerde Staten aangewezen richtlijn uit de PGS, die met betrekking tot dat onderwerp de geldende norm is;
- PGS 15: Publicatie 15 van de PGS, getiteld “Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen”, dan wel de door Gedeputeerde Staten aangewezen richtlijn uit de PGS, die met betrekking tot dat onderwerp de geldende norm is;
-KIWA: KIWA N.V., instituut voor certificatie, keuringen en advisering integrale kwaliteitszorg voor bouw-, water- en milieusector, gevestigd in Rijswijk;
- REIS: een erkenning van KIWA op grond van beoordelingsrichtlijn (BRL-K 902/02) inzake het saneren van huisbrandolie en dieselolietanks, dan wel de door Gedeputeerde Staten aangewezen erkenning van die instelling, die met betrekking tot dat onderwerp de geldende norm is;
- NPR 3218: Nederlandse praktijkrichtlijn van het Nederlands Normalisatie Instituut, Buitenriolering onder vrij verval "Aanleg en onderhoud", eerste druk, juli 1984, dan wel de door Gedeputeerde Staten aangewezen richtlijn van dat instituut, die met betrekking tot dat onderwerp de geldende norm is;
- NPR 3220: Nederlandse praktijkrichtlijn van het Nederlands Normalisatie Instituut, Buitenriolering "Beheer", eerste druk, juni 1987, dan wel de door Gedeputeerde Staten aangewezen richtlijn van dat instituut, die met betrekking tot dat onderwerp de geldende norm is;
- NPR 3221: Nederlandse praktijkrichtlijn van het Nederlands Normalisatie Instituut, Buitenriolering onder over- en onderdruk "Ontwerpcriteria, aanleg en onderhoud" eerste druk, juni 1986, dan wel de door Gedeputeerde Staten aangewezen richtlijn van dat instituut, die met betrekking tot dat onderwerp de geldende norm is;
- NPR 3398: Nederlandse praktijkrichtlijn van het Nederlands Normalisatie Instituut, Buitenriolering "Inspectie en toestandsbeoordeling", eerste druk, april 1992, dan wel de door Gedeputeerde Staten aangewezen richtlijn van dat instituut, die met betrekking tot dat onderwerp de geldende norm is;
- NEN: een door het Nederlands Normalisatie Instituut uitgegeven norm;
- NVN: een door het Nederlands Normalisatie Instituut uitgegeven voornorm;
- VPR: voorlopige Praktijk Richtlijn, zoals beschreven in de reeks "Bodembescherming" deel SSB, min. van VROM;
- schadelijke stoffen, dierlijke of andere meststoffen en bestrijdingsmiddelen: hetgeen daaronder wordt verstaan in bijlage 10, onderdeel B, van deze verordening.
- MVR-grond: grond als bedoeld in de ministeriële Vrijstellingsregeling Samenstellings- en immissiewaarden Bouwstoffenbesluit (25 juni 1999);
- Schone grond: grond als bedoeld in artikel 1, 1e lid onder h. van het Bouwstoffenbesluit;
- Categorie 1 bouwstof: bouwstof als bedoeld in artikel 1, 1e lid onder j. van het Bouwstoffenbesluit (waaronder grond).
B. Aanwijzing van categorieën van activiteiten in inrichtingen (artikel 5.4.1, eerste lid)
|
Ligging |
Activiteit |
||
|
1 t/m 29 als bedoeld in bijlage I, behorende bij het Inrichtingen en VergunningenBesluit milieubeheer (Ivb) |
ligging in beschermingszone (25 en 100 jaar) |
Het op- en overslaan van vloeibare ardolieprodukten in emballage |
A1 |
|
Het op- en overslaan van vloeibare aardolieprodukten in ondergrondse tanks |
A2 |
||
|
het op- en overslaan van vloeibare aardolieprodukten in bovengrondse tanks |
A3 |
||
|
het op- en overslaan van vloeibare schadelijke stoffen, niet zijnde vloeibare aardolieprodukten, en vloeibare afvalstoffen in emballage |
A4 |
||
|
het op- en overslaan van vloeibare schadelijke stoffen, niet zijnde vloeibare aardolieprodukten, en vloeibare afvalstoffen in ondergrondse tanks |
A5 |
||
|
het op- en overslaan van vloeibare schadelijke stoffen, niet zijnde vloeibare aardolieprodukten, en vloeibare afvalstoffen in bovengrondse tanks |
A6 |
||
|
het op- en overslaan van vaste schadelijke stoffen en vaste afvalstoffen in emballage |
A7 |
||
|
het op- en overslaan van vaste schadelijke stoffen en vaste afvalstoffen anders dan in emballage |
A8 |
||
|
het op- en overslaan van dierlijke vaste mest |
A9 |
||
|
het op- en overslaan van meststoffen, niet zijnde dierlijke meststoffen en niet zijnde overige organische meststoffen als bedoeld in BOOM |
A10 |
||
|
het op- en overslaan van zuiveringsslib en compost |
A11 |
||
|
het opslaan dan wel stallen van vaar-, vlieg- of motorvoer-tuigen of onderdelen daarvan voorzover het wrakken betreft of voertuigen die ter reparatie worden aangeboden |
A12 |
||
|
het gebruiken t.b.v. het produktieproces (in ruime zin) van vloeibare aardolieprodukten en andere schadelijke stoffen |
A13 |
||
|
het tot stand brengen, hebben of gebruiken van leidingen t.b.v. het transport van schadelijke stoffen, niet zijnde afvalwater (productleidingen) |
A14 |
||
|
het tot stand brengen, hebben of gebruiken van leidingen t.b.v. het transport van afvalwater (zoals bedrijfsriolering) |
A15 |
||
|
het tot stand brengen, hebben of gebruiken van niet eerder genoemde werken om schadelijke stoffen te vervoeren, te bergen, over te slaan, te storten of te infiltreren |
A16 |
||
|
het tot stand brengen, hebben of gebruiken van parkeerterreinen of terreinen voor gemotoriseerd verkeer |
A17 |
||
|
het toepassen van bouwstoffen |
A20 |
||
|
het verrichten van mechanische ingrepen in de bodem dieper dan 2 meter |
A21 |
||
|
ligging in de boringsvrije zone |
het verrichten van mechanische ingrepen in de bodem dieper dan 10 meter |
A22 |
|
|
ligging in waterwingebied |
het op of in de bodem brengen van meststoffen |
A23 |
|
|
ligging in waterwingebied |
het gebruik van bestrijdingsmiddelen |
A24 |
|
|
het verrichten van mechanische ingrepen in de bodem dieper dan 2 meter |
A25 |
C. Omschrijving van beperkingen en voorschriften (artikel 5.4.1, tweede lid)
|
Voorschriften inhoudende de verplichting extra bodembeschermende maatregelen en voorzieningen te treffen, zoals die in PGS 28 zijn aangegeven. |
B1 |
|
Voorschriften inhoudende de verplichting extra bodembeschermende maatregelen en voorzieningen te treffen, zoals die in PGS 29 zijn aangegeven. |
B2 |
|
Voorschriften inhoudende de verplichting de bodem te monitoren op de aanwezigheid van de stoffen die zijn opgeslagen, door het nemen van grondwatermonsters volgens de NEN- en VPR-richtlijnen die daarop van toepassing zijn; de artikelen 2.27 en 2.28 van Bijlage 1 behorende bij het Besluit opslaan in ondergrondse tanks zijn van overeenkomstige toepassing. |
B4 |
|
Voorschriften inhoudende de verplichting dat het onklaar maken of verwijderen van de tank dient te worden uitgevoerd door een door KIWA-erkend tanksaneringsbedrijf (REIS). |
B5 |
|
Voorschriften inhoudende de verplichting: - indien aan de tank een afleverinstallatie met een doorzet van meer dan 10.000 liter per jaar is verbonden, de maatregelen en voorzieningen te treffen zoals die in PGS 28 zijn aangegeven; - indien aan de tank een afleverinstallatie met een doorzet van 10.000 liter of minder per jaar is verbonden, de maatregelen en voorzieningen te treffen zoals die in PGS 29 zijn aangegeven; indien daar sprake is van “aaneengesloten verharding” moet daar voor worden gelezen “vloeistofdichte verharding”. |
B6 |
|
Voorschriften inhoudende de verplichting de bodembeschermende maatregelen en voorzieningen te treffen zoals weergegeven in de PGS28. |
B7 |
|
Voorschriften inhoudende de verplichting extra bodembeschermende maatregelen en voorzieningen te treffen zoals die in PGS 29 zijn aangegeven. |
B8 |
|
Voorschriften inhoudende de verplichting de bodembeschermende maatregelen en voorzieningen te treffen als bedoeld in de PGS 15 of 30. |
B9 |
|
Voorschrift inhoudende de verplichting dat de opslag moet plaatsvinden in een vloeistofdichte bak die tenminste de totale hoeveelheid opgeslagen vloeistof kan bevatten. |
B10 |
|
Voorschriften inhoudende de verplichting dat voorzieningen dienen te zijn of te worden aangebracht welke duurzaam voorkomen dat schadelijke stoffen in de bodem kunnen komen, alsmede voorschriften inhoudende de verplichting een regelmatige controle uit te voeren ten aanzien van het functioneren van deze voorzieningen. |
B12 |
|
Voorschriften inhoudende de verplichting leidingen ten behoeve van het transport van schadelijke stoffen, niet zijnde aardolieprodukten en afvalwater, zodanig aan te leggen en te onderhouden dat het gehele stelsel duurzaam vloeistofdicht is, alsmede voorschriften inhoudende de verplichting leidingen voor de ingebruikname en vervolgens om de vijf jaar te inspecteren op het aspect vloeistofdichtheid. |
B13 |
|
Voorschriften inhoudende de verplichting dat de aanleg, het beheer en het onderhoud van leidingen c.a. ten behoeve van het transport van afvalwater plaats vinden overeenkomstig de van toepassing zijnde Praktijkrichtlijnen NPR 3218, NPR 3220, NPR 3221 en NPR 3398. Voor het ontwerp van een vloeistofdichte riolering dient te worden verwezen naar hoofdstuk 7 van de Nederlandse Richtlijnen Bodembescherming (NRB) en de CUR/PBV-aanbeveling 51 (Milieutechnische ontwerp-criteria voor bedrijfsriolering, Stichting CUR, 1998.) |
B14 |
|
Voorschriften inhoudende de verplichting dat schadelijke stoffen afkomstig van de verhardingen zodanig dienen te worden afgevoerd dat deze niet in de bodem terecht kunnen komen. |
B15 |
|
Voorschriften inhoudende de verplichting dat: - tijdens de mechanische ingreep geen verontreiniging van de bodem plaatsvindt of kan plaatsvinden; - de mate van doorlaatbaarheid van de weerstandbiedende lagen na de ingreep niet groter is dan daarvoor; - zodanige voorzieningen moeten worden getroffen dat tijdens het gebruik van het boorgat geen verontreinigende stoffen via dit boorgat in de bodem kunnen komen; - Warmtepompsystemen met een bodemwarmtewisslaar (gesloten systemen) dienen zodanig te worden uitgevoerd dat er geen bodembedreigende stoffen door lekkage of calamiteiten in het grondwater kunnen geraken. - een boring ten behoeve van een grondwateronttrekking die vergunningplichtig is ingevolgde de Grondwaterwet en de Verordening waterhuishouding Noord-Brabant slechts mag worden uitgevoerd nadat de grondwateronttrekkingsvergunning is verleend. - het tijdstip van de uitvoering van de boring en de buitengebruikstelling van een put vooraf bij het bevoegd gezag wordt gemeld. - bij de beëindiging van het gebruik van een boring het ontstane boorgat volledig afsluitend wordt opgevuld |
B16 |
|
Voorschriften inhoudende een verbod op het oprichten van warmtepompsystemen met een bodemwarmtewisselaar (gesloten systemen) |
B17 |
|
Voorschriften inhoudende de verplichting dat: - De op of onder het maaiveld toe te passen bouwstoffen slechts mogen bestaan uit schone grond, MVR-grond of categorie 1 bouwstoffen (inclusief grond) als bedoeld in artikel 1, eerstel lid, onder h, respectievelijk j, van het Bouwstoffenbesluit met uitzondering van (ontzilt) zeezand; - Hergebruik van (licht) verontreinigde grond als bodem slechts is toegestaan indien deze afkomstig is van binnen het grondwaterbeschermingsgebied en voldaan is aan de eisen van de Vrijstellingsregeling Grondverzet (Stcrt. 1999, nr. 180). |
B20 |
|
Voorschriften inhoudende de verplichting dat - het wassen van motorvoertuigen en motorwerktuigen alleen mag plaatsvinden op of in de daarvoor bestemde wasplaats; - voorzieningen dienen te worden getroffen zodat de nevel ten gevolge van het wassen zich niet buiten de wasplaats kan verspreiden; - de vloer waarop het wassen plaatsvindt, vloeistofdicht moet zijn; - de vloer afwaterend moet zijn gelegd naar een of meer schrobputten of afvoergoten, die zijn aangesloten op de bedrijfsriolering. Doorvoeringen van kabels of leidingen moeten vloeistofdicht zijn afgewerkt; - olien, vetten, modder of water niet over de rand van de vloer van de wasplaats anders dan in een schrobput of afvoergoot mogen worden geveegd of geschrobd. |
B21 |
|
Voorschriften of beperkingen inhoudende een verbod op het op of in de bodem brengen van dierlijke of andere meststoffen |
B22 |
|
Voorschriften of beperkingen inhoudende een verbod op het gebruik van bestrijdingsmiddelen |
B23 |
|
Voorschriften inhoudende de verplichting dat wordt voorkomen dat afstromend hemelwater in contact kan komen met schadelijke stoffen, waaronder begrepen uitloogbare bouwmaterialen |
B24 |
D. Instructiebepalingen
|
A1 |
B9 |
||
|
A2 |
B1, B6 |
B6 alleen opnemen indien van toepassing. |
|
|
A3 |
B2, B6 |
||
|
A4 |
B9, B10 |
||
|
A5 |
B4, B5, B7 |
Bij B7 geldt de PGS 28 alleen voor nieuw te installeren tanks. Bij B7, PGS 28, kan de controle op water achterwege worden gelaten bij opslag van waterhoudende schadelijke stoffen. |
|
|
A6 |
B8 |
||
|
A7 |
B9 |
||
|
A8 |
B12, B15 |
Bij bestaande en nieuwe opslag in silo’s, kelders of vergelijkbare inpandige vloeistofdiche constructies (ter beoordeling van het bevoegd gezag) waarbij al is voldaan aan B12 hoeft B15 niet te worden opgenomen. |
|
|
A9 |
B12, B15 |
||
|
A10 |
B12, B15 |
Indien de opslag |
Bijlage 10. Regels voor gedragingen
A. Regels inzake het voorkomen of beperken van geluidhinder (stiltegebieden)
Titel 1 Algemene bepaling
Bepaling 1.1
In dit onderdeel van de bijlage wordt verstaan onder:
a. geluidsapparaat, toestel, motorvoertuig en bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet geluidhinder;
b. openbare weg: hetgeen in artikel 1, eerste lid, sub b, van de Wegenverkeerswet 1994 wordt verstaan onder het begrip “wegen”, met uitzondering van die wegen die krachtens de Wegenverkeerswet 1994 alleen openstaan voor voetgangers of fietsers.
Titel 2 Verbodsbepalingen
Bepaling 2.1
a. airgun- en andere knalapparatuur en een motorisch aangedreven werktuig met bijbehorende transportmiddelen, te gebruiken in het kader van seismologisch onderzoek en opsporingsonderzoek naar of ontginning van de in de bodem aanwezige stoffen;
b. een motorisch aangedreven werktuig, te gebruiken in het kader van de aanleg van kabels en buisleidingen in of op de bodem;
c. een omroepinstallatie, sirene, hoorn en een ander daarmee vergelijkbaar toestel bestemd om geluid te versterken of voort te brengen;
d. een modelvliegtuig, modelboot of modelauto, indien deze wordt aangedreven door een verbrandingsmotor;
e. een muziekinstrument en een ander daarmee vergelijkbaar geluidsapparaat, al dan niet gekoppeld aan een geluidsversterker;
f. een jetski die wordt aangedreven door een verbrandingsmotor;
g. een schietwapen.
Bepaling 2.2
Het is verboden zich met een motorvoertuig of bromfiets te bevinden buiten de openbare weg of buiten andere voor bestemmingsverkeer openstaande wegen of terreinen.
Bepaling 2.3
Bepaling 2.4
Het is verboden vuurwerk te gebruiken.
Bepaling 2.5
Titel 3 Vrijstellingen
Bepaling 3.1
De in de bepalingen 2.1, eerste lid, en 2.2 gestelde verboden gelden niet voorzover zij betrekking hebben op een toestel dat wordt gebruikt ten behoeve van:
a. de uitoefening van land-, tuin- of bosbouw of beroepsmatige visserij;
b. de grondwateronttrekking in een gebied dat in bijlage 6 is aangewezen ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning, voorzover dat gebruik redelijkerwijs noodzakelijk is voor de normale werking van de inrichting, gericht op de openbare drinkwaterproductie;
c. het onderhoud van het gebied of van de daarin aanwezige bouwwerken en andere constructies.
Bepaling 3.2
Het in bepaling 2.1, eerste lid, gestelde verbod geldt voorts niet voor zover het betrekking heeft op:
a. een werktuig als bedoeld in bepaling 2.1, tweede lid, onder b, dat wordt gebruikt ten behoeve van directe woonaansluitingen;
b. het gebruik van een toestel als bedoeld in bepaling 2.1, tweede lid, onder c, indien dat noodzakelijk is ter afwending van dreigend gevaar of anderszins uit een oogpunt van algemene veiligheid;
c. een geluidsapparaat als bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, onder e, dat wordt gebruikt binnen 50 meter van een woonhuis en mits niet hoorbaar op een afstand van meer dan 50 meter van het apparaat;
d. een schietwapen als bedoeld in bepaling 2.1, tweede lid, onder g, indien dat wordt gebruikt:
Bepaling 3.3
Het in bepaling 2.4 gestelde verbod geldt niet indien het gebruik van vuurwerk noodzakelijk is ter oproeping van personen of ter afwending van dreigend gevaar, dan wel plaats vindt ter gelegenheid van de jaarwisseling gedurende een bij gemeentelijke verordening aangewezen periode.
Titel 4 Ontheffingen
Bepaling 4.1
B. Regels ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning (grondwaterbeschermingsgebieden)
Titel 1 Algemene bepalingen
Bepaling 1.1 1. In dit onderdeel van de bijlage wordt verstaan onder:
a. waterwingebieden, 25- en 100-jaars-beschermingszones en boringsvrije zones: zones van grondwaterbeschermingsgebieden die als zodanig zijn aangewezen in bijlage 6;
b. schadelijke stoffen: stoffen, combinaties van stoffen, preparaten of andere producten, in welke vorm ook, waarvan hetzij in het algemeen, hetzij in het gegeven geval kan worden verwacht dat ze - op of in de bodem gebracht of gerakend - de bodem verontreinigen of kunnen verontreinigen;
c. bodem: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Wet bodembescherming.
d. dierlijke of andere meststoffen: hetgeen daaronder wordt verstaan bij of krachtens de Meststoffenwet en de Meststoffenwet 1947;
e. bestrijdingsmiddelen: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Bestrijdingsmiddelenwet 1962;
f. compost, zwarte grond en zuiveringsslib: hetgeen daaronder wordt verstaan in het Besluit kwaliteit en gebruik overige organische meststoffen;
g. reconstrueren: het aanbrengen van wijzigingen op of aan een weg, parkeergelegenheid, terrein voor gemotoriseerd verkeer, waterweg of spoorweg, die verandering brengt in de bestaande of te verwachten risico’s voor de grondwaterkwaliteit; onder reconstrueren wordt niet verstaan het uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden;
h. lozing in de bodem: het definitief in de bodem brengen van vloeistoffen, met uitzondering van de lozingen als bedoeld in artikel 2 van het Lozingenbesluit bodembescherming;
i. lozingseenheid: lozingseenheid als bedoeld in het Lozingenbesluit bodembescherming;
j. onderhoudsspecie klasse 1, onderhoudsspecie klasse 2: hetgeen hieronder wordt verstaan in het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen;
k. verspreiden van onderhoudsspecie: zich ontdoen van onderhoudsspecie door deze buiten een inrichting op of in de bodem te brengen;
l. (licht) verontreinigde grond: grond, geen schone grond zijnde als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder h., van het Bouwstoffenbesluit, en geen MVR-grond zijnde als bedoeld in de ministeriële Vrijstellingsregeling, Samenstellings- en immissiewaarden Bouwstoffenbesluit (25 juni 1999);
m. secundaire grondstof: bouwstof als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b., van het Bouwstoffenbesluit (Stb. 1995, 567), voorzover niet zijnde primaire grondstof;
n. categorie 1 secundaire bouwstof: categorie-1 bouwstof als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder j., van het bouwstoffenbesluit; categorie 2 secundaire bouwstof: categorie 2-bouwstof als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder k van het Bouwstoffenbesluit;
o. streefwaarden: de streefwaarden zoals vastgelegd in de Notitie milieukwaliteitsdoelstellingen bodem en water (kamerstukken II 1990/91 21990, nr. 1), dan wel de door Gedeputeerde Staten aangewezen notitie die als opvolger van genoemde Notitie geldt;
p. werk: grondwerk, wegenbouwkundig werk, waterbouwkundig werk of bouwwerk.
Bepaling 1.2
Titel 2 Waterwingebieden
Paragraaf 2.1 Inrichtingen
Bepaling 2.1.1
Bepaling 2.1.2
De verboden in bepaling 2.1.1, eerste en tweede lid, gelden niet met betrekking tot inrichtingen ten behoeve van de grondwateronttrekking, met het oog waarop het betreffende gebied wordt beschermd, voor zover een in het eerste lid bedoelde inrichting of een in het tweede lid bedoelde verandering redelijkerwijs noodzakelijk is voor de normale werking van de inrichting, gericht op de openbare drinkwaterproductie.
Paragraaf 2.2 Gedragingen buiten inrichtingen
Bepaling 2.2.1
a. schadelijke stoffen te hebben, te gebruiken, te vervoeren of op of in de bodem te brengen;
b. dierlijke of andere meststoffen op of in de bodem te brengen;
c. constructies van welke aard dan ook - leidingen en installaties daaronder begrepen - tot stand te brengen, te hebben of te gebruiken met het doel het vervoeren, bergen, opslaan, overslaan, storten of verzinken van schadelijke stoffen door, op of in de bodem mogelijk te maken;
d. begraafplaatsen als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging of terreinen voor de uitstrooiing van as als bedoeld in artikel 10 van het Besluit op de lijkbezorging op te richten, te hebben of te gebruiken;
e. boorputten op te richten, in exploitatie te nemen of te hebben;
f. de grond dieper te roeren dan 2 meter onder het maaiveld of anderszins werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren; onder deze werken worden in elk geval verstaan bodemstabiliseringswerken, grond- en funderingswerken en het plaatsen en verwijderen van damwanden en heipalen;
g. nieuwe watergangen en waterplassen, die een risico vormen voor het grondwater, uit te voeren zonder toereikende bodemafdichting
h. wegen, parkeergelegenheden, terreinen voor zover deze - al dan niet tijdelijk - voor gemotoriseerd verkeer openstaan, waterwegen of spoorwegen aan te leggen, te hebben of te reconstrueren;
i. kampeergelegenheden, recreatiecentra of kampementen aan te leggen, te hebben, in exploitatie te nemen of te exploiteren;
j. een gebouw in de zin van de Woningwet tot stand te brengen;
k. een lozing in de bodem uit te voeren;
l. onderhoudsspecie klasse 1 of onderhoudsspecie klasse 2 te verspreiden;
m. licht verontreinigde grond, ontzilt zeezand of andere secundaire bouwstoffen als bodem of in werken te gebruiken;
n. warmtepompsystemen met een bodemwarmtewisselaar (gesloten systemen) op te richten
o. enigerlei handeling te verrichten of te doen verrichten waarvan men weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zij de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning nadelig kan beinvloeden.
Bepaling 2.2.2
a. het voorhanden hebben, gebruiken en vervoeren van schadelijke stoffen die redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor drinkwaterproduktie;
b. geringe hoeveelheden schadelijke stoffen in en bij woningen en andere gebouwen, die dienen of gediend hebben voor normaal gebruik ter plaatse, mits bewaard in een deugdelijke verpakking en afdoende beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden;
c. schadelijke stoffen aanwezig in en benodigd voor het doen functioneren van motorvoertuigen, motorwerktuigen of bromfietsen;
d. het verspreiden van wegenzout ter bestrijding van gladheid van wegen;
e. het vervoeren van schadelijke stoffen in afgesloten en vloeistofdichte tanks of in een deugdelijk gesloten verpakking, mits deugdelijk geladen, afdoende beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden en op zodanige wijze dat geen gevaar voor verspreiding of verstuiving bestaat.
a. het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van grondwateronttrekkingen met het oog op de openbare drinkwaterproductie;
b. het saneren van de bodem dan wel het verrichten van handelingen door het bevoegd gezag tengevolge waarvan een verontreiniging van de bodem wordt verminderd of verplaatst, indien voor dat saneren of die handelingen door het bevoegd gezag in het kader van de Wet bodembescherming opdracht of toestemming is gegeven;
Bepaling 2.2.3
a. de in bepaling 2.2.1, eerste lid, onder a, c, e, f, en o gestelde verboden;
b. de in bepaling 2.2.1, eerste lid, onder d en i, gestelde verboden, voor begraafplaatsen, dierenbegraafplaatsen of terreinen voor de uitstrooiing van as respectievelijk voor kampeergelegenheden, recreatiecentra of kampementen die op het tijdstip van in werking treden van deze verordening, dan wel op het tijdstip van de aanwijzing van een gebied als waterwingebied bestaan of in aanleg zijn;
c. het in bepaling 2.2.1, eerste lid, onder h gestelde verbod, voor de daar genoemde objecten die op het tijdstip van in werking treden van deze verordening, dan wel op het tijdstip van de aanwijzing van een gebied als waterwingebied, bestaan of in aanleg zijn, alsmede voor wegen of parkeergelegenheden bestemd voor inrichtingen ten behoeve van de grondwateronttrekking, met het oog waarop het betreffende gebied wordt beschermd;
d. het in bepaling 2.2.1, eerste lid onder j gestelde verbod, voor een gebouw dat op het tijdstip van in werking treden van deze verordening, dan wel op het tijdstip van de aanwijzing van een gebied als waterwingebied, bestaat of gebouwd wordt, alsmede voor een gebouw ten behoeve van het waterleidingbedrijf dat in het waterwingebied gevestigd is.
a. de ondergrondse opslag van schadelijke stoffen;
b. het gebruik van bestrijdingsmiddelen.
Titel 3 Beschermingszones (25-jaars beschermingszones)
Paragraaf 3.1 Inrichtingen
Bepaling 3.1.1
Het is verboden in beschermingszones een inrichting op te richten, indien die inrichting behoort tot een categorie van inrichtingen die is aangewezen in de in bijlage 10.B.1 van deze verordening opgenomen lijst.
Bepaling 3.1.2
Bepaling 3.1.3
Bepaling 3.1.4
Paragraaf 3.2 Gedragingen buiten inrichtingen
Bepaling 3.2.1
a. schadelijke stoffen te hebben, te gebruiken, te vervoeren of op of in de bodem te brengen;
b. dierlijke of andere meststoffen op of in de bodem te brengen;
c. constructies van welke aard dan ook - leidingen en installaties daaronder begrepen - tot stand te brengen, te hebben of te gebruiken met het doel het vervoeren, bergen, opslaan, overslaan, storten of verzinken van schadelijke stoffen door, op of in de bodem mogelijk te maken;
d. begraafplaatsen als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging of terreinen voor de uitstrooiing van as als bedoeld in artikel 10 van het Besluit op de lijkbezorging of dierenbegraafplaatsen op te richten;
e. boorputten op te richten, in exploitatie te nemen of te hebben dieper dan 2 meter onder het maaiveld;
f. de grond dieper te roeren dan 2 meter onder het maaiveld of anderszins werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren, waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van de slecht-doorlatende bodemlagen kunnen aantasten; onder deze werken worden in elk geval verstaan ontgrondingen, bodemstabiliseringswerken, grond- en funderingswerken en het plaatsen en verwijderen van damwanden en heipalen;
g. nieuwe watergangen en waterplassen, die een risico vormen voor het grondwater uit te voeren zonder toereikende bodemafdichting;
h. wegen, parkeergelegenheden, terreinen voorzover deze -al dan niet tijdelijk- voor gemotoriseerd verkeer openstaan, waterwegen of spoorwegen aan te leggen, te hebben of te reconstrueren;
i. kampeergelegenheden, recreatiecentra of kampementen aan te leggen, te hebben, in exploitatie te nemen of te exploiteren;
j. een lozing in de bodem uit te voeren;
k. onderhoudsspecie klasse 2 te verspreiden;
l. (licht) verontreinigde grond en ontzilt zeezand als bodem of in werken te gebruiken;
m. overige secundaire bouwstoffen in werken te gebruiken;
n. warmtepompsystemen met een bodemwarmtewisselaar (gesloten systemen) op te richten;
o. enigerlei handeling te verrichten of te doen verrichten waarvan men weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zij de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning nadelig kan beïnvloeden.
Bepaling 3.2.2
a. het voorhanden hebben, gebruiken en vervoeren van schadelijke stoffen ten behoeve van de grondwateronttrekking, met het oog waarop het betreffende gebied wordt beschermd, voor zover deze stoffen redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor de normale werking van de inrichting, gericht op de openbare drinkwaterproductie;
b. geringe hoeveelheden schadelijke stoffen in en bij woningen en andere gebouwen, die dienen of gediend hebben voor normaal gebruik ter plaatse, mits bewaard in een deugdelijke verpakking en afdoende beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden;
c. schadelijke stoffen aanwezig in en benodigd voor het doen functioneren van motorvoertuigen, motorwerktuigen of bromfietsen;
d. het verspreiden van wegenzout ter bestrijding van gladheid van wegen;
e. het vervoeren van schadelijke stoffen in afgesloten en vloeistofdichte tanks of in een deugdelijk gesloten verpakking, mits deugdelijk geladen, afdoende beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden en op zodanige wijze dat geen gevaar voor verspreiding of verstuiving bestaat;
f. het gebruik van krachtens de Bestrijdingsmiddelenwet in grondwaterbeschermingsgebieden toegestane bestrijdingsmiddelen.
a. bezit en exploitatie van boorputten die op het moment dat het verbod als bedoeld in bepaling 3.2.1, eerste lid onder e in werking treedt wettig aanwezig zijn;
b. het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van grondwateronttrekkingen met het oog op de openbare drinkwaterproductie;
c. het oprichten van boorputten ten behoeve van het grondwaterbeheer voor zover daarvoor een vergunning krachtens de Grondwaterwet is vereist of algemene voorschriften krachtens de Wet bodembescherming gelden;
d. het saneren van de bodem dan wel het verrichten van handelingen tengevolge waarvan een verontreiniging van de bodem wordt verminderd of verplaatst, indien voor dat saneren of die handelingen door het bevoegd gezag in het kader van de Wet bodembescherming opdracht of toestemming is gegeven;
Bepaling 3.2.3
Titel 3A Beschermingszones (100-jaarsbeschermingszones)
Paragraaf 3A.1 Inrichtingen
Bepaling 3A.1.1
Het is verboden in 100 jaarsbeschermingszones een inrichting op te richten, indien die inrichting behoort tot een categorie van inrichtingen die is aangewezen als zwarte lijst inrichting in de in bijlage 10.B.1 van deze verordening opgenomen lijst.
Bepaling 3A.1.2
Bepaling 3A.1.3
Paragraaf 3A.2 Gedragingen buiten inrichtingen
Bepaling 3A.2.1
a. schadelijke stoffen te hebben, te gebruiken, te vervoeren of op of in de bodem te brengen;
b. constructies van welke aard dan ook - leidingen en installaties daaronder begrepen - tot stand te brengen, te hebben of te gebruiken met het doel het vervoeren, bergen, opslaan, overslaan, storten of verzinken van schadelijke stoffen door, op of in de bodem mogelijk te maken;
c. boorputten op te richten, in exploitatie te nemen of te hebben;
d. de grond dieper te roeren dan 2 meter onder het maaiveld of anderszins werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren, waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van de slecht-doorlatende bodemlagen kunnen aantasten; onder deze werken worden in elk geval verstaan bodemstabiliseringswerken, grond- en funderingswerken en het plaatsen en verwijderen van damwanden en heipalen;
e. nieuwe watergangen en waterplassen, die een risico vormen voor het grondwater uit te voeren zonder toereikende bodemafdichting;
f. wegen, parkeergelegenheden, terreinen voorzover deze -al dan niet tijdelijk- voor gemotoriseerd verkeer openstaan, waterwegen of spoorwegen aan te leggen, te hebben of te reconstrueren;
g. een lozing in de bodem uit te voeren;
h. onderhoudsspecie klasse 2 te verspreiden indien verder dan 20 meter uit de slootkant;
i. (licht) verontreinigde grond als bodem of in werken te gebruiken;
j. categorie 2 bouwstoffen in werken of ontzilt zeezand als bodem of in werken te gebruiken;
k. warmtepompsystemen met een bodemwarmtewisselaar (gesloten systemen) op te richten;
l. enigerlei handeling te verrichten of te doen verrichten waarvan men weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zij de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning nadelig kan beïnvloeden.
Bepaling 3A.2.2
a. het voorhanden hebben, gebruiken en vervoeren van schadelijke stoffen ten behoeve van de grondwateronttrekking, met het oog waarop het betreffende gebied wordt beschermd, voor zover deze stoffen redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor de normale werking van de inrichting, gericht op de openbare drinkwaterproduktie;
b. geringe hoeveelheden schadelijke stoffen in en bij woningen en andere gebouwen, die dienen of gediend hebben voor normaal gebruik ter plaatse, mits bewaard in een deugdelijke verpakking en afdoende beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden;
c. schadelijke stoffen aanwezig in en benodigd voor het doen funktioneren van motorvoertuigen, motorwerktuigen of bromfietsen;
d. het verspreiden van wegenzout ter bestrijding van gladheid van wegen;
e. het vervoeren van schadelijke stoffen in afgesloten en vloeistofdichte tanks of in een deugdelijk gesloten verpakking, mits deugdelijk geladen, afdoende beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden en op zodanige wijze dat geen gevaar voor verspreiding of verstuiving bestaat;
f. het gebruik van krachtens de Bestrijdingsmiddelenwet in grondwaterbeschermingsgebieden toegestane bestrijdingsmiddelen.
a. bezit en exploitatie van boorputten die op het moment dat het verbod als bedoeld in bepaling 3A.2.1, eerste lid onder c in werking treedt reeds aanwezig zijn;
b. het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van grondwateronttrekkingen met het oog op de openbare drinkwaterproduktie;
c. het oprichten van boorputten ten behoeve van het grondwaterbeheer voor zover daarvoor een vergunning krachtens de Grondwaterwet is vereist of algemene voorschriften krachtens de Wet bodembescherming gelden;
d. het saneren van de bodem dan wel het verrichten van handelingen tengevolge waarvan een verontreiniging van de bodem wordt verminderd of verplaatst, indien voor dat saneren of die handelingen door het bevoegde gezag in het kader van de Wet bodembescherming opdracht of toestemming is gegeven;
Bepaling 3A.2.3
Titel 4 Boringsvrije zones
Bepaling 4.1
Het is verboden in boringsvrije zones een inrichting waarvoor het in artikel 8.1 van de wet gestelde verbod niet geldt in werking te hebben, indien en voor zover niet wordt voldaan aan de aan de algemene voorschriften die overeenkomstig bepaling 5.1 door Gedeputeerde Staten voor de boringsvrije zone zijn vastgesteld.
Bepaling 4.2
Het is verboden in boringsvrije zones buiten inrichtingen:
a. boorputten op te richten, in exploitatie te nemen of te hebben dieper dan 10 meter onder het maaiveld;
b. de grond dieper te roeren dan 10 meter onder het maaiveld of anderszins werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren; onder deze werken worden in elk geval verstaan ontgrondingen, bodemstabiliseringswerken, grond- en funderingswerken en het plaatsen en verwijderen van damwanden en heipalen.
c. warmtepompsystemen met een bodemwarmtewisselaar (gesloten systemen) op te richten
Bepaling 4.3
a. het oprichten van boorputten ten behoeve van het grondwaterbeheer voor zover daarvoor een vergunning krachtens de Grondwaterwet is vereist of algemene voorschriften krachtens de Wet bodembescherming gelden;
b. het saneren van de bodem dan wel het verrichten van handelingen tengevolge waarvan een verontreiniging van de bodem wordt verminderd of verplaatst, indien voor dat saneren of die handelingen door het bevoegd gezag in het kader van de Wet bodembescherming opdracht of toestemming is gegeven;
Bepaling 4.4
Titel 5 Algemene voorschriften
Bepaling 5.1
a. bepaling 3.1.4, eerste lid,
b. bepaling 3.2.1, eerste lid,
c. bepaling 3A.1.3 eerste lid en bepaling 3A.2.1 eerste lid, en
d. bepaling 4.1 en bepaling 4.2 algemene voorwaarden vaststellen.
Bijlage 10.B.1 Zwarte lijst-inrichtingen
Categorieën van inrichtingen waarvoor ingevolge bepaling 3.1.1 respectievelijk 3A.1.1 een oprichtingsverbod in de 25- respectievelijk 100-jaarsbeschermingszone van grondwaterbeschermingsgebieden geldt.
|
• ondergrondse opslag van brandbare vloeistoffen (k1, k2 en k3) t.b.v. de verkoop |
|
• de opslag van meer dan 2500 kilogram bestrijdingsmiddelen in emballage |
|
• vatenspoelinstallaties |
|
• motorbrandstofpompen t.b.v. de verkoop |
|
12.01 aardoliewinputten |
|
12.03 aardolie- en gasexploratie (tijdelijke activiteit) |
|
19.02 zoutwinning (putten) |
|
24.1 lederfabrieken |
|
25.23 houtconserveringsbedrijven (druk/vacuumprocessen of drenken e.d.) |
|
28.1 aardolieraffinaderijen |
|
28.21 cokesfabrieken |
|
29.2 kunstharsenfabrieken e.d. |
|
29.3 kleur- en verfstoffenfabrieken |
|
29.49.3 grondstoffenfabrieken voor geneesmiddelen en fijnchemicalien v.z.v.: p.c. .= 1.000 t/j |
|
29.8 chemische bestrijdingsmiddelenfabrieken |
|
29.91 lijm- en plakmiddelenfabrieken |
|
29.93 poetsmiddelenfabrieken |
|
29.94 fotochemische productenfabrieken |
|
29.95 springstoffen-, vuurwerkfabrieken e.d. |
|
33.1 ruwijzer- en staalfabrieken |
|
33.2 stalenbuizenfabrieken v.z.v.: p.o.> 2.000 m² |
|
33.41 non-ferro-metaalerts-voorbewerkingsbedrijven v.z.v.: p.c > 1.000 t/j |
|
33.42 primaire non-ferro-metaalfabrieken v.z.v.: p.c.>1.000 t/j |
|
33.43 non-ferro-metaalsmelterijen e.d. v.z.v.: p.c.>4.000 t/j |
|
34.4 overige constructiewerkplaatsen (excl. lakken) v.z.v.: p.o .= 2.000 m² |
|
34.6 metalen emballage industrie (incl. lakken en moffelen) |
|
34.93 metaaloppervlaktebehandelingsbedrijven v.z.v.: • anodiseren, eloxeren, • chemische oppervlaktebehandeling, • galvaniseren (vernikkelen, verchromen, verzinken, verkoperen e.d.) |
|
36.21 elektromotoren- en generatorenfabrieken |
|
36.22 schakel- en installatiemateriaalfabrieken |
|
36.92 lampenfabrieken |
|
36.95.1 fabrieken voor gedrukte bedrading |
|
37.41- |
|
37.45 scheepsbouw- en reparatiebedrijven v.z.v.:• metalen schepen =25 meter, • met proefdraaien verbrandingsmotoren =1 MW |
|
37.47 scheepssloperijen |
|
62.91- |
|
62.92 schroot v.z.v.: • met schredders, persen, • autosloperijen |
|
73.3 zeevaart laad-, los- en overslagbedrijven v.z.v.:• steenkool, • olie, LPG e.d., • tankercleaning |
|
74.2 binnenvaart laad-, los- en overslagbedrijven v.z.v.: • steenkool met opslag oppervlak = 2.000 m², • tankercleaning |
|
98.11.2 vuilstortplaatsen |
|
98.11.4 chemisch afvaldepots |
|
98.13 afvalbewerkingsbedrijven v.z.v.: • verwerking afgewerkte olie |
Grijze lijst inrichtingen
Aanvullend op bovenstaande lijst geldt een oprichtingsverbod voor de volgende categorieën inrichtingen in de 25-jaarsbeschermingszones Boxmeer, Budel, Macharen, Nuland, Vessem, Vierlingsbeek, Vlijmen-Helvoirt en Waalwijk (resp. de nummers 23, 33, 21, 17, 29, 26, 18 en 16 -zie bijlage 6). Deze categorieën vormen de zogenaamde “grijze lijst” in het Provinciaal Milieubeleidsplan.
|
• ondergrondse opslag van brandbare vloeistoffen (K1, K2 en K3) |
|
• de opslag van meer dan 250 kilogram bestrijdingsmiddelen in emballage |
|
• de opslag van meer dan 2500 kilogram gevaarlijke stoffen |
|
• bovengrondse opslag van brandbare vloeistoffen in tanks (K1, K2 en K3) |
|
• olie en kolen gestookte stookinstallaties = 50 MW |
|
• motorbrandstofpompen |
|
01.16 intensieve veehouderij: • varkensmesterijen, • kalvermesterijen, • stiermesterijen |
|
01.21/ |
|
01.27 tuinbouwbedrijven met open grondteelt |
|
01.28 bijzondere tuinbouwbedrijven v.z.v.: • champignonkwekerijen, • bloembollen-droog- en prepareerbedrijven |
|
01.29 tuinbouwbedrijven met bedekte teelt (kassen): • zonder kasverwarming, • met olie of kolengestookte kasverwarming |
|
20.51 (biet-)suikerfabrieken |
|
20.61 olie- en vettenfabrieken |
|
20.62 margarinefabrieken e.d. v.z.v.: p.c. = 250.000 t/j |
|
21.41 gist- en spiritusfabrieken v.z.v.: p.c. = 5.000 t/j |
|
22.41 textielblekerijen, -ververijen, -drukkerijen |
|
22.42 loonblekerijen, -ververijen, -drukkerijen |
|
22.43 textielveredelingsbedrijven n.e.g. |
|
25.71 meubelfabrieken (incl. lakspuiterij) |
|
27.11 dagbladdrukkerijen |
|
27.13 vlakdrukkerijen v.z.v.: • offset-vellen-drukkerijen, • offset-rotatie-drukkerijen |
|
27.14 rotatie-diepdrukkerijen |
|
28.22 bitumineus wegenbouwmaterialenfabrieken |
|
28.23 bitumineus dakbedekkingsmaterialenfabrieken |
|
28.24 smeeroliën- en vettenfabrieken |
|
28.29 overige aardolie- en steenkoolproductenfabrieken v.z.v..: • steenkoolproductenfabrieken n.e.g., • aardolieproductenfabrieken n.e.g. |
|
29.1 kunstmeststoffenfabrieken |
|
29.42 anorganische chemische grondstoffenfabrieken n.e.g. |
|
29.43 synthetische reuk- en smaakstoffenfabrieken |
|
29.49.1 methanolfabrieken |
|
29.49.2 vetzuren- en alkanolenfabrieken (niet synthetisch) |
|
29.49.3 grondstoffenfabrieken voor geneesmiddelen en fijnchemicalien v.z.v.: p.c.< 1.000 t/j |
|
29.49.4 organische chemische grondstoffenfabrieken n.e.g. |
|
29.51 verf-, lak- en vernisfabrieken |
|
29.71 zeep-, was- en reinigingsmiddelenfabrieken |
|
29.92 chemische kantoorbenodigdhedenfabrieken |
|
29.99 chemische productenfabrieken n.e.g. |
|
30.0 kunstmatige en synthetische garen- en vezelfabrieken |
|
31 Rubber- en kunststofverwerkende industrie |
|
31.2 loopvlakvernieuwingsbedrijven, vloeropp. = 100 m² |
|
32.41 cementfabrieken, p.c. = 100.000 t/j |
|
32.43 gipsfabrieken, p.c. = 100.000 t/j |
|
32.52 asbestcementwarenfabrieken, p.c. = 100 t/d |
|
33.2 stalenbuizenfabrieken v.z.v.: p.o. < 2.000 m² |
|
33.31 koudbandwalserijen, p.o. = 2.000 m² |
|
33.32 profielzetterijen, p.o. = 2.000 m² |
|
33.33 draadtrekkerijen e.d., p.o. = 2.000 m² |
|
33.41 non-ferro-metaalerts-voorbewerkingsbedrijven .z.v.: p.c. < 1.000 t/j |
|
33.42 primaire non-ferro-metaalfabrieken v.z.v.: p.c. < 1.000 t/j |
|
33.43 non-ferro-metaalsmelterijen e.d. v.z.v.: p.c. < 4.000 t/j |
|
33.44 non-ferro-metaalwalserijen, -trekkerijen e.d. |
|
34.01 ijzer- en staalgieterijen |
|
34.02 non-ferro-metaalgieterijen |
|
34.11 grofsmederijen, anker- en kettingfabrieken v.z.v.: p.o. = 2.000 m² |
|
34.12 stamp-, pers-, dieptrek- en forceerbedrijven |
|
34.2 schroeven, massadraaiwerk-, veren- e.d. industrie |
|
34.3 tank-, reservoir- en pijpleidingbouwbedrijven |
|
34.4 overige constructiewerkplaatsen (excl. lakken) v.z.v.: p.o. < 2.000 m² |
|
34.5 metalen meubelfabrieken e.d. (incl. lakken en moffelen) |
|
34.7 c.v.-ketel en -radiatorenfabrieken (excl. moffelen) |
|
34.8 overige metaalwarenind. |
|
34.91 smederijen, lasinrichtingen, bankwerkerijen e.d. |
|
34.93 metaaloppervlaktebehandelingsbedrijven v.z.v.: • mechanische oppervlaktebehandeling (slijpen, polijsten), • emailleren, • metaalharden, • lakspuiten en moffelen, • scoperen (opspuiten van zink), • thermisch verzinken, • thermisch vertinnen |
|
35 machine-industrie v.z.v.: • p.o. = 2.000 m², • met proefdraaien verbrandingsmotoren = 1 MW |
|
36.91 accumulatoren- en batterijenfabrieken |
|
36.97/ |
|
36.98 elektrische en elektrotechnische apparatenfabrieken |
|
37.1 autofabrieken en -assemblagebedrijven |
|
37.41- |
|
37.45 scheepsbouw- en reparatiebedrijven v.z.v.: • houten schepen, • kunststof schepen, • metalen schepen < 25 meter |
|
37.46 scheepsschilder- en schoonmaakbedrijven e.d. |
|
37.5 wagonbouw- en spoorwegwerkplaatsen (lijnwerkplaatsen) |
|
37.7 vliegtuigbouw en –reparatiebedrijven |
|
39.99.1 compostbedrijven |
|
40.11 olie- en kolengestookte elektriciteitsproduktiebedrijven v.z.v. vermogen = 50 MW |
|
61.18 gesloten opslag van dierlijke meststoffen |
|
61.41 ertsen (incl. overslag) |
|
61.44 minerale olieprodukten (excl. brandstoffen) |
|
61.45 vaste, vloeibare en gasvormige brandstoffen |
|
61.46 vaste brandstoffen v.z.v.: kolenterminal met opslagopp. = 2.000 m² |
|
61.47 vloeibare brandstoffen |
|
61.51 chemische grondstoffen en chemicalien voor industriele toepassing |
|
61.52 bestrijdingsmiddelen |
|
62.91- |
|
62.92 schroot; algemeen |
|
68.21 autoreparatiebedrijven (excl. plaatwerken, spuiten en tectyleren) |
|
68.29 autoreparatiebedrijven n.e.g. met tectyleerderij |
|
72.3 goederenwegvervoerbedrijf met schoonmaken tanks |
|
73.3 zeevaart laad-, los- en overslagbedrijven v.z.v.: • stukgoed, • ertsen, mineralen e.d. |
|
74.2 binnenvaart laad-, los- en overslagbedrijven v.z.v.: • ertsen, mineralen e.d., • steenkool opslag opp. < 2.000 m², • olie, LPG e.d. |
|
75.21.1 luchthavens |
|
75.21.3 vliegtuigverhuurbedrijven |
|
90.6 land-, lucht- en zeemachtkazernes e.d. |
|
96.12.2 sportaccomodaties v.z.v.: • skelterbanen, • autocircuits, motorcrossterreinen e.d. |
|
98.11.3 vuiloverslagstations |
|
98.11.4 gemeentewerven |
|
98.13 afvalbewerkingsbedrijven v.z.v.: • kabelbranderijen, • oplosmiddelterugwinning, • vuilverbrandingsinrichtingen: huisvuil, slib, • vuilverbrandingsinrichtingen: chemisch afval, • verwerking fotochemisch en galvano-afval |
|
98.14 ongedierte bestrijdings- en ontsmettingsbedrijven |
|
98.32 chemische wasserijen en ververijen |
|
p.c. = produktie capaciteit |
|
p.o. = produktie oppervlak |
|
o.c. = opslag capaciteit |
|
t/j = ton per jaar |
|
t/d = ton per dag |
|
v.z.v. = voor zover |
|
e.d. = en dergelijke |
|
n.e.g. = niet eerder genoemd |
|
t.b.v. = ten behoeve van |
De geintegreerde tekst zal, inclusief kaartmateriaal, na publikatie in dit provinciaal blad en na inwerkingtreding van de verordening aan belanghebbenden worden toegezonden. Het is mogelijk bij het service-centrum van de Provincie Noord-Brabant, tegen vergoeding van kosten, een exemplaar van de integrale tekst van de PMV Noord-Brabant op te vragen (tel. (073) 681 25 25).
’s-Hertogenbosch, 9 november 2007
Gedeputeerde Staten voornoemd,
secretaris de voorzitter
drs. W.G.H.M. Rutten J.R.H. Maij-Weggen
Uitgegeven, 30 november 2007
De secretaris van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant,
drs. W.G.H.M. Rutten
Dit regelingenbestand is geen bekendmaking als bedoeld in artikel 136 van de Provinciewet. De wettelijke bekendmakingen vinden uitsluitend plaats in de provinciale bladen. De provincie aanvaardt geen aansprakelijkheid voor verschillen tussen de teksten in dit bestand en die in de provinciale bladen.