Provinciale milieuverordening Noord-Brabant

Provinciale Milieuverordening Noord-Brabant

Geldig sinds 01 januari 2008. Versies
Geldig tot 01 maart 2010.

Inhoud van deze regeling

Provinciale Staten van Noord-Brabant;

besluiten vast te stellen de volgende verordening:

Hoofdstuk 1. Algemeen

Artikel 1.1

In deze verordening wordt verstaan onder: a. de wet: de Wet milieubeheer; b. vervallen c. Gedeputeerde Staten: Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant; d. provinciaal milieuprogramma: het provinciale milieuprogramma als bedoeld in artikel 4.14 van de wet; e. een saneringsplan: een plan, bedoeld in artikel 39, eerste lid, van de Wet bodembescherming; f. servicecentrum: servicecentrum als bedoeld in de Wet bodembescherming; g. bijzonder gebied: een gebied als bedoeld in artikel 5.1.1 lid 1; h. kwetsbaar gebied: een gebied als bedoeld in artikel 5.1.1 lid 2; i. afvalwater: alle water waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen; j. huishoudelijk afvalwater: afvalwater afkomstig van particuliere huishoudens en ander afvalwater dat naar zijn aard en samenstelling overeenkomt met afvalwater afkomstig van een particulier huishouden; k. bedrijfsafvalwater: afvalwater, niet zijnde huishoudelijk afvalwater; l. (gecertificeerde) IBA-III: een zuiveringssysteem voor de Individuele Behandeling van afvalwater met een zuiveringsrendement van 95 – 98 %; m. de grondwateronttrekker: de houder van een inrichting als bedoeld in art. 15.34, tweede lid, van de wet.

Hoofdstuk 2. Vervallen

Hoofdstuk 3. Inspraak bij besluiten van algemene strekking

Titel 3.1 Voorbereiding

Artikel 3.1.1

  1. De in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure is van toepassing op de voorbereiding van: a. een provinciaal milieubeleidsplan of integraal milieubeleidsplan; b. een wijziging van het provinciaal milieubeleidsplan of integraal milieubeleidsplan; c. een provinciaal milieuprogramma; d. een wijziging van de provinciale milieuverordening.
  2. De terinzagelegging geschiedt tevens ter secretarie van de in de provincie gelegen gemeenten.
  3. Een ieder kan bij gedeputeerde staten zijn zienswijze omtrent het ontwerp naar voren brengen.
  4. Het eerste, tweede en derde lid zijn niet van toepassing op de voorbereiding van een besluit als bedoeld in het eerste lid, onder d, indien dit belsuit geen wijzgingen van beleidsinhoudelijke aard bevat.

Artikel 3.1.2

Vervallen

Titel 3.2 Beklag

vervallen

Hoofdstuk 4. Algemeen provinciaal milieubeleid

Titel 4.1 Milieukwaliteitseisen

Gereserveerd

Titel 4.2 Instructies voor vergunningen voor inrichtingen en voor lozingen op oppervlaktewateren

Artikel 4.2.1

In deze titel wordt verstaan onder: a. wet: de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (wet van 13 november 1969, houdende regelen omtrent de verontreiniging van oppervlaktewateren); b. lozing: een lozing van huishoudelijk- of bedrijfsafvalwater die rechtstreeks of via een werk op oppervlaktewater plaatsvindt. Via een werk kan zijn dat het afvalwater via een op een vaste plaats gelegen afvoer of lozingspijp en al dan niet na voorzuivering op oppervlaktewater wordt geloosd. Indien door de waterkwaliteitsbeheerder voor de lozing een vervuilingheffing wordt geheven, wordt de lozing gezien als een oppervlaktewaterlozing.

Artikel 4.2.2

  1. Indien het bevoegd gezag een vergunning krachtens artikel 1 van de wet verleent voor een lozing in kwetsbaar gebied, wordt aan de vergunning het voorschrift verbonden dat lozing geschiedt via een voorziening die voldoet aan de eisen van een (gecertificeerde) IBA-III.
  2. Het in het voorgaande lid genoemde voorschrift wordt alleen aan de vergunning verbonden indien niet op grond van andere regelgeving de verplichting tot aansluiting op de riolering bestaat.
  3. Het in het eerste lid genoemde voorschrift wordt door het bevoegd gezag uiterlijk binnen het nog niet verstreken deel van een redelijke afschrijvingstermijn van de voorziening verbonden aan reeds voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel verleende vergunningen voor lozingen op oppervlaktewater anders dan via een voorziening die voldoet aan de eisen van een (gecertificeerde) IBA-III.

Titel 4.3 Afvalstoffen

Artikel 4.3.0

In deze titel wordt verstaan onder: a. inzamelen: ophalen van bedrijfs- of gevaarlijke afvalstoffen bij een persoon die zich van die afvalstoffen ontdoet door afgifte aan degene die die afvalstoffen ophaalt; b. vervallen; c. meldingenpunt: de Stichting Landelijk Meldingenpunt Afvalstoffen, opgericht door de gezamenlijke provincies; d. vervallen; e. Groene lijst van afvalstoffen: bijlage II van de verordening (EEG) nr. 259/93 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 1 februari 1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap (PbEG L30); f. het Bouwstoffenbesluit: Het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterbescherming (Stb. 1995, 567); g. bouwstof: een bouwstof als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b. van het Bouwstoffenbesluit, voorzover niet zijnde een primaire grondstof; h. bouw- en slooplocatie: een samenhangend geheel van sloop- en bouwwerkzaamheden op één duidelijk begrensde aaneengesloten locatie; i. secundaire grondstoffen: de na bewerking door een mobiele puinbreekinstallatie verkregen granulaten; j. doelmatige wijze toepassen: het rechtstreeks ter plaatse van de bouw- en slooplocatie (doen) aanbrengen en (doen) houden van secundaire grondstoffen, conform het Bouwstoffenbesluit, welke een omvang hebben van meer dan vijftig gewichtsprocenten van het totaal op deze locatie vrijgekomen en bewerkt steenachtig materiaal, waarbij niet meer secundaire grondstoffen worden gebruikt dan uit civieltechnisch én bouwkundig oogpunt strikt noodzakelijk is; k. werk: een werk als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a van het Bouwstoffenbesluit; l. standaard RAW-bepalingen: standaardbepalingen van de RAW 2000; m. BRL SBC-SL007: beoordelingsrichtlijn van de Stichting Beheer Certificatie voor het procescertificaat slopen; n. BRL 2506: beoordelingsrichtlijn voor het KOMO-productcertificaat voor BSA-granulaten voor toepassing in de betonbouw en wegenbouw en voor het KOMO-attest met productcertificaat voor BSA-granulaten voor toepassing in de wegenbouw en voor het KOMO-attest met productcertificaat voor BSA-granulaten voor toepassing in de grondbouw; o. Menggranulaat: granulaat voortkomend uit het breken van metselwerk en beton, zodanig dat het mengsel voor ten minste 45 procent (m/m) uit beton bestaat.

§ 4.3.1 Huishoudelijke afvalstoffen vervallen

Artikel 4.3.1.1

Vervallen

Artikel 4.3.1.2

Vervallen

Artikel 4.3.1.3

Vervallen

Artikel 4.3.1.4

Vervallen

Artikel 4.3.1.5

Vervallen

§ 4.3.2 Afvalwater

Artikel 4.3.2.1

  1. De aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 10.33, tweede lid, van de wet wordt in vijfvoud ingediend.
  2. De aanvraag bevat ten minste de volgende gegevens en bescheiden: a. het gemeentelijk rioleringsplan bedoeld in artikel 4.22 van de wet of, indien het plan nog niet is vastgesteld, een overzicht van de aanwezige voorzieningen en de overige gegevens, bedoeld in artikel 4.22, tweede lid, van de wet, voor dat deel van de gemeente waarop de aanvraag om ontheffing betrekking heeft; b. een overzicht van de lozingssituatie in dat deel van de gemeente waarop het verzoek om ontheffing betrekking heeft; c. een overzicht van de gevolgen voor het milieu wanneer geen voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater worden getroffen; d. een overzicht van alternatieve voorzieningen voor verwerking van het afvalwater van de betreffende percelen; e. indien over het voornemen van de gemeente tot het achterwege laten van de voorzieningen overleg is gevoerd met de betrokken waterkwantiteitsbeheerder en waterkwaliteitsbeheerder als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de waterhuishouding: de resultaten van dat overleg.

Artikel 4.3.2.2

  1. Op de voorbereiding van een beschikking op de aanvraag om ontheffing als bedoeld in artikel 10.33, tweede lid, van de wet, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
  2. Gedurende de in de Algemene wet bestuursrecht genoemde termijn kan een ieder zijn zienswijze omtrent het ontwerp naar voren brengen bij Gedeputeerde Staten.
  3. Gedeputeerde Staten stellen de betrokken waterkwantiteitsbeheerder en waterkwaliteitsbeheerder, als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de waterhuishouding, en de inspecteur in de gelegenheid advies uit te brengen met betrekking tot de aanvraag om ontheffing en het daarop te nemen besluit.

Artikel 4.3.2.3

  1. Gedeputeerde Staten beslissen op een aanvraag om ontheffing binnen een termijn van twaalf weken na ontvangst van de aanvraag.
  2. Zij kunnen deze termijn eenmaal met ten hoogste twaalf weken verlengen.
  3. Van een verlenging van de termijn stellen Gedeputeerde Staten de aanvrager en de adviseurs, bedoeld in artikel 4.3.2.2, vierde lid, op de hoogte.

Artikel 4.3.2.4

Gedeputeerde Staten kunnen beleidsregels vaststellen waarin de uitoefening van hun bevoegdheden op grond van deze paragraaf nader worden uitgewerkt

§ 4.3.3 Bedrijfsafvalstoffen

Vervallen

Afdeling 1 Algemeen

Artikel 4.3.3.1

Vervallen

Artikel 4.3.3.2

Vervallen

Afdeling 2 Het gescheiden houden van bedrijfsafvalstoffen

Artikel 4.3.3.3 tot en met 4.3.3.6.

Vervallen

Afdeling 3 Het inzamelen van bedrijfsafvalstoffen

Artikelen 4.3.3.7 tot en met 4.3.3.9

Vervallen

Afdeling 4 De melding inzake de afgifte en ontvangst van bedrijfsafvalstoffen

Artikel 4.3.3.10 tot en met 4.3.3.21

Vervallen

Afdeling 5 Provinciegrensoverschrijdend verkeer van bedrijfsafvalstoffen

Artikelen 4.3.3.22 tot en met 4.3.3.25

Vervallen

Afdeling 6 Mobiele installaties

Artikel 4.3.3.26 tot en met 4.3.3.29

Vervallen

§ 4.3.4 Gevaarlijke afvalstoffen

Vervallen

Afdeling 1 Algemeen

Artikel 4.3.4.1

Vervallen

Afdeling 2 De melding inzake de afgifte en ontvangst van gevaarlijke afvalstoffen

Artikel 4.3.4.2 tot en met 4.3.4.9

Vervallen

Afdeling 3 Het inzamelen van gevaarlijke afvalstoffen

Artikelen 4.3.4.10 tot en met 4.3.4.16

Vervallen

§ 4.3.5 Voorschriften voor inrichtingen

Artikel 4.3.5.1

Vervallen

§ 4.3.6 Gemeentelijke samenwerking

Gereserveerd

Titel 4.4 Gebruik van gesloten stortplaatsen

Artikel 4.4.1. Begripsbepaling

In deze titel wordt verstaan onder: a. voormalige stortplaats: een stortplaats waar vóór 1 september 1996 het storten van afval is beëindigd; b. gesloten stortplaats: een stortplaats als bedoeld in artikel 8.47, eerste lid, onder c., van de wet; c. hergebruik: nieuwe gebruiksfunctie voor een voormalige of gesloten stortplaats; d. hergebruikplan: het plan, bedoeld in artikel 4.4.5; e. Nota: de Nota “Hergebruik van stortplaatsen”, vastgesteld bij besluit van Gedeputeerde Staten van …. nr…. ….; f. Nazorgplan: het nazorgplan bedoeld in artikel 8.49, derde lid, van de wet; g. nazorgvoorzieningen: de voorzieningen ter bescherming van het milieu, bedoeld in artikel 8.49, eerste en tweede lid, van de wet, dan wel soortgelijke voorzieningen die zijn aangebracht op een voormalige stortplaats; h. werk: grondwerk, wegenbouwkundig werk, waterbouwkundig werk of bouwwerk.

Artikel 4.4.2 Verbodsbepaling

  1. Het is verboden in, op, onder of over een plaats waar de in artikel 8.49 van de wet bedoelde zorg met betrekking tot een gesloten stortplaats wordt uitgevoerd a. werken te maken of te behouden; b. stoffen of voorwerpen, niet zijnde afvalstoffen, te storten, te plaatsen of neer te leggen, of deze te laten staan of liggen; c. andere dan de onder a of b bedoelde handelingen te verrichten of handelingen na te laten indien ten gevolge daarvan de instandhouding van de maatregelen, bedoeld in artikel 8.49, eerste lid, van de wet, belemmerd kan worden, dan wel de aanwezige nazorgvoorzieningen beschadigd kunnen worden.
  2. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. het treffen van maatregelen volgens een nazorgplan waarmee gedeputeerde staten hebben ingestemd; b. handelingen waarvoor het in artikel 8.1, eerste lid, van de wet gestelde verbod geldt; c. handelingen verricht binnen een inrichting waarvoor een vergunning krachtens artikel 8.1. van de wet is verleend; d. handelingen ter uitvoering van maatregelen welke zijn opgenomen in een beschikking als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Wet bodembescherming.

Artikel 4.4.3

  1. Het is verboden in, op, onder of over een voormalige stortplaats: a. werken te maken of te behouden; b. stoffen of voorwerpen, niet zijnde afvalstoffen, te storten, te plaatsen of neer te leggen, of deze te laten staan of liggen; c. andere dan de onder a of b bedoelde handelingen te verrichten of handelingen na te laten indien ten gevolge daarvan de aanleg van nazorgvoorzieningen verhinderd kan worden, dan wel de aanwezige nazorgvoorzieningen beschadigd kunnen worden.
  2. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. het treffen van maatregelen volgens een hergebruikplan waarmee gedeputeerde staten hebben ingestemd; b. handelingen waarvoor het in artikel 8.1, eerste lid, van de wet gestelde verbod geldt; c. handelingen verricht binnen een inrichting waarvoor een vergunning krachtens artikel 8.1. van de wet is verleend; d. handelingen ter uitvoering van maatregelen welke zijn opgenomen in een beschikking als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Wet bodembescherming.

Artikel 4.4.4 Ontheffing

  1. Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van de in artikel 4.4.2, eerste lid en artikel 4.4.3, eerste lid, gestelde verboden indien het belang dat de gesloten of voormalige stortplaats geen nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt, zich daartegen niet verzet.
  2. Aan een ontheffing worden in ieder geval voorschriften verbonden die tot doel hebben: a. de bereikbaarheid van de nazorgvoorzieningen te garanderen; b. aantasting van de nazorgvoorzieningen te voorkomen; c. te voorkomen dat de uitvoering van de nazorg anderszins wordt belemmerd.
  3. Op de voorbereiding van een beschikking op de aanvraag om ontheffing, dan wel tot wijziging of intrekking van een ontheffing is de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing.

Artikel 4.4.5 Over te leggen gegevens

  1. De aanvraag voor de ontheffing, bedoeld in artikel 4.4.4, wordt in drievoud bij Gedeputeerde Staten ingediend.
  2. In de aanvraag worden de volgende gegevens overgelegd: a. naam en adres van de aanvrager; b. een beschrijving van het voorgenomen gebruik van de gesloten of voormalige stortplaats en – indien van toepassing - van het gebied waarin de nazorgvoorzieningen zijn gelegen; c. het adres, de kadastrale aanduiding en een kadastrale kaart, waarop het voorgenomen gebruik als bedoeld onder b. is aangegeven; d. de naam en het adres van een ieder die een zakelijk of een persoonlijk recht heeft op het grondgebied onder c; e. een overzicht van de benodigde vergunningen, meldingen en toestemmingen om het voorgenomen gebruik en, indien van toepassing, de aanleg van nazorgvoorzieningen te kunnen realiseren; f. de maatregelen die worden getroffen om:
  3. 1º (indien van toepassing) de aanleg van nazorgvoorzieningen te realiseren; 2º de bereikbaarheid van de nazorgvoorzieningen te garanderen; 3º aantasting van de nazorgvoorzieningen te voorkomen; 4º anderszins de uitvoering van de nazorg niet te belemmeren; g. de wijze van evaluatie van en rapportage over de uitvoering van de onder f bedoelde maatregelen.
  4. De bij de aanvraag om ontheffing behorende stukken worden door of namens de aanvrager gekenmerkt als behorende tot de aanvraag.

Artikel 4.4.6 Hergebruikplan

  1. Degene die een aanvraag om ontheffing als bedoeld in artikel 4.4.4 indient teneinde de voormalige of gesloten stortplaats voor hergebruik in te richten, overlegt tevens een hergebruikplan.
  2. In het hergebruikplan wordt tot uitdrukking gebracht op welke wijze voldaan wordt aan de randvoorwaarden voor hergebruik van voormalige en gesloten stortplaatsen als omschreven in de Nota.
  3. Het hergebruikplan wordt door of namens de aanvrager gekenmerkt als behorende tot de aanvraag om ontheffing.

Artikel 4.4.7 Relatie met vergunningverlening

  1. Het bevoegd gezag dat een besluit neemt op een aanvraag om vergunning krachtens artikel 8.1 van de wet voor een inrichting die behoort tot een categorie die is genoemd in bijlage 1 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, en die zal zijn gelegen op een voormalige of gesloten stortplaats, betrekt bij het besluit het in de Nota opgenomen beleid.
  2. Het bevoegd gezag verbindt aan een vergunning voor een inrichting bedoeld in het eerste lid voorschriften die tot doel hebben: a. de bereikbaarheid van de nazorgvoorzieningen te garanderen; b. aantasting van de nazorgvoorzieningen te voorkomen; c. te voorkomen dat de uitvoering van de nazorg anderszins wordt belemmerd.
  3. Het bevoegd gezag kan afwijken van het gestelde in het tweede lid indien het belang dat de voormalige of gesloten stortplaats geen nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt, zich daartegen niet verzet.
  4. Indien het bevoegd gezag, niet zijnde gedeputeerde staten, voornemens is de vergunning te verlenen, stelt het daarvan gedeputeerde staten in kennis.

Titel 4.5 Overige algemene regels

Gereserveerd

Hoofdstuk 5. Bijzondere gebieden

Titel 5.1 Aanwijzing van bijzondere en kwetsbare gebieden

Artikel 5.1.1

  1. Bijzondere gebieden zijn die gebieden die als zodanig zijn aangewezen in bijlage 6.
  2. Kwetsbare gebieden zijn die gebieden die als zodanig zijn aangewezen in bijlage 6A.
  3. De aanwijzing van de gebieden als bedoeld in lid 1 en 2 geschiedt ter bescherming van het milieu en in het bijzonder ter bescherming van de belangen die voor elk van die gebieden in de genoemde bijlagen zijn aangeduid. Gedeputeerde Staten zijn bevoegd de in de bijlagen 6 en 6A aangegeven grenzen van de gebieden uit te werken.
  4. In afwijking van het bepaalde in artikel 3.1.2 sub c juncto artikel 3.1.1 sub a en c, worden alleen belanghebbenden bij de aanwijziging, inclusief wijziging van een bijzonder gebied, in de gelegenheid gesteld hun zienswijze(n) naar keuze schriftelijk of mondeling naar voren te brengen en wordt de aanwijzing en/of wijziging alleen in de betreffende gemeente(n) ter inzage gelegd.

Artikel 5.1.2

  1. Indien het gebied is aangewezen ter voorkoming of beperking van geluidhinder, dragen Gedeputeerde Staten er zorg voor dat het bijzondere gebied als zodanig goed zichtbaar is aangeduid door middel van borden, waarvan het model door hen wordt vastgesteld.
  2. Indien het gebied een beschermingszone of waterwingebied betreft dat als zodanig is aangewezen in bijlage 6, draagt de grondwateronttrekker er zorg voor dat het bijzondere gebied als zodanig goed zichtbaar is aangeduid door middel van borden, waarvan het model wordt vastgesteld door Gedeputeerde Staten.
  3. De in het eerste en tweede lid bedoelde borden worden geplaatst langs alle verharde openbare wegen en vaarwegen die tot het gebied toegang geven dan wel daaraan grenzen, op of nabij de grens van het gebied.

Titel 5.2 Milieukwaliteitseisen voor bijzondere gebieden

Gereserveerd

Titel 5.3 Milieu-effectrapportage

VERVALLEN

§ 5.3.1 Activiteiten en besluiten ten aanzien waarvan het maken van een milieu-effectrapport verplicht is

Artikel 5.3.1.1

Vervallen

§ 5.3.2 Nadere regels omtrent de indiening en behandeling van een verzoek om een ontheffing van de verplichting tot het maken van een milieu-effectrapport

Artikel 5.3.2.1 tot en met 5.3.2.3

Vervallen

§ 5.3.3 Overige bepalingen

Artikel 5.3.3.1

Vervallen

Titel 5.4 Instructies voor vergunningen voor inrichtingen in bijzondere gebieden

Artikel 5.4.1

  1. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder een inrichting verstaan een inrichting die behoort tot een categorie van inrichtingen die is aangewezen in bijlage 9. Voor zover in die bijlage bij een categorie van inrichtingen categorieen van gevallen zijn aangewezen, zijn de volgende leden van dit artikel slechts in zodanige gevallen van toepassing.
  2. Indien het bevoegd gezag een vergunning krachtens artikel 8.1 van de wet verleent voor een inrichting die is of zal zijn gelegen in een bijzonder gebied, worden aan de vergunning in ieder geval de beperkingen aangebracht en de voorschriften verbonden waarvan de inhoud is aangegeven in bijlage 9, voor zover in die bijlage is aangegeven dat deze van toepassing zijn op de betreffende categorie van inrichtingen.
  3. Het bevoegd gezag, gehoord Gedeputeerde Staten en de beheerder van het grondwaterwingebied, kan afwijken van de voorschriften en beperkingen als bedoeld in het tweede lid met dien verstande dat wordt gewaarborgd dat de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning wordt beschermd Het bevoegd gezag kan, voor zover dit is aangegeven in bijlage 9, afwijken van de beperkingen en voorschriften als bedoeld in het tweede lid, dan wel nadere eisen stellen. Een nadere eis wordt gesteld als voorschrift dat aan de vergunning wordt verbonden.
  4. Op de voorbereiding van een afwijkingsbesluit als bedoeld in het derde lid is de in afdeling 3.4. van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing;
  5. De in het tweede lid bedoelde beperkingen en de in dat lid bedoelde voorschriften worden door het bevoegd gezag binnen 10 jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel aan de reeds op dat moment verleende vergunningen voor inrichtingen aangebracht respectievelijk verbonden, tenzij in bijlage 9 daarvoor een ander tijdstip is aangegeven.

Titel 5.4A Instructies voor vergunningen voor inrichtingen in kwetsbare gebieden

Artikel 5.4A.1

  1. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder een inrichting verstaan een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, gelegen in de bij verordening aangewezen kwetsbare gebieden.
  2. Als categorieën van gevallen worden aangewezen die inrichtingen die huishoudelijk afvalwater of bedrijfsafvalwater lozen, zoals bedoeld in art. 1.1 PMV.
  3. Indien het bevoegd gezag een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de wet verleent voor een inrichtring als bedoeld in het eerste lid, wordt in die vergunning bepaald dat men zich dient te ontdoen van huishoudelijk of bedrijfsafvalwater door middel van een lozing op het gemeentelijke rioolstelsel of door middel van een lozing via een voorziening die voldoet aan de eisen van een (gecertificeerde) IBA-III.
  4. Het voorafgaande lid is niet van toepassing op bij de inwerkingtreding van deze bepaling bestaande wettelijke toegestane alternatieven binnen de agrarische bedrijfsvoering.
  5. Het in het derde lid genoemde voorschrift wordt door het bevoegd gezag uiterlijk binnen het nog niet verstreken deel van een redelijke afschrijvingstermijn van de voorziening verbonden aan reeds voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel verleende vergunningen voor lozingen in de bodem anders dan via een voorziening die voldoet aan de eisen van een (gecertificeerde) IBA-III.

Titel 5.5 Rechtstreeks werkende regels voor gedragingen in bijzondere gebieden

Artikel 5.5.1

  1. Ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten in een bijzonder gebied het bijzondere belang met het oog waarop het gebied als bijzonder gebied is aangewezen, wordt of kan worden geschaad, is verplicht dergelijk handelen achterwege te laten -behoudens voor zover dat ingevolge deze verordening uitdrukkelijk is toegestaan- dan wel, indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die schade te voorkomen, dan wel indien die schade zich voordoet, deze zoveel mogelijk te beperken en de gevolgen daarvan zoveel mogelijk te beperken en ongedaan te maken.
  2. Het eerste lid is niet van toepassing: a. op handelingen verricht in inrichtingen waarvoor het in artikel 8.1, eerste lid, van de wet gestelde verbod geldt; b. op de agrarische bedrijfsvoering in gebieden als bedoeld in artikel 1.2, vijfde lid, laatste volzin, van de wet; c. voor zover artikel 2 van de Wet milieugevaarlijke stoffen, artikel 14 van de Wet bodembescherming of artikel 10.3 van de wet van toepassing is.

Artikel 5.5.2

  1. In een bijzonder gebied gelden de in bijlage 10 omschreven regels voor zover deze regels in bijlage 6 voor dat gebied van toepassing zijn verklaard.
  2. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. de agrarische bedrijfsvoering in gebieden als bedoeld in artikel 1.2, vijfde lid, laatste volzin, van de wet; b. gedragingen die betrekking hebben op het oprichten, veranderen of in werking hebben van een inrichting, tenzij in bijlage 10 anders is bepaald.

Titel 5.5A Rechtstreeks werkende regels voor gedragingen in kwetsbare gebieden

Artikel 5.5A.1

  1. In kwetsbare gebieden is het lozen van huishoudelijk- of bedrijfsafvalwater in de bodem of op het oppervlaktewater verboden, tenzij lozing plaatsvindt via een voorziening die voldoet aan de eisen van een (gecertificeerde) IBA-III.
  2. Het verbod op grond van het eerste lid geldt met ingang van de eerste dag volgend op het nog niet verstreken deel van een redelijke afschrijvingstermijn van een reeds voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel geplaatste voorziening.
  3. Het eerste lid is niet van toepassing indien lozen is toegestaan op grond van andere wettelijke bepalingen.
  4. Het eerste lid is tevens niet van toepassing indien op grond van wettelijke bepalingen aansluiting op de riolering verplicht is, dan wel aansluiting op de riolering binnen een in die wettelijke bepalingen vastgelegde termijn verplicht wordt.

Titel 5.6 Overige regels in bijzondere gebieden

§ 5.6.1 Toetsing ammoniakreductie-plannen

Artikel 5.6.1.1

Vervallen.

§ 5.6.2 Adviseurs bij vergunningverlening in bijzondere gebieden

Artikel 5.6.2.1

Met betrekking tot een aanvraag om een vergunning voor een inrichting gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied, waarop Burgemeester en Wethouders of Gedeputeerde Staten bevoegd zijn te beslissen, wordt naast de in artikel 8.7, eerste lid, onder a en b, van de wet aangewezen adviseurs tevens als adviseur aangewezen het waterleidingbedrijf dat in het betreffende gebied een inrichting ten behoeve van de grondwateronttrekking heeft met het oog waarop dit gebied wordt beschermd.

Hoofdstuk 6. Bodemsanering

Titel 6.1 Voorbereiding

Artikel 6.1.1 (nieuw)

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. saneringsplan: een plan als bedoeld in artikel 39, eerste lid, van de Wet bodembescherming; b. saneringsverslag: een verslag als bedoeld in artikel 39c, eerste lid, van de Wet bodembescherming; c. nazorgplan: een nazorgplan als bedoeld in artikel 39d van de Wet bodembescherming.

Artikel 6.1.2

  1. Op de voorbereiding van een beschikking als bedoeld in de artikelen 29 en 39, tweede lid, van de Wet bodembescherming is afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing. Dit met dien verstande dat de ontwerp-beschikking gedurende zes weken ter inzage wordt gelegd ten kantore van het provinciehuis en ten kantore van de gemeente waar een onderzoeksgeval, saneringsonderzoek of sanering aan de orde is.
  2. Voor de toepassing van de Algemene wet bestuursrecht worden als een aanvraag tot het nemen van een beschikking aangemerkt: a. de indiening van het rapport van het nader onderzoek; b. het doen van een melding als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Wet bodembescherming; c. de indiening van het saneringsplan; d. de indiening van het saneringsverslag; e. de indiening van het nazorgplan.
  3. Gedeputeerde Staten kunnen besluiten dat de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure niet wordt toegepast indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat aan de toepassing van die procedure geen behoefte bestaat.
  4. Indien Gedeputeerde Staten toepassing geven aan het derde lid, vermelden zij dit in de kennisgeving, bedoeld in artikel 28, vijfde lid van de Wet bodembescherming.

Artikel 6.1.3

  1. Voordat Gedeputeerde Staten overgaan tot sanering van een geval van ernstige verontreiniging stellen zij een saneringsplan vast.
  2. Op de voorbereiding van een besluit tot vaststelling van een saneringsplan is de in de afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing.
  3. Gedeputeerde Staten kunnen besluiten dat de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure niet wordt toegepast indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat aan de toepassing van die procedure geen behoefte bestaat.
  4. Indien Gedeputeerde Staten toepassing geven aan het derde lid, doen zij hiervan mededeling in één of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huis-bladen.

Titel 6.2 Indiening van bescheiden

Artikel 6.2

Vervallen

Artikel 6.2.1

  1. Voor de indiening van: - de melding als bedoeld in artikel 28, eerste lid - het saneringsverslag als bedoeld in artikel 39c - het nazorgplan als bedoeld in artikel 39d -meldingen als bedoeld in artikel 6.10.1, eerste lid van de Wet bodembescherming wordt gebruik gemaakt van een door Gedeputeerde Staten vastgesteld formulier. Het kan in deze gevallen ook gaan om een elektronische versie van het formulier.
  2. Het meldingsformulier, het rapport van het nader onderzoek en het saneringsplan, inclusief daaraan ten grondslag liggende onderzoeken, worden, voor zover geen sprake is van een elektronische versie, minimaal in vijfvoud bij Gedeputeerde Staten ingediend.
  3. Het saneringsverslag en het nazorgplan, inclusief daaraan ten grondslag liggende onderzoeken, worden, voor zover geen sprake is van een elektronische versie, minimaal in vijfvoud bij Gedeputeerde Staten ingediend.

Titel 6.3 Het saneringsplan

Artikel 6.3.1

Vervallen

Artikel 6.3.2

  1. Onverminderd de eisen die op grond van artikel 39, eerste lid van de Wet bodembescherming worden gesteld dienen in het saneringsplan de volgende gegevens te worden vermeld of te worden overgelegd: a. Algemene gegevens: 1° het adres, kadastrale aanduiding (incl. datum) en een topografische kaart met X en Y coördinaten waarop de oppervlakte en de ligging van het grondgebied waar de verontreiniging zich bevindt is aangegeven; 2° een kadastrale kaart , schaal 1: 1000, 1:2000 of 1: 2500 (inclusief datum en noordpijl) , waarop het geval van verontreiniging is aangegeven, die uiterlijk drie maanden voor de indiening van het saneringsplan door het kadaster is afgegeven en waarop eveneens de direct aan dit geval grenzende percelen zijn aangegeven; 3° een uittreksel van het kadaster waaruit de huidige eigendomssituatie blijkt, dat uiterlijk drie maanden voor de indiening van het saneringsplan door het kadaster is afgegeven; 4° het gebruik van de locatie; de voormalige, huidige en eventueel toekomstige functie van de locatie; 5° de naam en het adres van degene in wiens opdracht de sanering zal plaatsvinden; 6° de naam en het adres van degene die een zakelijk of een persoonlijk recht heeft op het grondgebied als bedoeld onder 1º, alsmede van de gebruiker daarvan; 7º een beschrijving van de omvang en periode van ontstaan verontreiniging; 8º een definitie van het geval van verontreiniging; 9° een beschrijving van de bodemkundige opbouw en de geohydrologische situatie; 10° een tijdschema waarop in ieder geval is aangegeven de datum waarop met de sanering naar verwachting zal worden begonnen en de datum waarop de sanering naar verwachting zal zijn afgerond. Indien de sanering in fasen worden uitgevoerd dient de voorgenomen fasering in het schema te worden vermeld en het verzoek om een besluit als bedoeld in artikel 38, derde lid, van de Wet bodembescherming te zijn bijgevoegd; 11° een specificatie van de bij de uitvoering van de sanering betrokken bedrijven en instanties; 12° een overzicht van de benodigde vergunningen, meldingen en toestemmingen om het werk te kunnen uitvoeren; 13° - een beschrijving van de wijze waarop de milieukundige begeleiding plaatsvindt; - een ontgravingskaart, een grondwateronttrekkingskaart en, indien van toepassing, een kaart met het in-situ systeem; - een raming van de totale oppervlakte (in m2) en omvang (in m3) van verontreinigde grond, omsloten door de streef- respectievelijk interventiewaarde contour waar de sanering betrekking op heeft; - een raming van het totale volume (in m3) van verontreinigd grondwater omsloten door de streef- respectievelijk interventiewaardecontour waar de sanering betrekking op heeft; b. Keuze saneringsvariant: 1° de gekozen saneringsvariant met het saneringsdoel; 2º de al dan niet aanwezigheid van gebiedsgerichte verbijzondering; c. Beschrijving saneringsmaatregelen 1° een beschrijving van de maatregelen die de sanering mogelijk moeten maken; 2° vervallen; 3° een beschrijving van de te treffen hydrologische voorzieningen met de gekozen dimensionering en de invloed hiervan op de omgeving; 4° indien verontreinigde grond zal worden afgegraven of verontreinigd grondwater zal worden onttrokken: -de hoeveelheid van die grond of dat grondwater; -indien de grond of het grondwater geheel of gedeeltelijk niet zal worden gereinigd, de redenen daarvoor; 5° gegevens over de bestemming van overige afvalstromen die, naast de verontreinigde grond, vrijkomen bij de sanering; 6° gegevens over de hoeveelheid, kwaliteit en herkomst van de eventueel te gebruiken aanvulgrond; 7° Indien van toepassing: een beschrijving van de wijze waarop de verschillende categorieën vrijkomende grond in depot wordt gezet inclusief een overzicht waarop de plaats van het depot/de depots staan aangegeven met inbegrip van de beschermende voorzieningen; 8° een beschrijving van de maatregelen die overlast als gevolg van de sanering voorkomen of zoveel mogelijk beperken; 9° een beschrijving van de veiligheids- en arbeidshygiënische aspecten; 10° een beschrijving van de ligging van kabels en leidingen; 11° een beschrijving van de wijze waarop, met inachtneming van het bepaalde in artikel 6.10.1, lid 3, de voortgang van de grondwatersanering wordt gecontroleerd en hoe over de voortgang wordt gerapporteerd.
  2. Verder dienen te worden overgelegd alle overige verplichte gegevens zoals die voorkomen in de in artikel 6.2.1, lid 1 bedoelde gegevensdrager.
  3. Onverminderd het bepaalde in artikel 39, eerste lid, van de Wet bodembescherming kan het vermelden in het saneringsplan van gegevens, als bedoeld in het eerste lid, achterwege blijven indien: a. bij indiening van het plan wordt aangegeven welke gegevens ontbreken, en b. daarbij de reden wordt aangegeven waarom de gegevens ontbreken, en c. die gegevens naar het oordeel van Gedeputeerde Staten niet noodzakelijk zijn voor de beoordeling van het saneringsplan.

Artikel 6.3.3

  1. Indien de sanering, geheel of gedeeltelijk plaatsvindt binnen het waterwingebied (titel 2 van bijlage 10B), de 25-jaars beschermingszone (titel 3 van bijlage 10B) of de 100-jaars beschermingszone (titel 3A van bijlage 10B) dient het saneringsplan gericht te zijn op volledige verwijdering van de verontreiniging. Als dit niet kosteneffectief is, dient het saneringsplan gericht te zijn op een stabiele eindsituatie, inhoudende dat de contouren van een eventuele restverontreiniging zich niet verspreiden.
  2. Ingeval van sanering van grondwater in de gebieden als hiervoor in lid 1 genoemd dient het saneringsplan gericht te zijn op het bereiken van de streefwaarde of de (verhoogde) achtergrondwaarde. Indien dit niet haalbaar blijkt, dient te worden aangegeven op welke wijze de risico’s voor het grondwater, als grondstof voor drinkwater, worden weggenomen.
  3. Indien de sanering, geheel of gedeeltelijk plaatsvindt binnen het waterwingebied (titel 2 van bijlage 10B), de 25-jaars beschermingszone (titel 3 van bijlage 10B) of de 100-jaars beschermingszone (titel 3A van bijlage 10B) dient uit het saneringsplan te blijken dat: - hulpstoffen voor een in-situ-sanering geen risico vormen voor het grondwater als grondstof voor drinkwater; - indien en zover dit niet al voortvloeit uit artikel 39, eerste lid sub h onder 1 van de Wet bodembescherming ijkmomenten zijn aangegeven bij het verloop van de sanering ; - de afbraak van restproducten inzichtelijk wordt gemaakt; -indien en voor zover dit niet al voortvloeit uit de artikel 39, eerste lid sub h onder 2 van de Wet bodembescherming een terugvalscenario voor een conventionele sanering is opgenomen voor het geval dat de saneringsdoelstelling niet door middel van de in-situ-sanering kan worden behaald.

Titel 6.4 Betrokkenheid bij de uitvoering

Artikel 6.4.1

  1. Indien Gedeputeerde Staten opdracht geven om een nader onderzoek, een saneringsonderzoek of een sanering uit te voeren, stellen zij ter begeleiding van dat onderzoek respectievelijk die sanering een projectgroep in, tenzij redelijkerwijs kan worden aangenomen dat daaraan geen behoefte bestaat.
  2. In andere gevallen dan bedoeld in het eerste lid bevorderen Gedeputeerde Staten dat degene die een nader onderzoek, een saneringsonderzoek of een sanering laat uitvoeren, ter begeleiding van dat onderzoek respectievelijk die sanering een projectgroep instelt, tenzij redelijkerwijs kan worden aangenomen dat daaraan geen behoefte bestaat.

Artikel 6.4.2

  1. Een projectgroep heeft tot taak degene die het onderzoek respectievelijk de sanering laat uitvoeren, haar zienswijze te geven over de uitvoering van dat onderzoek respectievelijk die sanering.
  2. Een projectgroep bestaat ten minste uit: a. een vertegenwoordiger van degene die het onderzoek respectievelijk de sanering laat uitvoeren; b. een vertegenwoordiger van de ingezetenen van die gemeente en anderen bij de uitvoering van het nader onderzoek, het saneringsonderzoek of de sanering van dat geval betrokken belang hebbende natuurlijke en rechtspersonen.
  3. Indien Gedeputeerde Staten of Burgemeester en Wethouders van de betrokken gemeente niet het onderzoek respectievelijk de sanering laten uitvoeren, worden zij in de gelegenheid gesteld een vertegenwoordiger aan te wijzen die de vergaderingen van de projectgroep kan bijwonen.

Artikel 6.4.3

Vervallen

Titel 6.5 Beklag

Vervallen

Titel 6.6 Bijzondere regels inzake sanering van de waterbodem

Artikel 6.6.1

  1. Op het saneringsplan als bedoeld in artikel 63e van de Wet bodembescherming, is artikel 6.3.2, van overeenkomstige toepassing. Daarnaast gelden aanvullend de navolgende gegevens: a. de naam en de functie van het oppervlaktewater; b. de wijze waarop de waterkwantiteitsbeheerder van het beheersgebied waarin zich de verontreiniging bevindt, en de betrokken waterkwaliteitsbeheerder - voor zover deze niet zelf met de sanering is belast - bij de uitvoering van de sanering worden betrokken; c. de hoeveelheid te verwijderen waterbodem, onderverdeeld in de hoeveelheid onderhoudsbaggerspecie en de hoeveelheid saneringspecie en in de klassen I tot en met IV; d. hoeveelheid en kwaliteit van op de waterbodem aan te brengen sediment.

Artikel 6.6.2

Met betrekking tot het instemmen met het saneringsplan is artikel 6.1.2 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6.6.3

De waterkwaliteitsbeheerder verschaft Gedeputeerde Staten de informatie omtrent de resultaten van de door hem uitgevoerde sanering en de besteding van de daarvoor aan hem toegekende gelden, overeenkomstig de voorschriften die Gedeputeerde Staten stellen bij het verlenen van een bijdrage.

Artikel 6.6.4

In de aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 63i, eerste lid, onder c, van de Wet bodembescherming worden vermeld: a. de risico's ten aanzien van de verspreiding van de achterblijvende ernstige verontreinigingen, alsmede de wijze waarop deze risico's worden geminimaliseerd; b. de bestemming van de vrijkomende baggerspecie en de eventuele fracties daarvan.

Titel 6.7 Wijziging saneringsplan

Artikel 6.7.1

Bij een melding tot wijziging van het saneringsplan als bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de Wet bodembescherming dienen de volgende gegevens te worden verstrekt: a. alle gegevens die afwijken van het saneringsplan waarmee Gedeputeerde Staten op grond van artikel 39, tweede lid, van de Wet bodembescherming hebben ingestemd; b. de inhoud van de wijziging; c. de reden van de wijziging; d. de gevolgen van de wijziging voor de saneringsdoelstelling en de te treffen saneringsmaatregelen; e. of en in hoeverre de uitvoering van de wijziging verandering brengt in het tijdstip waarop de sanering naar verwachting zal zijn afgerond.

Titel 6.8 Saneringsverslag

Artikel 6.8.1

  1. Onverminderd de eisen die op grond van artikel 39c, eerste lid van de Wet bodembescherming aan een saneringsverslag worden gesteld, dienen in het saneringsverslag de volgende gegevens te worden vermeld of te worden overgelegd. a. het adres, de kadastrale aanduiding (incl. datum en noordpijl) en een topografische kaart met daarop de ligging van het grondgebied van de sanering; b. een kadastrale kaart waarop de saneringscontouren, saneringsdiepten en de eventuele restverontreinigingen zijn aangegeven die uiterlijk drie maanden voor de indiening van het saneringsverslag door het kadaster is afgegeven; c. een uittreksel van het kadaster waaruit de huidige eigendomssituatie blijkt dat uiterlijk drie maanden voor de indiening van het saneringsverslag door het kadaster is afgegeven; d. het huidige en eventueel het toekomstige gebruik van de locatie; e. de naam en het adres van degene in wiens opdracht de sanering heeft plaatsgevonden; f. de naam en het adres van degene die een zakelijk of persoonlijk recht heeft op het grondgebied, alsmede van de gebruiker daarvan; g. de aanduiding van het type sanering (volledig, gefaseerd, deelsanering); h. de daadwerkelijk ontgraven hoeveelheid grond, onderverdeeld naar de verontreinigingsgraad; i. gesaneerde oppervlakte (in m2) en omvang (in m3) van verontreinigde grond omsloten door de streef- respectievelijk interventiewaardecontour; j. gesaneerd volume grondwater (in m3) van verontreinigd grondwater, omsloten door de streef- respectievelijk interventiewaardecontour; k. een samenvatting van de verontreinigingsituatie voor de uitvoering van de sanering; l. de (behaalde) doelstelling van de sanering voor grond en grondwater met een verwijzing naar het goedgekeurde saneringsplan (met rapportnummer) en de datum van het bijbehorende goedkeuringsbesluit; m. gegevens over het verloop van de sanering (incl. tijdstippen van de uitvoering); n. de ingevolge artikel 39, vierde lid van de Wet bodembescherming gemelde afwijkingen ten opzichte van het (goedgekeurde) saneringsplan met een beschrijving van de aangetroffen afwijking dan wel een beschrijving van de afwijkende uitvoering van de sanering. o. De op grond van artikel 38, vierde lid en artikel 39, vijfde lid van de Wet bodembescherming door Gedeputeerde Staten gegeven aanwijzingen naar aanleiding van meldingen bij de gefaseerde uitvoering en naar aanleiding van de meldingen van afwijking van het saneringsplan; p. een beschrijving van de afmetingen van ontgravingen, van de analyseresultaten van de controlegrondmonsters, depotmonsters, in- en effluentmonsters en monsters uit waarnemingsfilters alsmede een bespreking van de consequenties; q. een overzicht van de daadwerkelijk gemaakte saneringskosten waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen de kosten van onderzoek en de kosten van sanering; r. alle overige verplichte gegevens zoals die voorkomen in de in artikel 6.2.1, lid 1 bedoelde gegevensdrager.
  2. Onverminderd het bepaalde in artikel 39c, eerste lid van de Wet bodembescherming kan het vermelden in het saneringsverslag van gegevens als bedoeld in het eerste lid achterwege blijven indien: a. bij de indiening van het plan wordt aangegeven welke gegevens ontbreken; b. daarbij de reden wordt aangegeven waarom die gegevens ontbreken, en c. die gegevens naar het oordeel van Gedeputeerde Staten niet noodzakelijk zijn voor de beoordeling van het saneringsverslag.

Titel 6.9 Nazorgplan

Artikel 6.9.1

  1. Onverminderd de eisen, die op grond van artikel 39d van de Wet bodembescherming aan het nazorgplan worden gesteld, dienen in het nazorgplan de volgende gegevens te worden vermeld of te worden overgelegd: a. Het adres, de kadastrale aanduiding (incl. jaartal) met daarop de ligging van het grondgebied van de sanering; b. Het huidig en toekomstig gebruik van de locatie waarop het nazorgplan betrekking heeft; c. Samenvatting van de bodemopbouw en de geohydrologische situatie en vermelding van de kwetsbare objecten ter plaatse van of nabij de locatie; d. Beschrijving van de verontreinigingssituatie bij de aanvang van de nazorg; e. Een tijdschema voor de uitvoering van de nazorg; f. Beschrijving (van de historie) van de verontreinigingssituatie op de locatie bestaande uit: - Een overzicht van de op de locatie uitgevoerde bodemonderzoeken, opgestelde saneringsplannen, besluiten die in het kader van de Wbb voor de onderhavige locatie zijn genomen en de op de locatie uitgevoerde saneringen; - Kaarten met noordpijl waarop de verontreinigingssituatie (grond en/ of grondwater) voor aanvang van de sanering is weergegeven; - Kaarten met noordpijl waarop de diepte van de ontgravingsgebieden met de contouren in het horizontale vlak en doorsneden is weergegeven. Tevens dienen op de kaart de eventuele ontgravingsvoorzieningen en/of tijdelijke voorzieningen te worden weergegeven. - Kaarten met noordpijl met daarop: º de aard en omvang van de restverontreinigingen in zowel grond als grondwater; º de aard en omvang van de gebruiksbeperkingen; º de ligging van signaleringsdoek (doorsneden), isolerende maatregelen en damwanden ºde situering van de monitoringspeilbuizen ºde situering van drains en pompen ºde invloed van de onttrekking op de omgeving (isohypsen). g. Een omschrijving van de aanpak van beveiligings- en monitoringsmaatregelen alsmede van de wijze waarop de passieve en/ of actieve nazorg wordt gewaarborgd; h. Een beschrijving van de gebruiksbeperkingen als gevolg van nazorgmaatregelen en van de wijze waarop de gebruiksbeperkingen worden geregistreerd en gecontroleerd; i. Een aanduiding van het scenario bij het eventueel falen van voorzieningen en handelingen bij calamiteiten; j. indien een ander dan degene die de bodem heeft gesaneerd in het nazorgplan wordt belast met de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de nazorgmaatregelen: een afschrift van de hiertoe strekkende contractuele afspraken; k. alle overige verplichte gegevens zoals die voorkomen in de artikel 6.2.1, lid 1 bedoelde gegevensdrager.
  2. Indien de maatregelen inhouden het regelmatig inspecteren van de beheers- en/ of isolotievoorzieningen die ter uitvoering van de sanering zijn aangebracht dienen de volgende gegevens te worden verstrekt: - een beschrijving van de wijze en de tijdstippen waarop de instandhouding van de voorzieningen worden gewaarborgd en gecontroleerd; - de wijze en de tijdstippen waarop hierover verslag wordt gedaan aan het bevoegd gezag.
  3. Indien de maatregelen inhouden het periodiek monitoren van de restverontreiniging: - het monitoringsprogramma (wijze en het tijdstip waarop monitoring plaats vindt, inclusief benoemen van peilbuizen en de te verrichten analyses en frequentie van bemonstering); - een beschrijving van de vastgestelde signaal- en actiewaarden en bijbehorende akties; - de wijze en tijdstippen waarop hierover verslag wordt gedaan aan het bevoegd gezag.
  4. Indien de maatregelen inhouden het isoleren van de achtergebleven verontreiniging dient een beschrijving te worden gegeven van de wijze waarop het betrokken gebied wordt beheerd.
  5. Een beschrijving van de handelwijze bij eventueel wijziging van het gebruik van de locatie.
  6. Een beschrijving van de handelwijze bij eventuele graafwerkzaamheden op de locatie.
  7. Een beschrijving van de gebruiksbeperkingen in relatie tot de nazorg.
  8. Onverminderd het bepaalde in artikel 39d, eerste lid van de Wet bodembescherming kan het vermelden in het nazorgplan van gegevens als bedoeld in het eerste lid achterwege blijven indien: a. bij de indiening van het plan wordt aangegeven welke gegevens ontbreken; b. daarbij de reden wordt aangegeven waarom die gegevens ontbreken, en c. die gegevens naar het oordeel van Gedeputeerde Staten niet noodzakelijk zijn voor de beoordeling van het nazorgplan.

Titel 6.10 Toezicht en handhaving

Artikel 6.10.1

  1. De uitvoerder van een grond- en/of grondwatersanering doet tenminste twee en ten hoogste zes weken voor aanvang van de sanering hiervan mededeling aan Gedeputeerde Staten. Hij meldt tevens uiterlijk 2 werkdagen tevoren het bereiken van de einddiepte bij een ontgraving, alsmede het volledige voltooien van een grondsanering na aanvulling tot peil. In geval van een gefaseerde sanering als bedoeld in artikel 38, derde lid van de Wet bodembescherming dient tenminste 4 weken voor de aanvraag van de verschillende fasen van het gefaseerd saneringsplan een melding te worden gedaan. Gedeputeerde Staten stellen voor deze mededelingen een formulier vast.
  2. Indien sprake is van een grondsanering, respectievelijk grondwatersanering waarbij door Gedeputeerde Staten is ingestemd met een aanpak overeenkomstig artikel 38, derde lid, van de Wet bodembescherming, wordt de beëindiging van iedere afzonderlijke fase op de in het eerste lid beschreven wijze gemeld.
  3. De opdrachtgever van de sanering en/of de uitvoerder dragen tijdens en na de uitvoering van een sanering zorg voor het indienen van voortgangsverslagen: - bij een sanering met een langere duur dan 6 maanden: iedere 6 maanden een voortgangsrapport; - indien een grondsanering wordt uitgevoerd in combinatie met een daarna nog doorlopende grondwatersanering en de totale sanering langer duurt dan 6 maanden: een tussentijds saneringsverslag conform artikel 39 c, eerste lid van de Wet bodembescherming na afronding van de grondsanering en telkens na 6 maanden een voortgangsrapportage over de grondwatersanering. Het eindverslag over de sanering als bedoeld in artikel 39c, eerste lid van de Wet bodembescherming heeft betrekking op de totale sanering. De voortgangsverslagen dienen opgesteld te worden op basis van een door de uitvoerder op de locatie bij te houden logboek.
  4. Voortgangsrapportages worden ingediend binnen een maand na afloop van de periode waar zij betrekking op hebben. Saneringsverslagen en, indien van toepassing nazorgplannen,worden ingediend binnen 8 weken na afronding van de sanering, dan wel het deel van de sanering waar zij betrekking op hebben. Gedeputeerde Staten kunnen naar aanleiding van de voortgangsverslagen aanwijzingen geven over de saneringsvoortgang binnen het kader van de afgegeven beschikking. Er dient conform deze aanwijzingen te worden gehandeld.
  5. Gedeputeerde Staten kunnen naar aanleiding van de voortgangsverslagen aanwijzingen geven over de saneringsvoortgang binnen het kader van de afgegeven beschikking.Er dient conform die aanwijzingen te worden gehandeld.

Titel 6.11 Gebiedsgerichte verbijzondering van beleid

Artikel 6.11.1

De bepalingen uit deze verordening zijn niet van toepassing voor zover sprake is van strijdigheid met regels die voortvloeien uit het door Gedeputeerde Staten dan wel door andere terzake bevoegde gezagen vastgestelde beleid voor gebiedsgerichte verbijzondering.

Titel 6.6 Bijzondere regels inzake sanering van de waterbodem

Artikel 6.6.1 tot en met 6.6.4.

Vervallen

Titel 6.7. Toezicht en handhaving

Artikel 6.7.1. en 6.7.2

Vervallen

Hoofdstuk 7. Ontheffingen

Artikel 7.0

Van de bepalingen van deze verordening en van de daarvan deel uitmakende bijlagen kan een ontheffing als bedoeld in artikel 1.3 van de wet worden verleend voor zover dat bij die bepalingen is aangegeven. Dit hoofdstuk is van toepassing op de totstandkoming van de beschikking op de aanvraag tot het geven van een ontheffing en van de beschikking tot wijziging of intrekking van een ontheffing.

Artikel 7.1

Het bevoegd gezag houdt bij het besluit op de aanvraag om ontheffing in ieder geval rekening met het voor hem geldende milieubeleidsplan.

Artikel 7.2

De ontheffing wordt geweigerd indien door het stellen van beperkingen of voorschriften niet voldoende kan worden tegemoet gekomen aan het belang dat beschermd wordt door de bepaling waarvan ontheffing wordt gevraagd.

Artikel 7.3

  1. Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Dit is slechts mogelijk in het belang ter bescherming waarvan de bepaling van welke ontheffing wordt verleend, is gesteld. Aan een ontheffing worden de voorschriften verbonden, die ter bescherming van dat belang nodig zijn.
  2. Met betrekking tot de ontheffing, de beperkingen waaronder de ontheffing wordt verleend en de aan de ontheffing te verbinden voorschriften zijn de artikelen 8.11, 8.12, 8.13 en 8.16 van de wet van overeenkomstige toepassing.

Artikel 7.4

Een ontheffing geldt voor degene aan wie zij is verleend of voor zijn rechtsopvolgers, tenzij bij de ontheffing anders is bepaald.

Artikel 7.5

  1. Op aanvraag van de houder van een ontheffing kan het bevoegd gezag beperkingen waaronder de ontheffing is verleend, en voorschriften die daaraan zijn verbonden, wijzigen, aanvullen of intrekken, dan wel alsnog beperkingen aanbrengen of voorschriften aan de ontheffing verbinden.
  2. Het bevoegd gezag kan - anders dan op aanvraag van de houder - beperkingen waaronder een ontheffing is verleend, en voorschriften die daaraan zijn verbonden, wijzigen, aanvullen of intrekken, dan wel alsnog beperkingen aanbrengen of voorschriften aan een ontheffing verbinden in het belang dat beschermd wordt door de bepaling waarvan ontheffing is verleend.

Artikel 7.6

  1. Het bevoegd gezag kan een ontheffing geheel of gedeeltelijk intrekken op aanvraag van de houder van de ontheffing, indien het belang dat beschermd wordt door de bepaling waarvan ontheffing is verleend, zich daartegen niet verzet.
  2. Het bevoegd gezag kan - anders dan op aanvraag van de houder - een ontheffing geheel of gedeeltelijk intrekken indien: a. het gebruik maken van de ontheffing ontoelaatbaar nadelige gevolgen heeft voor het belang dat beschermd wordt door de bepaling waarvan ontheffing is verleend, en toepassing van artikel 7.5 redelijkerwijs daarvoor geen oplossing biedt; b. gedurende drie jaar geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de ontheffing; c. in gevallen dat artikel 7.4, tweede lid, van toepassing is of bij de ontheffing is bepaald dat zij niet geldt voor de rechtsopvolgers van degene aan wie zij is verleend: de houder van de ontheffing niet meer degene is die de gedraging waarvoor ontheffing is verleend, uitvoert.

Artikel 7.7

Met betrekking tot de totstandkoming van een beschikking op grond van artikel 7.5 of 7.6 zijn de artikelen 7.1 tot en met 7.3 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 7.8

  1. Een aanvraag om een ontheffing waarvan op de voorbereiding de procedure van afdeling 3.5 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is, wordt in vijfvoud ingediend bij het bevoegd gezag. Andere aanvragen worden in drievoud ingediend, tenzij in deze verordening anders is bepaald.
  2. Een aanvraag bevat in ieder geval: a. een beschrijving van de gedraging waarvoor een ontheffing wordt verzocht, daaronder begrepen gegevens omtrent constructie, afmetingen en het gebruik van installaties of andere werken; b. een of meer kaarten op een zodanige schaal dat een duidelijk beeld wordt verkregen van de plaats waar de gedraging zal plaatsvinden; c. een opgave van de hoeveelheid, de aard en de samenstelling van stoffen ten aanzien waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze van belang zijn voor de nadelige gevolgen voor het milieu die de gedraging kan veroorzaken, alsmede van de te verwachten emissies.

Artikel 7.9

  1. Indien afdeling 3.5 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is op de totstandkoming van het besluit om een ontheffing te verlenen, stelt het bevoegd gezag a. de inspecteur; b. Burgemeester en Wethouders van de gemeente waarin de gedraging waarvoor ontheffing wordt gevraagd, plaatsvindt of zal plaatsvinden, in gevallen waarin zij niet het bevoegd gezag zijn, of c. Gedeputeerden Staten in gevallen waarin ontheffing wordt gevraagd voor een gedraging die plaats vindt of zal plaatsvinden in een bijzonder gebied en zij niet het bevoegd gezag zijn, in de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van de beschikking op de aanvraag.
  2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van het voornemen een beschikking te geven op grond van artikel 7.5 of 7.6.

Artikel 7.10

  1. In het geval een aanvraag om ontheffing of een voornemen een beschikking te geven op grond van artikel 7.5 of 7.6, betrekking heeft op een in bijlage 10, onderdeel B, gesteld verbod, stelt het bevoegd gezag: a. de inspecteur; b. Burgemeester en Wethouders van de gemeente waarin de gedraging waarvoor ontheffing wordt gevraagd, plaatsvindt of zal plaatsvinden; c. de grondwateronttrekker; d. in de gelegenheid advies uit te brengen naar aanleiding van die aanvraag respectievelijk over dat voornemen.
  2. Het bevoegd gezag geeft de beschikking op de aanvraag om ontheffing van een in bijlage 10, onderdeel B, gesteld verbod uiterlijk vier maanden na ontvangst van de aanvraag.
  3. Het bevoegd gezag geeft een beschikking als bedoeld in artikel 7.5 of 7.6 ten aanzien van een ontheffing van een in bijlage 10, onderdeel B, gesteld verbod uiterlijk vier maanden nadat het toepassing heeft gegeven aan het eerste lid.

Hoofdstuk 8. Vergoeding van kosten en schade

Artikel 8.1

Dit hoofdstuk is van toepassing: 1. op de totstandkoming van beschikkingen van Gedeputeerde Staten ingevolge artikel 15.21 juncto artikel 15.20 en ingevolge artikel 15.22 van de wet met betrekking tot de vergoeding van kosten of schade door het van toepassing worden van bepalingen van deze verordening; 2. op de totstandkoming van beschikkingen van Gedeputeerde Staten ingevolge de artikelen 26 en 28 en waar relevant artikel 29 a van de Ontgrondingenwet.

Artikel 8.2

De aanvraag om vergoeding van kosten of schade bevat tenminste de volgende gegevens: a. de bepalingen van deze verordening door het van toepassing worden waarvan de aanvrager zich voor kosten ziet gesteld, dan wel schade lijdt; b. de aard en de omvang van de kosten dan wel de schade; c. de wijze waarop de kosten dan wel de schade naar het oordeel van de aanvrager dienen onderscheidenlijk dient te worden vergoed en, zo een vergoeding in geld wordt gewenst, het bedrag dat naar zijn oordeel voor vergoeding in aanmerking komt.

Artikel 8.3

  1. Gedeputeerde Staten kunnen deskundigen aanwijzen die zijn belast met het adviseren inzake het geven van een beschikking als bedoeld in artikel 8.1.
  2. Gedeputeerde Staten kunnen het advies inwinnen van de in het eerste lid bedoelde deskundigen omtrent een aanvraag om vergoeding of omtrent het voornemen tot een toekenning daarvan uit eigen beweging.
  3. Indien toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, wordt de aanvrager van de beschikking in de gelegenheid gesteld aan die deskundigen zijn aanvraag toe te lichten. Indien Gedeputeerde Staten voornemens zijn uit eigen beweging een beschikking te geven, wordt degene tot wie de beschikking zal zijn gericht, in de gelegenheid gesteld zijn opvattingen omtrent het voornemen aan de deskundigen kenbaar te maken.
  4. Indien de aanvraag om vergoeding of het voornemen tot de toekenning daarvan uit eigen beweging betrekking heeft op kosten dan wel schade door het van toepassing worden van bepalingen van bijlage 10, onderdeel B, en deskundigen zijn aangewezen die zijn belast met het adviseren inzake de toekenning van die vergoeding, wordt de betrokken grondwateronttrekker in de gelegenheid gesteld zijn opvattingen over die aanvraag of dat voornemen aan die deskundigen kenbaar te maken.
  5. De deskundigen brengen advies uit inzake: a. de vraag of de kosten zijn gemaakt, dan wel de schade is geleden door het van toepassing worden van bepalingen van deze verordening; b. de omvang van de kosten dan wel de schade; c. de vraag of de kosten dan wel de schade niet of niet geheel ten laste van de benadeelde behoren onderscheidenlijk behoort te blijven; d. de vraag in hoeverre op een andere wijze in een redelijke vergoeding is of kan worden voorzien; e. de vraag of er aanleiding is voor maatregelen of voorzieningen waardoor de kosten dan wel de schade, anders dan door een vergoeding in geld, kunnen onderscheidenlijk kan worden beperkt of ongedaan gemaakt; f. de hoogte van de toe te kennen vergoeding.
  6. De deskundigen brengen hun advies zo snel mogelijk uit aan Gedeputeerde Staten, doch in elk geval binnen dertien weken na ontvangst van het verzoek om advies. Gedeputeerde Staten zenden een afschrift van het advies aan degene tot wie de beschikking zal zijn gericht, en in een geval als bedoeld in artikel 8.3, vierde lid, tevens aan de grondwateronttrekker. Gedeputeerde Staten vermelden daarbij de termijn waarbinnen zij hun opvattingen omtrent het advies kenbaar kunnen maken.

Artikel 8.4

Indien geen toepassing is gegeven aan artikel 8.3, tweede lid, stellen Gedeputeerde Staten de betrokken grondwateronttrekker in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen voordat zij een beslissing nemen met betrekking tot een vergoeding van kosten dan wel schade door het van toepassing worden van bepalingen van bijlage 10, onderdeel B.

Artikel 8.5

  1. Indien een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 15.20, eerste lid, van de wet, Gedeputeerde Staten verzoekt in te stemmen met de toekenning van een vergoeding van kosten dan wel schade door het aanbrengen van beperkingen of verbinden van voorschriften, waarvan de inhoud is aangegeven in bijlage 9, dient dat verzoek tenminste vergezeld te gaan van: a. indien het bestuursorgaan een aanvraag om een vergoeding heeft ontvangen: een afschrift van die aanvraag en de daarbij gevoegde stukken; b. indien de grondwateronttrekker schriftelijk zijn opvattingen over de aanvraag of het voornemen om een vergoeding toe te kennen heeft kenbaar gemaakt: een afschrift van die opvattingen; c. indien het bestuursorgaan een advies van deskundigen als bedoeld in artikel 15.20, vierde lid, van de wet heeft ingewonnen: een afschrift van dat advies; d. het ontwerp van de beschikking houdende de toekenning van een vergoeding, dan wel, indien het bestuursorgaan de beschikking reeds heeft gegeven, een afschrift van die beschikking.
  2. Indien bij het verzoek niet een afschrift van de opvattingen van de grondwateronttrekker is gevoegd, stellen Gedeputeerde Staten hem in de gelegenheid zijn zienswijze over het verzoek naar voren te brengen.
  3. Gedeputeerde Staten geven de beschikking op het verzoek uiterlijk twee maanden na ontvangst van dat verzoek, of, indien toepassing wordt gegeven aan artikel 8.3, tweede lid, binnen vijf maanden na ontvangst van het verzoek.

Hoofdstuk 9. Handhaving

Artikel 9.1

Een gedraging in strijd met: a. artikel 4.3.3.3, 4.3.3.4, 4.3.3.13, 4.3.3.14, 4.3.3.16, tweede en derde lid, 4.3.3.17, 4.3.3.18, 4.3.3.19, tweede en derde lid, 4.3.3.20, 4.3.4.2, 4.3.4.3, 4.3.4.8, 4.3.4.9, 4.4.2 eerste lid, 4.4.3 eerste lid, 5.5.1, 5.5A.1, 6.10.1 of b. een op grond van artikel 5.5.2 geldende verbodsregel uit bijlage 10 is een strafbaar feit.

Hoofdstuk 10. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 10.1

Vervallen

Artikel 10.2

Vervallen

Artikel 10.3

  1. Ontheffingen op grond van de Verordening grondwaterbeschermingsgebieden Noord-Brabant die handelingen betreffen die niet betrekking hebben op een inrichting als aangewezen krachtens artikel 1.1, derde lid, van de wet, worden gelijk gesteld aan een ontheffing van het bepaalde in onderdeel B van bijlage 10.
  2. Indien de aanvraag tot het geven of wijzigen van een ontheffing van de verordening als bedoeld in het eerste lid is ingediend of het ambtshalve voornemen daartoe is bekend gemaakt voor het tijdstip waarop dit artikel in werking treedt 2), blijft het voor dat tijdstip ten aanzien van zodanige ontheffingen geldende recht van toepassing tot het tijdstip waarop de beschikking onherroepelijk is geworden. Noot 2) Inwerkingtreding 1 maart 1995; Provinciale milieuverordening tranche 2A (prov. Blad nr. 23/95)

Artikel 10.4

De verboden gesteld in de bepalingen 2.1 tot en met 2.5 van bijlage 10 onder A gelden niet ten aanzien van een gedraging die is toegestaan voor het tijdstip waarop die bepalingen ten aanzien van het gebied waarbinnen de gedraging plaats vindt, in werking treden, gedurende zes maanden na dat tijdstip.

Artikel 10.5

Vervallen

Artikel 10.6

Vervallen

Artikel 10.7

Gedeputeerde Staten hebben de bevoegdheid de verwijzingen in deze verordening naar de diverse wetten overeenkomstig de definitieve wetsteksten te vernummeren.

Artikel 10.8

Deze verordening kan worden aangehaald als: Provinciale milieuverordening Noord-Brabant.

Bijlagen

Bijlage 1. Milieukwaliteitseisen

Gereserveerd

Bijlage 2. Instructies voor vergunningen voor inrichtingen en voor lozingen op oppervlaktewateren

Gereserveerd

Bijlage 3. Parameters secundaire grondstoffen

Vervallen

Bijlage 4. Aanwijzing van categorieën van afvalstoffen

Vervallen

Bijlage 5. Gevaarlijke afvalstoffen

Vervallen

Bijlage 6. Aanwijzing bijzondere gebieden

In onderstaande tabel zijn de gebieden genummerd die in afzonderlijke kaartenbundels behorend bij deze bijlage op kaart zijn weergegeven. Op de gebieden die in het milieubeleidsplan zijn aangeduid als grondwaterbeschermingsgebieden is bijlage 10, onderdeel B van toepassing, op de stiltegebieden (onderdeel van milieustimuleringsgebieden in de zin van het plan) bijlage 10, onderdeel A. De regels van bijlage 10, onderdeel B, hebben betrekking op waterwingebieden, 25- en 100-jaars beschermingszones en op boringsvrije zones; of een bepaling van toepassing is blijkt uit het kaartmateriaal, dat aangeeft of er sprake is van een van de vier Categorieën grondwaterbeschermingsgebied.

Het natuurmonument De Groote Peel is als gebied aangewezen waarop bijlage 8 onder B onder 1 van toepassing is. Onder dit natuurmonument wordt verstaan: de gebieden aangewezen door de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij bij besluit van 13 november 1990, kenmerk NMF-90-8859 en bij besluit van 13 november 1990, kenmerk NMF-90-8848, voor zover gelegen op het grondgebied van de provincie Noord-Brabant.

 

Grondwaterbeschermingsgebieden

1. Halsteren

2. Huybergen

3. Ossendrecht

4. Bergen op Zoom

5. Roosendaal

6. Dorst

7. Ginneken

8. Wouw

9. Schijf

10. Seppe

11. Prinsenbosch

12. Oosterhout

13. Genderen

14. Gilze

15. Gilzerbaan

16. Waalwijk

17. Nuland

18. Vlijmen-Helvoirt

19. Haaren

20. Lith

21. Macharen

22. Loosbroek

23. Boxmeer

24. Schijndel

25. Veghel

26. Vierlingsbeek

27. Son

28. Oirschot

29. Vessem

30. Lieshout

31. Vlierden

32. Someren

33. Budel

34. Aalsterweg /Klotputten

35. Groote Heide

36. Helmond

37. Drongelen

38. Welschap

39. Luyksgestel

 

Bijlage 6A Aanwijzing kwetsbare gebieden

In de Nota lozingen buitengebied wordt onderscheid gemaakt naar gebieden die meer of minder kwetsbaar zijn voor verontreinigingen als gevolg van ongezuiverde lozingen van huishoudelijk- en bedrijfsafvalwater. Een gebied is als ‘kwetsbaar’ benoemd indien de waterkwaliteit van het grond- en/of oppervlaktewater van belang is voor de realisatie van de waterkwaliteitsdoelstelling.

Binnen een als ‘kwetsbaar’ benoemd gebied worden andere voorwaarden gesteld voor oppervlaktewater- en bodemlozingen als binnen een ‘niet-kwetsbaar’ gebied. De binnen de kwetsbare gebieden geldende voorwaarden zijn opgenomen in de titels 4.2 en 5.4A en 5.5A van deze verordening. De selectie van de kwetsbare gebieden is opgenomen in voornoemde Nota lozingen buitengebied. Hieronder volgt een omschrijving van de gebieden, die in afzonderlijke kaartenbundels behorend bij deze bijlage op kaart zijn weergegeven. In totaal worden acht verschillende categorieën kwetsbaar gebied onderscheiden.

De geselecteerde kwetsbare gebieden zijn:

  1. Alle stromende wateren met functie waternatuur met daarbij behorende afwateringsgebieden;
  2. Overige wateren met functie waternatuur met daarbij behorende beïnvloedingszone (250m) Het betreft alle vennen en wielen uit het Waterhuishoudingsplan 2003-2006. Daarnaast worden hier enkele kreken aangewezen, te weten: Rietkreekcomplex, Molenkreekcomplex, Lange Water en Rode Weel. Voor deze kreken geldt dat ze niet via wateraanvoer onder invloed van de grote rivieren staan;
  3. Enkele viswateren met daarbij behorende afwateringsgebieden Concreet gaat het hier om de volgende wateren met hun afwateringsgebieden: Aa of Weerijs, Mark ten zuiden van Breda, De Bremer, Donge/Oude Leij, Essche Stroom, Voorste Stroom en de Dommel tussen Boxtel en Den Bosch;
  4. Hydrologisch gevoelige delen van de Groene Hoofdstructuur (natte natuurparels) met daarbij behorende beïnvloedingszone (250m);
  5. Stroomgebied met beschermende maatregelen voor resultaatverplichting natuur, die zijn opgenomen op kaart 8.2 van het Koepelplan ‘De Reconstructie aan zet’ (juni 2001). Het betreft alleen het stroomgebied van de Zandleij en het Helvoirtsche Broek.
  6. Zwemwater met daarbij behorende beïnvloedingszone (250m) Alle zwemwateren worden als kwetsbaar gezien. Daaronder vallen ook de Lithse Ham (campingstrand en gemeentestrand) en de Kraaijenbergse Plas (fase 2 en 3), alhoewel deze zwemwateren onder invloed van Maaswater staan, maar toch de status kwetsbaar gebied krijgen, omdat ze een deels afgesloten verbinding met de Maas hebben, waardoor ze niet doorstroomd worden door Maaswater;
  7. Grondwaterbeschermingsgebieden Dit betreft de waterwingebieden en de 25-jaarszones en voor de zogenaamde ‘zeer kwetsbare grondwaterbeschermingsgebieden’ ook de 100-jaarszone;
  8. Gebieden die vallen onder de Natuurbeschermingswet, Vogelrichtlijn- en Habitat-richtlijn inclusief de daarbij behorende beïnvloedingszone (250m) In beginsel komen alle gebieden die vallen onder de Natuurbeschermingswet, Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijn in aanmerking voor de status ‘kwetsbaar gebied’. Deze gebieden worden reeds gedekt door de bovengenoemde categorieën 1 t/m 7, of het betreft gebieden die uitsluitend bestaan uit droog infiltratiegebied of onderdeel uitmaken van het grote rivieren systeem. In deze gevallen draagt de aanduiding ‘kwetsbaar gebied’ niet bij aan aanvullende bescherming. In de praktijk zijn alleen de Oeffeltermeent, De Bult en het Eendennest als kwetsbaar gebied toegevoegd.

Bijlage 7. Doorwerking gebiedsgerichte milieukwaliteitseisen

Gereserveerd

Bijlage 8. Milieu-effectrapportage

Vervallen

Bijlage 9. Instructies voor vergunningen voor inrichtingen in bijzondere gebieden

A. Begripsomschrijvingen

In deze tabel wordt verstaan onder:

- waterwingebied, 25- en 100-jaars-beschermingszone en boringsvrije zone: zones van

- grondwaterbeschermingsgebieden die als zodanig zijn aangewezen in bijlage 6;

- PGS: Publicatiereeks Gevaarlijke stoffen van het ministerie van VROM (ter vervanging van de door de Commissie Preventie van Rampen door Gevaarlijke Stoffen opgestelde CPR richtlijnen).

- PGS 28:Publicatie 28 van de PGS getiteld “Vloeibare aardolieprodukten: afleverinstallaties en ondergrondse opslag”, dan wel de door Gedeputeerde Staten aangewezen richtlijn uit de PGS, die met betrekking tot dat onderwerp de geldende norm is;

- PGS 29: Publicatie 29 van de PGS getiteld “Richtlijn voor bovengrondse van brandbare vloeistoffen in verticale cilindrische tanks”, dan wel de door Gedeputeerde Staten aangewezen richtlijn uit de PGS, die met betrekking tot dat onderwerp de geldende norm is;

- PGS 30: Publicatie 30 van de PGS getiteld "Vloeibare aardolieprodukten: buitenopslag in kleine installaties”, dan wel de door Gedeputeerde Staten aangewezen richtlijn uit de PGS, die met betrekking tot dat onderwerp de geldende norm is;

- PGS 15: Publicatie 15 van de PGS, getiteld “Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen”, dan wel de door Gedeputeerde Staten aangewezen richtlijn uit de PGS, die met betrekking tot dat onderwerp de geldende norm is;

-KIWA: KIWA N.V., instituut voor certificatie, keuringen en advisering integrale kwaliteitszorg voor bouw-, water- en milieusector, gevestigd in Rijswijk;

- REIS: een erkenning van KIWA op grond van beoordelingsrichtlijn (BRL-K 902/02) inzake het saneren van huisbrandolie en dieselolietanks, dan wel de door Gedeputeerde Staten aangewezen erkenning van die instelling, die met betrekking tot dat onderwerp de geldende norm is;

- NPR 3218: Nederlandse praktijkrichtlijn van het Nederlands Normalisatie Instituut, Buitenriolering onder vrij verval "Aanleg en onderhoud", eerste druk, juli 1984, dan wel de door Gedeputeerde Staten aangewezen richtlijn van dat instituut, die met betrekking tot dat onderwerp de geldende norm is;

- NPR 3220: Nederlandse praktijkrichtlijn van het Nederlands Normalisatie Instituut, Buitenriolering "Beheer", eerste druk, juni 1987, dan wel de door Gedeputeerde Staten aangewezen richtlijn van dat instituut, die met betrekking tot dat onderwerp de geldende norm is;

- NPR 3221: Nederlandse praktijkrichtlijn van het Nederlands Normalisatie Instituut, Buitenriolering onder over- en onderdruk "Ontwerpcriteria, aanleg en onderhoud" eerste druk, juni 1986, dan wel de door Gedeputeerde Staten aangewezen richtlijn van dat instituut, die met betrekking tot dat onderwerp de geldende norm is;

- NPR 3398: Nederlandse praktijkrichtlijn van het Nederlands Normalisatie Instituut, Buitenriolering "Inspectie en toestandsbeoordeling", eerste druk, april 1992, dan wel de door Gedeputeerde Staten aangewezen richtlijn van dat instituut, die met betrekking tot dat onderwerp de geldende norm is;

- NEN: een door het Nederlands Normalisatie Instituut uitgegeven norm;

- NVN: een door het Nederlands Normalisatie Instituut uitgegeven voornorm;

- VPR: voorlopige Praktijk Richtlijn, zoals beschreven in de reeks "Bodembescherming" deel SSB, min. van VROM;

- schadelijke stoffen, dierlijke of andere meststoffen en bestrijdingsmiddelen: hetgeen daaronder wordt verstaan in bijlage 10, onderdeel B, van deze verordening.

- MVR-grond: grond als bedoeld in de ministeriële Vrijstellingsregeling Samenstellings- en immissiewaarden Bouwstoffenbesluit (25 juni 1999);

- Schone grond: grond als bedoeld in artikel 1, 1e lid onder h. van het Bouwstoffenbesluit;

 - Categorie 1 bouwstof: bouwstof als bedoeld in artikel 1, 1e lid onder j. van het Bouwstoffenbesluit (waaronder grond).

B. Aanwijzing van categorieën van activiteiten in inrichtingen (artikel 5.4.1, eerste lid)

     

Ligging

Activiteit

 

1 t/m 29 als bedoeld in bijlage I, behorende bij het Inrichtingen en VergunningenBesluit milieubeheer (Ivb)

ligging in beschermingszone (25 en 100 jaar)

Het op- en overslaan van vloeibare ardolieprodukten in emballage

A1

Het op- en overslaan van vloeibare aardolieprodukten in ondergrondse tanks

A2

   

het op- en overslaan van vloeibare aardolieprodukten in bovengrondse tanks

A3

   

het op- en overslaan van vloeibare schadelijke stoffen, niet zijnde vloeibare aardolieprodukten, en vloeibare afvalstoffen in emballage

A4

   

het op- en overslaan van vloeibare schadelijke stoffen, niet zijnde vloeibare aardolieprodukten, en vloeibare afvalstoffen in ondergrondse tanks

A5

   

het op- en overslaan van vloeibare schadelijke stoffen, niet zijnde vloeibare aardolieprodukten, en vloeibare afvalstoffen in bovengrondse tanks

A6

   

het op- en overslaan van vaste schadelijke stoffen en vaste afvalstoffen in emballage

A7

   

het op- en overslaan van vaste schadelijke stoffen en vaste afvalstoffen anders dan in emballage

A8

   

het op- en overslaan van dierlijke vaste mest

A9

   

het op- en overslaan van meststoffen, niet zijnde dierlijke meststoffen en niet zijnde overige organische meststoffen als bedoeld in BOOM

A10

   

het op- en overslaan van zuiveringsslib en compost

A11

   

het opslaan dan wel stallen van vaar-, vlieg- of motorvoer-tuigen of onderdelen daarvan voorzover het wrakken betreft of voertuigen die ter reparatie worden aangeboden

A12

   

het gebruiken t.b.v. het produktieproces (in ruime zin) van vloeibare aardolieprodukten en andere schadelijke stoffen

A13

   

het tot stand brengen, hebben of gebruiken van leidingen t.b.v. het transport van schadelijke stoffen, niet zijnde afvalwater (productleidingen)

A14

   

het tot stand brengen, hebben of gebruiken van leidingen t.b.v. het transport van afvalwater (zoals bedrijfsriolering)

A15

   

het tot stand brengen, hebben of gebruiken van niet eerder genoemde werken om schadelijke stoffen te vervoeren, te bergen, over te slaan, te storten of te infiltreren

A16

   

het tot stand brengen, hebben of gebruiken van parkeerterreinen of terreinen voor gemotoriseerd verkeer

A17

   

het toepassen van bouwstoffen

A20

   

het verrichten van mechanische ingrepen in de bodem dieper dan 2 meter

A21

   

ligging in de boringsvrije zone

het verrichten van mechanische ingrepen in de bodem dieper dan 10 meter

A22

 

ligging in waterwingebied

het op of in de bodem brengen van meststoffen

A23

 

ligging in waterwingebied

het gebruik van bestrijdingsmiddelen

A24

 

het verrichten van mechanische ingrepen in de bodem dieper dan 2 meter

A25

   

C. Omschrijving van beperkingen en voorschriften (artikel 5.4.1, tweede lid)

   

Voorschriften inhoudende de verplichting extra bodembeschermende maatregelen en voorzieningen te treffen, zoals die in PGS 28 zijn aangegeven.

B1

Voorschriften inhoudende de verplichting extra bodembeschermende maatregelen en voorzieningen te treffen, zoals die in PGS 29 zijn aangegeven.

B2

Voorschriften inhoudende de verplichting de bodem te monitoren op de aanwezigheid van de stoffen die zijn opgeslagen, door het nemen van grondwatermonsters volgens de NEN- en VPR-richtlijnen die daarop van toepassing zijn; de artikelen 2.27 en 2.28 van Bijlage 1 behorende bij het Besluit opslaan in ondergrondse tanks zijn van overeenkomstige toepassing.

B4

Voorschriften inhoudende de verplichting dat het onklaar maken of verwijderen van de tank dient te worden uitgevoerd door een door KIWA-erkend tanksaneringsbedrijf (REIS).

B5

Voorschriften inhoudende de verplichting: - indien aan de tank een afleverinstallatie met een doorzet van meer dan 10.000 liter per jaar is verbonden, de maatregelen en voorzieningen te treffen zoals die in PGS 28 zijn aangegeven; - indien aan de tank een afleverinstallatie met een doorzet van 10.000 liter of minder per jaar is verbonden, de maatregelen en voorzieningen te treffen zoals die in PGS 29 zijn aangegeven; indien daar sprake is van “aaneengesloten verharding” moet daar voor worden gelezen “vloeistofdichte verharding”.

B6

Voorschriften inhoudende de verplichting de bodembeschermende maatregelen en voorzieningen te treffen zoals weergegeven in de PGS28.

B7

Voorschriften inhoudende de verplichting extra bodembeschermende maatregelen en voorzieningen te treffen zoals die in PGS 29 zijn aangegeven.

B8

Voorschriften inhoudende de verplichting de bodembeschermende maatregelen en voorzieningen te treffen als bedoeld in de PGS 15 of 30.

B9

Voorschrift inhoudende de verplichting dat de opslag moet plaatsvinden in een vloeistofdichte bak die tenminste de totale hoeveelheid opgeslagen vloeistof kan bevatten.

B10

Voorschriften inhoudende de verplichting dat voorzieningen dienen te zijn of te worden aangebracht welke duurzaam voorkomen dat schadelijke stoffen in de bodem kunnen komen, alsmede voorschriften inhoudende de verplichting een regelmatige controle uit te voeren ten aanzien van het functioneren van deze voorzieningen.

B12

Voorschriften inhoudende de verplichting leidingen ten behoeve van het transport van schadelijke stoffen, niet zijnde aardolieprodukten en afvalwater, zodanig aan te leggen en te onderhouden dat het gehele stelsel duurzaam vloeistofdicht is, alsmede voorschriften inhoudende de verplichting leidingen voor de ingebruikname en vervolgens om de vijf jaar te inspecteren op het aspect vloeistofdichtheid.

B13

Voorschriften inhoudende de verplichting dat de aanleg, het beheer en het onderhoud van leidingen c.a. ten behoeve van het transport van afvalwater plaats vinden overeenkomstig de van toepassing zijnde Praktijkrichtlijnen NPR 3218, NPR 3220, NPR 3221 en NPR 3398. Voor het ontwerp van een vloeistofdichte riolering dient te worden verwezen naar hoofdstuk 7 van de Nederlandse Richtlijnen Bodembescherming (NRB) en de CUR/PBV-aanbeveling 51 (Milieutechnische ontwerp-criteria voor bedrijfsriolering, Stichting CUR, 1998.)

B14

Voorschriften inhoudende de verplichting dat schadelijke stoffen afkomstig van de verhardingen zodanig dienen te worden afgevoerd dat deze niet in de bodem terecht kunnen komen.

B15

Voorschriften inhoudende de verplichting dat: - tijdens de mechanische ingreep geen verontreiniging van de bodem plaatsvindt of kan plaatsvinden; - de mate van doorlaatbaarheid van de weerstandbiedende lagen na de ingreep niet groter is dan daarvoor; - zodanige voorzieningen moeten worden getroffen dat tijdens het gebruik van het boorgat geen verontreinigende stoffen via dit boorgat in de bodem kunnen komen; - Warmtepompsystemen met een bodemwarmtewisslaar (gesloten systemen) dienen zodanig te worden uitgevoerd dat er geen bodembedreigende stoffen door lekkage of calamiteiten in het grondwater kunnen geraken. - een boring ten behoeve van een grondwateronttrekking die vergunningplichtig is ingevolgde de Grondwaterwet en de Verordening waterhuishouding Noord-Brabant slechts mag worden uitgevoerd nadat de grondwateronttrekkingsvergunning is verleend. - het tijdstip van de uitvoering van de boring en de buitengebruikstelling van een put vooraf bij het bevoegd gezag wordt gemeld. - bij de beëindiging van het gebruik van een boring het ontstane boorgat volledig afsluitend wordt opgevuld

B16

Voorschriften inhoudende een verbod op het oprichten van warmtepompsystemen met een bodemwarmtewisselaar (gesloten systemen)

B17

Voorschriften inhoudende de verplichting dat: - De op of onder het maaiveld toe te passen bouwstoffen slechts mogen bestaan uit schone grond, MVR-grond of categorie 1 bouwstoffen (inclusief grond) als bedoeld in artikel 1, eerstel lid, onder h, respectievelijk j, van het Bouwstoffenbesluit met uitzondering van (ontzilt) zeezand; - Hergebruik van (licht) verontreinigde grond als bodem slechts is toegestaan indien deze afkomstig is van binnen het grondwaterbeschermingsgebied en voldaan is aan de eisen van de Vrijstellingsregeling Grondverzet (Stcrt. 1999, nr. 180).

B20

Voorschriften inhoudende de verplichting dat - het wassen van motorvoertuigen en motorwerktuigen alleen mag plaatsvinden op of in de daarvoor bestemde wasplaats; - voorzieningen dienen te worden getroffen zodat de nevel ten gevolge van het wassen zich niet buiten de wasplaats kan verspreiden; - de vloer waarop het wassen plaatsvindt, vloeistofdicht moet zijn; - de vloer afwaterend moet zijn gelegd naar een of meer schrobputten of afvoergoten, die zijn aangesloten op de bedrijfsriolering. Doorvoeringen van kabels of leidingen moeten vloeistofdicht zijn afgewerkt; - olien, vetten, modder of water niet over de rand van de vloer van de wasplaats anders dan in een schrobput of afvoergoot mogen worden geveegd of geschrobd.

B21

Voorschriften of beperkingen inhoudende een verbod op het op of in de bodem brengen van dierlijke of andere meststoffen

B22

Voorschriften of beperkingen inhoudende een verbod op het gebruik van bestrijdingsmiddelen

B23

Voorschriften inhoudende de verplichting dat wordt voorkomen dat afstromend hemelwater in contact kan komen met schadelijke stoffen, waaronder begrepen uitloogbare bouwmaterialen

B24

D. Instructiebepalingen

       

A1

B9

   

A2

B1, B6

B6 alleen opnemen indien van toepassing.

 

A3

B2, B6

   

A4

B9, B10

   

A5

B4, B5, B7

Bij B7 geldt de PGS 28 alleen voor nieuw te installeren tanks. Bij B7, PGS 28, kan de controle op water achterwege worden gelaten bij opslag van waterhoudende schadelijke stoffen.

 

A6

B8

   

A7

B9

   

A8

B12, B15

Bij bestaande en nieuwe opslag in silo’s, kelders of vergelijkbare inpandige vloeistofdiche constructies (ter beoordeling van het bevoegd gezag) waarbij al is voldaan aan B12 hoeft B15 niet te worden opgenomen.

 

A9

B12, B15

   

A10

B12, B15

Indien de opslag

 

Bijlage 10. Regels voor gedragingen

A. Regels inzake het voorkomen of beperken van geluidhinder (stiltegebieden)

Titel 1 Algemene bepaling

Bepaling 1.1

In dit onderdeel van de bijlage wordt verstaan onder:

a. geluidsapparaat, toestel, motorvoertuig en bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet geluidhinder;

b. openbare weg: hetgeen in artikel 1, eerste lid, sub b, van de Wegenverkeerswet 1994 wordt verstaan onder het begrip “wegen”, met uitzondering van die wegen die krachtens de Wegenverkeerswet 1994 alleen openstaan voor voetgangers of fietsers.

Titel 2 Verbodsbepalingen

Bepaling 2.1

  1. Het is verboden een toestel te gebruiken waardoor de ervaring van de natuurlijke geluiden kan worden verstoord.
  2. Tot een toestel als bedoeld in het eerste lid behoren in ieder geval:

a. airgun- en andere knalapparatuur en een motorisch aangedreven werktuig met bijbehorende transportmiddelen, te gebruiken in het kader van seismologisch onderzoek en opsporingsonderzoek naar of ontginning van de in de bodem aanwezige stoffen;

b. een motorisch aangedreven werktuig, te gebruiken in het kader van de aanleg van kabels en buisleidingen in of op de bodem;

c. een omroepinstallatie, sirene, hoorn en een ander daarmee vergelijkbaar toestel bestemd om geluid te versterken of voort te brengen;

d. een modelvliegtuig, modelboot of modelauto, indien deze wordt aangedreven door een verbrandingsmotor;

e. een muziekinstrument en een ander daarmee vergelijkbaar geluidsapparaat, al dan niet gekoppeld aan een geluidsversterker;

f. een jetski die wordt aangedreven door een verbrandingsmotor;

g. een schietwapen.

  1. Gedeputeerde Staten kunnen andere toestellen aanwijzen waarvoor het in het eerste lid gestelde verbod geldt.

Bepaling 2.2

Het is verboden zich met een motorvoertuig of bromfiets te bevinden buiten de openbare weg of buiten andere voor bestemmingsverkeer openstaande wegen of terreinen.

Bepaling 2.3

  1. Het is verboden een toertocht voor motorvoertuigen of bromfietsen te houden.
  2. Het is verboden deel te nemen aan een toertocht voor motorvoertuigen of bromfietsen waarvoor geen ontheffing is verleend.

Bepaling 2.4

Het is verboden vuurwerk te gebruiken.

Bepaling 2.5

  1. Het is verboden met een speedboat sneller te varen dan 6 kilometer per uur.
  2. Het eerste lid geldt niet in gebieden waarop de Vaartuigenverordening De Brabantse Biesbosch 1984 van toepassing is.

Titel 3 Vrijstellingen

Bepaling 3.1

De in de bepalingen 2.1, eerste lid, en 2.2 gestelde verboden gelden niet voorzover zij betrekking hebben op een toestel dat wordt gebruikt ten behoeve van:

a. de uitoefening van land-, tuin- of bosbouw of beroepsmatige visserij;

b. de grondwateronttrekking in een gebied dat in bijlage 6 is aangewezen ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning, voorzover dat gebruik redelijkerwijs noodzakelijk is voor de normale werking van de inrichting, gericht op de openbare drinkwaterproductie;

c. het onderhoud van het gebied of van de daarin aanwezige bouwwerken en andere constructies.

Bepaling 3.2

Het in bepaling 2.1, eerste lid, gestelde verbod geldt voorts niet voor zover het betrekking heeft op:

a. een werktuig als bedoeld in bepaling 2.1, tweede lid, onder b, dat wordt gebruikt ten behoeve van directe woonaansluitingen;

b. het gebruik van een toestel als bedoeld in bepaling 2.1, tweede lid, onder c, indien dat noodzakelijk is ter afwending van dreigend gevaar of anderszins uit een oogpunt van algemene veiligheid;

c. een geluidsapparaat als bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, onder e, dat wordt gebruikt binnen 50 meter van een woonhuis en mits niet hoorbaar op een afstand van meer dan 50 meter van het apparaat;

d. een schietwapen als bedoeld in bepaling 2.1, tweede lid, onder g, indien dat wordt gebruikt:

  1. door een persoon met opsporingsbevoegdheid in de uitoefening van zijn functie;
  2. in geval het een noodseinmiddel betreft: in geval van nood;
  3. met inachtneming van het bepaalde in de Jachtwet of de Vogelwet.

Bepaling 3.3

Het in bepaling 2.4 gestelde verbod geldt niet indien het gebruik van vuurwerk noodzakelijk is ter oproeping van personen of ter afwending van dreigend gevaar, dan wel plaats vindt ter gelegenheid van de jaarwisseling gedurende een bij gemeentelijke verordening aangewezen periode.

Titel 4 Ontheffingen

Bepaling 4.1

  1. Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van de in titel 2 gestelde verboden.
  2. Op de voorbereiding van een beschikking op de aanvraag om ontheffing, dan wel tot wijziging of intrekking van een ontheffing is de in afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure niet van toepassing, tenzij het een aanvraag betreft om ontheffing van het in bepaling 2.3, eerste lid, gestelde verbod.

B. Regels ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning (grondwaterbeschermingsgebieden)

Titel 1 Algemene bepalingen

Bepaling 1.1 1. In dit onderdeel van de bijlage wordt verstaan onder:

a. waterwingebieden, 25- en 100-jaars-beschermingszones en boringsvrije zones: zones van grondwaterbeschermingsgebieden die als zodanig zijn aangewezen in bijlage 6;

b. schadelijke stoffen: stoffen, combinaties van stoffen, preparaten of andere producten, in welke vorm ook, waarvan hetzij in het algemeen, hetzij in het gegeven geval kan worden verwacht dat ze - op of in de bodem gebracht of gerakend - de bodem verontreinigen of kunnen verontreinigen;

c. bodem: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Wet bodembescherming.

d. dierlijke of andere meststoffen: hetgeen daaronder wordt verstaan bij of krachtens de Meststoffenwet en de Meststoffenwet 1947;

e. bestrijdingsmiddelen: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Bestrijdingsmiddelenwet 1962;

f. compost, zwarte grond en zuiveringsslib: hetgeen daaronder wordt verstaan in het Besluit kwaliteit en gebruik overige organische meststoffen;

g. reconstrueren: het aanbrengen van wijzigingen op of aan een weg, parkeergelegenheid, terrein voor gemotoriseerd verkeer, waterweg of spoorweg, die verandering brengt in de bestaande of te verwachten risico’s voor de grondwaterkwaliteit; onder reconstrueren wordt niet verstaan het uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden;

h. lozing in de bodem: het definitief in de bodem brengen van vloeistoffen, met uitzondering van de lozingen als bedoeld in artikel 2 van het Lozingenbesluit bodembescherming;

i. lozingseenheid: lozingseenheid als bedoeld in het Lozingenbesluit bodembescherming;

j. onderhoudsspecie klasse 1, onderhoudsspecie klasse 2: hetgeen hieronder wordt verstaan in het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen;

k. verspreiden van onderhoudsspecie: zich ontdoen van onderhoudsspecie door deze buiten een inrichting op of in de bodem te brengen;

l. (licht) verontreinigde grond: grond, geen schone grond zijnde als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder h., van het Bouwstoffenbesluit, en geen MVR-grond zijnde als bedoeld in de ministeriële Vrijstellingsregeling, Samenstellings- en immissiewaarden Bouwstoffenbesluit (25 juni 1999);

m. secundaire grondstof: bouwstof als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b., van het Bouwstoffenbesluit (Stb. 1995, 567), voorzover niet zijnde primaire grondstof;

n. categorie 1 secundaire bouwstof: categorie-1 bouwstof als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder j., van het bouwstoffenbesluit; categorie 2 secundaire bouwstof: categorie 2-bouwstof als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder k van het Bouwstoffenbesluit;

o. streefwaarden: de streefwaarden zoals vastgelegd in de Notitie milieukwaliteitsdoelstellingen bodem en water (kamerstukken II 1990/91 21990, nr. 1), dan wel de door Gedeputeerde Staten aangewezen notitie die als opvolger van genoemde Notitie geldt;

p. werk: grondwerk, wegenbouwkundig werk, waterbouwkundig werk of bouwwerk.

  1. Onder op of in de bodem brengen van dierlijke meststoffen wordt niet verstaan beweiding.

Bepaling 1.2

  1. Onder schadelijke stoffen worden in elk geval verstaan de stoffen, combinaties van stoffen, preparaten of andere producten die voorkomen op een door Gedeputeerde Staten vastgestelde lijst.
  2. Voorafgaand aan het vaststellen, aanvullen of wijzigen van een in het eerste lid bedoelde lijst, winnen Gedeputeerde Staten het advies in van de commissie en de inspecteur.
  3. Gedeputeerde Staten maken een lijst als bedoeld in het eerste lid, alsmede de aanvullingen en wijzigingen, bekend in het provinciaal blad.

Titel 2 Waterwingebieden

Paragraaf 2.1 Inrichtingen

Bepaling 2.1.1

  1. Het is verboden in waterwingebieden een inrichting als bedoeld in de bijlagen I, II en III, behorende bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, op te richten.
  2. Het is verboden in waterwingebieden een inrichting als bedoeld in het eerste lid of de werking van een inrichting als bedoeld in het eerste lid te veranderen, indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat die verandering wat betreft aard of omvang nadelige gevolgen heeft of kan hebben voor de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning.

Bepaling 2.1.2

De verboden in bepaling 2.1.1, eerste en tweede lid, gelden niet met betrekking tot inrichtingen ten behoeve van de grondwateronttrekking, met het oog waarop het betreffende gebied wordt beschermd, voor zover een in het eerste lid bedoelde inrichting of een in het tweede lid bedoelde verandering redelijkerwijs noodzakelijk is voor de normale werking van de inrichting, gericht op de openbare drinkwaterproductie.

Paragraaf 2.2 Gedragingen buiten inrichtingen

Bepaling 2.2.1

  1. Het is verboden in waterwingebieden buiten inrichtingen:

a. schadelijke stoffen te hebben, te gebruiken, te vervoeren of op of in de bodem te brengen;

b. dierlijke of andere meststoffen op of in de bodem te brengen;

c. constructies van welke aard dan ook - leidingen en installaties daaronder begrepen - tot stand te brengen, te hebben of te gebruiken met het doel het vervoeren, bergen, opslaan, overslaan, storten of verzinken van schadelijke stoffen door, op of in de bodem mogelijk te maken;

d. begraafplaatsen als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging of terreinen voor de uitstrooiing van as als bedoeld in artikel 10 van het Besluit op de lijkbezorging op te richten, te hebben of te gebruiken;

e. boorputten op te richten, in exploitatie te nemen of te hebben;

f. de grond dieper te roeren dan 2 meter onder het maaiveld of anderszins werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren; onder deze werken worden in elk geval verstaan bodemstabiliseringswerken, grond- en funderingswerken en het plaatsen en verwijderen van damwanden en heipalen;

g. nieuwe watergangen en waterplassen, die een risico vormen voor het grondwater, uit te voeren zonder toereikende bodemafdichting

h. wegen, parkeergelegenheden, terreinen voor zover deze - al dan niet tijdelijk - voor gemotoriseerd verkeer openstaan, waterwegen of spoorwegen aan te leggen, te hebben of te reconstrueren;

i. kampeergelegenheden, recreatiecentra of kampementen aan te leggen, te hebben, in exploitatie te nemen of te exploiteren;

j. een gebouw in de zin van de Woningwet tot stand te brengen;

k. een lozing in de bodem uit te voeren;

l. onderhoudsspecie klasse 1 of onderhoudsspecie klasse 2 te verspreiden;

m. licht verontreinigde grond, ontzilt zeezand of andere secundaire bouwstoffen als bodem of in werken te gebruiken;

n. warmtepompsystemen met een bodemwarmtewisselaar (gesloten systemen) op te richten

o. enigerlei handeling te verrichten of te doen verrichten waarvan men weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zij de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning nadelig kan beinvloeden.

  1. Waar in het eerste lid sprake is van oprichten, tot stand brengen of aanleggen, wordt daaronder mede verstaan wijzigen of uitbreiden.

Bepaling 2.2.2

  1. Het in bepaling 2.2.1, eerste lid, onder a, gestelde verbod geldt niet voor:

a. het voorhanden hebben, gebruiken en vervoeren van schadelijke stoffen die redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor drinkwaterproduktie;

b. geringe hoeveelheden schadelijke stoffen in en bij woningen en andere gebouwen, die dienen of gediend hebben voor normaal gebruik ter plaatse, mits bewaard in een deugdelijke verpakking en afdoende beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden;

c. schadelijke stoffen aanwezig in en benodigd voor het doen functioneren van motorvoertuigen, motorwerktuigen of bromfietsen;

d. het verspreiden van wegenzout ter bestrijding van gladheid van wegen;

e. het vervoeren van schadelijke stoffen in afgesloten en vloeistofdichte tanks of in een deugdelijk gesloten verpakking, mits deugdelijk geladen, afdoende beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden en op zodanige wijze dat geen gevaar voor verspreiding of verstuiving bestaat.

  1. De in bepaling 2.2.1, eerste lid, onder e en f, gestelde verboden gelden niet voor:

a. het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van grondwateronttrekkingen met het oog op de openbare drinkwaterproductie;

b. het saneren van de bodem dan wel het verrichten van handelingen door het bevoegd gezag tengevolge waarvan een verontreiniging van de bodem wordt verminderd of verplaatst, indien voor dat saneren of die handelingen door het bevoegd gezag in het kader van de Wet bodembescherming opdracht of toestemming is gegeven;

  1. Het in bepaling 2.2.1, eerste lid, onder k, gestelde verbod geldt niet voor een door het bevoegd gezag geregistreerde lozing die bestaat op het tijdstip waarop die bepaling voor het gebied waarbinnen de lozing plaatsvindt, in werking treedt.

Bepaling 2.2.3

  1. Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van:

a. de in bepaling 2.2.1, eerste lid, onder a, c, e, f, en o gestelde verboden;

b. de in bepaling 2.2.1, eerste lid, onder d en i, gestelde verboden, voor begraafplaatsen, dierenbegraafplaatsen of terreinen voor de uitstrooiing van as respectievelijk voor kampeergelegenheden, recreatiecentra of kampementen die op het tijdstip van in werking treden van deze verordening, dan wel op het tijdstip van de aanwijzing van een gebied als waterwingebied bestaan of in aanleg zijn;

c. het in bepaling 2.2.1, eerste lid, onder h gestelde verbod, voor de daar genoemde objecten die op het tijdstip van in werking treden van deze verordening, dan wel op het tijdstip van de aanwijzing van een gebied als waterwingebied, bestaan of in aanleg zijn, alsmede voor wegen of parkeergelegenheden bestemd voor inrichtingen ten behoeve van de grondwateronttrekking, met het oog waarop het betreffende gebied wordt beschermd;

d. het in bepaling 2.2.1, eerste lid onder j gestelde verbod, voor een gebouw dat op het tijdstip van in werking treden van deze verordening, dan wel op het tijdstip van de aanwijzing van een gebied als waterwingebied, bestaat of gebouwd wordt, alsmede voor een gebouw ten behoeve van het waterleidingbedrijf dat in het waterwingebied gevestigd is.

  1. In afwijking van het eerste lid kunnen Gedeputeerde Staten geen ontheffing verlenen ten behoeve van:

a. de ondergrondse opslag van schadelijke stoffen;

b. het gebruik van bestrijdingsmiddelen.

  1. Op de voorbereiding van een beschikking op de aanvraag om ontheffing, dan wel tot wijziging of intrekking van een ontheffing is de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure niet van toepassing.

Titel 3 Beschermingszones (25-jaars beschermingszones)

Paragraaf 3.1 Inrichtingen

Bepaling 3.1.1

Het is verboden in beschermingszones een inrichting op te richten, indien die inrichting behoort tot een categorie van inrichtingen die is aangewezen in de in bijlage 10.B.1 van deze verordening opgenomen lijst.

Bepaling 3.1.2

  1. Het verbod in bepaling 3.1.1 geldt niet met betrekking tot inrichtingen ten behoeve van de grondwateronttrekking, met het oog waarop het betreffende gebied wordt beschermd, voor zover een dergelijke inrichting redelijkerwijs noodzakelijk is voor de normale werking van de inrichting, gericht op de openbare drinkwaterproductie.
  2. Het verbod in bepaling 3.1.1 geldt eveneens niet met betrekking tot inrichtingen, voor zover er sprake is van een verplaatsing van een inrichting van de ene locatie binnen een beschermingszone naar een andere locatie binnen diezelfde beschermingszone, mits redelijkerwijs kan worden aangenomen dat die verplaatsing wat betreft aard of omvang geen nadelige gevolgen heeft of kan hebben voor de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning.
  3. In situaties als bedoeld in het tweede lid is het verboden na de verplaatsing activiteiten te verrichten op de oude locatie. Daartoe dient in ieder geval, wanneer er sprake is van een inrichting op de oude locatie waarvoor een vergunning ingevolge artikel 8.1 van de wet geldt, de houder van die vergunning overeenkomstig artikel 8.26 van de wet een verzoek tot gehele intrekking van die vergunning in bij het betreffende bevoegd gezag. Het bevoegd gezag inzake de vergunning ingevolge artikel 8.1 van de wet voor de inrichting op de nieuwe locatie, verleent de vergunning niet eerder dan wanneer de vergunning als bedoeld in de vorige volzin is ingetrokken.
  4. Het verbod in bepaling 3.1.1 geldt niet met betrekking tot inrichtingen, te vestigen op bedrijventerreinen waar de vestiging van de betreffende inrichting in de toekomst volgens het in procedure gebracht zijnde bestemmingsplan zal zijn toegestaan en ten aanzien waarvan, op het moment dat het verbod van toepassing wordt, een positief advies op het punt van de planologische en milieutechnische aanvaardbaarheid door de Provinciale Planologische Commissie is uitgebracht
  5. Het verbod in bepaling 3.1.1 geldt niet met betrekking tot nog niet gerealiseerde inrichtingen die, op het moment dat het verbod van toepassing wordt, op grond van het vigerende bestemmingsplan voor het betreffende bedrijventerrein op dat terrein gevestigd mogen worden.
  6. Het verbod in bepaling 3.1.1 geldt niet met betrekking tot een inrichting waarop het verbod als bedoeld in artikel 8.1. van de wet van toepassing is en ten aanzien waarvan, op het moment dat het verbod als bedoeld in bepaling 3.1.1 van toepassing wordt, een ontwerp-besluit, strekkende tot verlening van de vergunning, bekend is gemaakt.
  7. Het verbod in bepaling 3.1.1 geldt niet met betrekking tot een inrichting waarop het verbod als bedoeld in artikel 8.1 van de wet niet van toepassing is en ten aanzien waarvan het oprichten tevens geldt als bouwen in de zin van de Woningwet, voor zover op het moment dat het verbod als bedoeld in bepaling 3.1.1 van toepassing wordt de bouwvergunning voor de inrichting is verleend.
  8. In gevallen als bedoeld in het vierde lid en het vijfde lid dient redelijkerwijs te worden aangetoond dat de inrichting niet geldt als een inrichting met een verhoogde kans op bodemverontreiniging (Binrichting) in de zin van de publicatie “Bedrijven en milieuzonering”, VNG uitgeverij, Den Haag, 2001 of de meest recente uitgave daarvan.
  9. Een aanvraag tot wijziging van de indeling in bodemindex, als bedoeld in het achtste lid, wordt ter goedkeuring ingediend bij Gedeputeerde Staten. Gedeputeerde Staten stellen de VROM-inspectie regio Zuid en de betreffende grondwateronttrekker in de gelegenheid over dit verzoek advies uit te brengen.

Bepaling 3.1.3

  1. Het is verboden in beschermingszones een inrichting of de werking van een inrichting te veranderen, voor zover die verandering leidt tot een vergroting van de capaciteit voor de ondergrondse opslag van vloeibare aardolieprodukten.
  2. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor motorbrandstofverkooppunten, mits het aantal aanwezige tanks noch het aantal aftappunten, zijnde de slangen met vulafsluiters bestemd voor de aflevering van motorbrandstof, toeneemt.
  3. Het is verboden in beschermingszones een inrichting op te richten of de werking van een inrichting te veranderen, voor zover die oprichting of verandering leidt tot de installering van een ondergrondse tank van kunststof voor de opslag van vloeibare aardolieprodukten.

Bepaling 3.1.4

  1. Het is verboden in beschermingszones een inrichting waarvoor het in artikel 8.1 van de wet gestelde verbod niet geldt in werking te hebben.
  2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover wordt voldaan aan de algemene voorschriften die overeenkomstig bepaling 5.1 door Gedeputeerde Staten zijn vastgesteld.

Paragraaf 3.2 Gedragingen buiten inrichtingen

Bepaling 3.2.1

  1. Het is verboden in beschermingszones buiten inrichtingen:

a. schadelijke stoffen te hebben, te gebruiken, te vervoeren of op of in de bodem te brengen;

b. dierlijke of andere meststoffen op of in de bodem te brengen;

c. constructies van welke aard dan ook - leidingen en installaties daaronder begrepen - tot stand te brengen, te hebben of te gebruiken met het doel het vervoeren, bergen, opslaan, overslaan, storten of verzinken van schadelijke stoffen door, op of in de bodem mogelijk te maken;

d. begraafplaatsen als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging of terreinen voor de uitstrooiing van as als bedoeld in artikel 10 van het Besluit op de lijkbezorging of dierenbegraafplaatsen op te richten;

e. boorputten op te richten, in exploitatie te nemen of te hebben dieper dan 2 meter onder het maaiveld;

f. de grond dieper te roeren dan 2 meter onder het maaiveld of anderszins werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren, waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van de slecht-doorlatende bodemlagen kunnen aantasten; onder deze werken worden in elk geval verstaan ontgrondingen, bodemstabiliseringswerken, grond- en funderingswerken en het plaatsen en verwijderen van damwanden en heipalen;

g. nieuwe watergangen en waterplassen, die een risico vormen voor het grondwater uit te voeren zonder toereikende bodemafdichting;

h. wegen, parkeergelegenheden, terreinen voorzover deze -al dan niet tijdelijk- voor gemotoriseerd verkeer openstaan, waterwegen of spoorwegen aan te leggen, te hebben of te reconstrueren;

i. kampeergelegenheden, recreatiecentra of kampementen aan te leggen, te hebben, in exploitatie te nemen of te exploiteren;

j. een lozing in de bodem uit te voeren;

k. onderhoudsspecie klasse 2 te verspreiden;

l. (licht) verontreinigde grond en ontzilt zeezand als bodem of in werken te gebruiken;

m. overige secundaire bouwstoffen in werken te gebruiken;

n. warmtepompsystemen met een bodemwarmtewisselaar (gesloten systemen) op te richten;

o. enigerlei handeling te verrichten of te doen verrichten waarvan men weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zij de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning nadelig kan beïnvloeden.

  1. Waar in het eerste lid sprake is van oprichten, tot stand brengen of aanleggen, wordt daaronder mede verstaan wijzigen of uitbreiden.

Bepaling 3.2.2

  1. Het in bepaling 3.2.1, eerste lid, onder a, gestelde verbod geldt niet voor:

a. het voorhanden hebben, gebruiken en vervoeren van schadelijke stoffen ten behoeve van de grondwateronttrekking, met het oog waarop het betreffende gebied wordt beschermd, voor zover deze stoffen redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor de normale werking van de inrichting, gericht op de openbare drinkwaterproductie;

b. geringe hoeveelheden schadelijke stoffen in en bij woningen en andere gebouwen, die dienen of gediend hebben voor normaal gebruik ter plaatse, mits bewaard in een deugdelijke verpakking en afdoende beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden;

c. schadelijke stoffen aanwezig in en benodigd voor het doen functioneren van motorvoertuigen, motorwerktuigen of bromfietsen;

d. het verspreiden van wegenzout ter bestrijding van gladheid van wegen;

e. het vervoeren van schadelijke stoffen in afgesloten en vloeistofdichte tanks of in een deugdelijk gesloten verpakking, mits deugdelijk geladen, afdoende beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden en op zodanige wijze dat geen gevaar voor verspreiding of verstuiving bestaat;

f. het gebruik van krachtens de Bestrijdingsmiddelenwet in grondwaterbeschermingsgebieden toegestane bestrijdingsmiddelen.

  1. Het in bepaling 3.2.1, eerste lid, onder b, gestelde verbod geldt niet voor het normaal landbouwkundig gebruik van kunstmest en dierlijke mest.
  2. Het in bepaling 3.2.1, eerste lid, onder c, gestelde verbod geldt niet voor rioolleidingen met een vuillast kleiner dan 10 lozingseenheden per aansluiting.
  3. De in bepaling 3.2.1, eerste lid, onder e en f, gestelde verboden gelden niet voor:

a. bezit en exploitatie van boorputten die op het moment dat het verbod als bedoeld in bepaling 3.2.1, eerste lid onder e in werking treedt wettig aanwezig zijn;

b. het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van grondwateronttrekkingen met het oog op de openbare drinkwaterproductie;

c. het oprichten van boorputten ten behoeve van het grondwaterbeheer voor zover daarvoor een vergunning krachtens de Grondwaterwet is vereist of algemene voorschriften krachtens de Wet bodembescherming gelden;

d. het saneren van de bodem dan wel het verrichten van handelingen tengevolge waarvan een verontreiniging van de bodem wordt verminderd of verplaatst, indien voor dat saneren of die handelingen door het bevoegd gezag in het kader van de Wet bodembescherming opdracht of toestemming is gegeven;

  1. Het in bepaling 3.2.1, eerste lid onder h gestelde verbod geldt niet voor binnen een gebied op het tijdstip dat die bepaling voor dat gebied in werking treedt wettig aanwezige infrastructurele werken en de infrastructurele werken die op dat tijdstip in aanleg zijn of reeds zijn aanbesteed
  2. Het in bepaling 3.2.1 , eerste lid onder i gestelde verbod geldt niet voor het bezit en de exploitatie van kampeergelegenheden, recreatiecentra of kampementen die op het moment dat die bepaling voor het gebied in werking treedt reeds wettig aanwezig zijn.
  3. Het in bepaling 3.2.1, eerste lid, onder j, gestelde verbod geldt niet voor een door het bevoegd gezag geregistreerde lozing die bestaat op het tijdstip waarop die bepaling voor het gebied waarbinnen die lozing plaatsvindt, in werking treedt.
  4. De in bepaling 3.2.1, eerste lid, gestelde verboden gelden niet voor zover wordt voldaan aan de algemene voorschriften die overeenkomstig bepaling 5.1 door Gedeputeerde Staten zijn vastgesteld.

Bepaling 3.2.3

  1. Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van de in bepaling 3.2.1, eerste lid, onder a, b, c, d, e, f, g, h, i, l (met uitzondering van gebruik van ontzilt zeezand als bodem of in werken), m (met uitzondering van categorie 2 bouwstoffen en bijzondere categorie bouwstoffen), n en o gestelde verboden.
  2. Op de voorbereiding van een beschikking op de aanvraag om ontheffing, dan wel tot wijziging of intrekking van een ontheffing is de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure niet van toepassing.

Titel 3A Beschermingszones (100-jaarsbeschermingszones)

Paragraaf 3A.1 Inrichtingen

Bepaling 3A.1.1

Het is verboden in 100 jaarsbeschermingszones een inrichting op te richten, indien die inrichting behoort tot een categorie van inrichtingen die is aangewezen als zwarte lijst inrichting in de in bijlage 10.B.1 van deze verordening opgenomen lijst.

Bepaling 3A.1.2

  1. Het verbod in bepaling 3A.1.1 geldt niet met betrekking tot inrichtingen ten behoeve van de grondwateronttrekking, met het oog waarop het betreffende gebied wordt beschermd, voor zover een dergelijke inrichting redelijkerwijs noodzakelijk is voor de normale werking van de inrichting, gericht op de openbare drinkwaterproduktie.
  2. Het verbod in bepaling 3A.1.1 geldt eveneens niet met betrekking tot inrichtingen, voorzover er sprake is van een verplaatsing van een inrichting van de ene locatie binnen een beschermingszone naar een andere locatie binnen diezelfde beschermingszone, mits redelijkerwijs kan worden aangenomen dat die verplaatsing wat betreft aard of omvang geen nadelige gevolgen heeft of kan hebben voor de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning
  3. In situaties als bedoeld in het tweede lid is het verboden na de verplaatsing activiteiten te verrichten op de oude locatie. Daartoe dient in ieder geval, wanneer er sprake is van een inrichting op de oude locatie waarvoor een vergunning ingevolge artikel 8.1 van de wet geldt, de houder van die vergunning overeenkomstig artikel 8.26 van de wet een verzoek tot gehele intrekking van die vergunning in bij het betreffende bevoegd gezag. Het bevoegd gezag inzake de vergunning ingevolge artikel 8.1 van de wet voor de inrichting op de nieuwe locatie, verleent de vergunning niet eerder dan wanneer de vergunning als bedoeld in de vorige volzin is ingetrokken.
  4. Het verbod in bepaling 3A.1.1 geldt niet met betrekking tot inrichtingen te vestigen op bedrijventerreinen waar de vestiging van de betreffende inrichting in de toekomst volgens het in procedure gebracht zijnde bestemmingsplan zal zijn toegestaan en ten aanzien waarvan, op het moment dat het verbod van toepassing wordt, een positief advies op het punt van de planologische en milieutechnische aanvaardbaarheid door de Provinciale Planologische Commissie is uitgebracht.
  5. Het verbod in bepaling 3A.1.1 geldt niet met betrekking tot nog niet gerealiseerde inrichtingen, die, op het moment dat het verbod van toepassing wordt, op grond van het vigerende bestemmingsplan voor het betreffende bedrijventerrein op dat terrein gevestigd mogen worden.
  6. Het verbod in bepaling 3A.1.1 geldt niet met betrekking tot een inrichting waarop het verbod als bedoeld in artikel 8.1. van de wet van toepassing is en ten aanzien waarvan, op het moment dat het verbod als bedoeld in bepaling 3A.1.1 van toepassing wordt een ontwerp-besluit, strekkende tot verlening van de vergunning, bekend is gemaakt.
  7. Het verbod in bepaling 3A.1.1 geldt niet met betrekking tot een inrichting waarop het verbod als bedoeld in artikel 8.1 van de wet niet van toepassing is en ten aanzien waarvan het oprichten tevens geldt als bouwen in de zin van de Woningwet, voor zover op het moment dat het verbod als bedoeld in bepaling 3A.1.1 van toepassing wordt de bouwvergunning voor de inrichting is verleend.
  8. In gevallen als bedoeld in het vierde lid en het vijfde lid dient redelijkerwijs te worden aangetoond dat de inrichting niet geldt als een inrichting met een verhoogde kans op bodemverontreiniging (Binrichting) in de zin van de publicatie “Bedrijven en milieuzonering”, VNG uitgeverij, Den Haag, 2001 of de meest recente uitgave daarvan.”
  9. Een aanvraag tot wijziging van de indeling in bodemindex, als bedoeld in het achtste lid, wordt ter goedkeuring ingediend bij Gedeputeerde Staten. Gedeputeerde Staten stellen de VROM-inspectie regio Zuid en de betreffende grondwateronttrekker in de gelegenheid over dit verzoek advies uit te brengen.

Bepaling 3A.1.3

  1. Het is verboden in beschermingszones een inrichting waarvoor het in artikel 8.1 van de wet gestelde verbod niet geldt in werking te hebben.
  2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover wordt voldaan aan de algemene voorschriften die overeenkomstig bepaling 5.1 door Gedeputeerde Staten zijn vastgesteld.

Paragraaf 3A.2 Gedragingen buiten inrichtingen

Bepaling 3A.2.1

  1. Het is verboden in beschermingszones buiten inrichtingen:

a. schadelijke stoffen te hebben, te gebruiken, te vervoeren of op of in de bodem te brengen;

b. constructies van welke aard dan ook - leidingen en installaties daaronder begrepen - tot stand te brengen, te hebben of te gebruiken met het doel het vervoeren, bergen, opslaan, overslaan, storten of verzinken van schadelijke stoffen door, op of in de bodem mogelijk te maken;

c. boorputten op te richten, in exploitatie te nemen of te hebben;

d. de grond dieper te roeren dan 2 meter onder het maaiveld of anderszins werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren, waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van de slecht-doorlatende bodemlagen kunnen aantasten; onder deze werken worden in elk geval verstaan bodemstabiliseringswerken, grond- en funderingswerken en het plaatsen en verwijderen van damwanden en heipalen;

e. nieuwe watergangen en waterplassen, die een risico vormen voor het grondwater uit te voeren zonder toereikende bodemafdichting;

f. wegen, parkeergelegenheden, terreinen voorzover deze -al dan niet tijdelijk- voor gemotoriseerd verkeer openstaan, waterwegen of spoorwegen aan te leggen, te hebben of te reconstrueren;

g. een lozing in de bodem uit te voeren;

h. onderhoudsspecie klasse 2 te verspreiden indien verder dan 20 meter uit de slootkant;

i. (licht) verontreinigde grond als bodem of in werken te gebruiken;

j. categorie 2 bouwstoffen in werken of ontzilt zeezand als bodem of in werken te gebruiken;

k. warmtepompsystemen met een bodemwarmtewisselaar (gesloten systemen) op te richten;

l. enigerlei handeling te verrichten of te doen verrichten waarvan men weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zij de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning nadelig kan beïnvloeden.

  1. Waar in het eerste lid sprake is van oprichten, tot stand brengen of aanleggen, wordt daaronder mede verstaan wijzigen of uitbreiden.

Bepaling 3A.2.2

  1. Het in bepaling 3A.2.1, eerste lid, onder a, gestelde verbod geldt niet voor:

a. het voorhanden hebben, gebruiken en vervoeren van schadelijke stoffen ten behoeve van de grondwateronttrekking, met het oog waarop het betreffende gebied wordt beschermd, voor zover deze stoffen redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor de normale werking van de inrichting, gericht op de openbare drinkwaterproduktie;

b. geringe hoeveelheden schadelijke stoffen in en bij woningen en andere gebouwen, die dienen of gediend hebben voor normaal gebruik ter plaatse, mits bewaard in een deugdelijke verpakking en afdoende beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden;

c. schadelijke stoffen aanwezig in en benodigd voor het doen funktioneren van motorvoertuigen, motorwerktuigen of bromfietsen;

d. het verspreiden van wegenzout ter bestrijding van gladheid van wegen;

e. het vervoeren van schadelijke stoffen in afgesloten en vloeistofdichte tanks of in een deugdelijk gesloten verpakking, mits deugdelijk geladen, afdoende beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden en op zodanige wijze dat geen gevaar voor verspreiding of verstuiving bestaat;

f. het gebruik van krachtens de Bestrijdingsmiddelenwet in grondwaterbeschermingsgebieden toegestane bestrijdingsmiddelen.

  1. Het in bepaling 3A.2.1, eerste lid, onder b, gestelde verbod geldt niet voor rioolleidingen met een vuillast kleiner dan 10 lozingseenheden per aansluiting.
  2. De in bepaling 3A.2.1, eerste lid, onder c en d, gestelde verboden gelden niet voor:

a. bezit en exploitatie van boorputten die op het moment dat het verbod als bedoeld in bepaling 3A.2.1, eerste lid onder c in werking treedt reeds aanwezig zijn;

b. het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van grondwateronttrekkingen met het oog op de openbare drinkwaterproduktie;

c. het oprichten van boorputten ten behoeve van het grondwaterbeheer voor zover daarvoor een vergunning krachtens de Grondwaterwet is vereist of algemene voorschriften krachtens de Wet bodembescherming gelden;

d. het saneren van de bodem dan wel het verrichten van handelingen tengevolge waarvan een verontreiniging van de bodem wordt verminderd of verplaatst, indien voor dat saneren of die handelingen door het bevoegde gezag in het kader van de Wet bodembescherming opdracht of toestemming is gegeven;

  1. Het in bepaling 3A.2.1, eerste lid onder f gestelde verbod geldt niet voor binnen een gebied op het tijdstip dat die bepaling voor dat gebied in werking treedt reeds aanwezige infrastructurele werken en de infrastructurele werken die op dat tijdstip in aanleg zijn of reeds zijn aanbesteed;
  2. Het in bepaling 3A.2.1, eerste lid, onder g, gestelde verbod geldt niet voor een door het bevoegd gezag geregistreerde lozing die bestaat op het tijdstip waarop die bepaling voor het gebied waarbinnen die lozing plaatsvindt, in werking treedt.
  3. De in bepaling 3A.2.1, eerste lid, gestelde verboden gelden niet voor zover wordt voldaan aan de algemene voorschriften die overeenkomstig bepaling 5.1 door Gedeputeerde Staten zijn vastgesteld.

Bepaling 3A.2.3

  1. Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van de in bepaling 3A.2.1, eerste lid, onder a, b, c, d, e, f, i, k en l gestelde verboden.
  2. Op de voorbereiding van een beschikking op de aanvraag om ontheffing, dan wel tot wijziging of intrekking van een ontheffing is de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure niet van toepassing.

Titel 4 Boringsvrije zones

Bepaling 4.1

Het is verboden in boringsvrije zones een inrichting waarvoor het in artikel 8.1 van de wet gestelde verbod niet geldt in werking te hebben, indien en voor zover niet wordt voldaan aan de aan de algemene voorschriften die overeenkomstig bepaling 5.1 door Gedeputeerde Staten voor de boringsvrije zone zijn vastgesteld.

Bepaling 4.2

Het is verboden in boringsvrije zones buiten inrichtingen:

a. boorputten op te richten, in exploitatie te nemen of te hebben dieper dan 10 meter onder het maaiveld;

b. de grond dieper te roeren dan 10 meter onder het maaiveld of anderszins werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren; onder deze werken worden in elk geval verstaan ontgrondingen, bodemstabiliseringswerken, grond- en funderingswerken en het plaatsen en verwijderen van damwanden en heipalen.

c. warmtepompsystemen met een bodemwarmtewisselaar (gesloten systemen) op te richten

Bepaling 4.3

  1. De in bepaling 4.2 gestelde verboden gelden niet voor:

a. het oprichten van boorputten ten behoeve van het grondwaterbeheer voor zover daarvoor een vergunning krachtens de Grondwaterwet is vereist of algemene voorschriften krachtens de Wet bodembescherming gelden;

b. het saneren van de bodem dan wel het verrichten van handelingen tengevolge waarvan een verontreiniging van de bodem wordt verminderd of verplaatst, indien voor dat saneren of die handelingen door het bevoegd gezag in het kader van de Wet bodembescherming opdracht of toestemming is gegeven;

  1. De in bepaling 4.2 gestelde verboden gelden niet voor zover wordt voldaan aan de algemene voorschriften die overeenkomstig bepaling 5.1 door Gedeputeerde Staten zijn vastgesteld.

Bepaling 4.4

  1. Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van de in bepaling 4.2 gestelde verboden.
  2. Op de voorbereiding van een beschikking op de aanvraag om ontheffing, dan wel tot wijziging of intrekking van een ontheffing is de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure niet van toepassing.

Titel 5 Algemene voorschriften

Bepaling 5.1

  1. Gedeputeerde Staten kunnen ten aanzien van inrichtingen of gedragingen als bedoeld in:

a. bepaling 3.1.4, eerste lid,

b. bepaling 3.2.1, eerste lid,

c. bepaling 3A.1.3 eerste lid en bepaling 3A.2.1 eerste lid, en

d. bepaling 4.1 en bepaling 4.2 algemene voorwaarden vaststellen.

  1. Tot de voorschriften bedoeld in het eerste lid kan behoren de verplichting de inrichting of gedragingen te melden aan Gedeputeerde Staten of een door Gedeputeerde Staten aangewezen instantie.
  2. Voorafgaand aan het gebruik maken van de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid winnen Gedeputeerde Staten het advies in van de commissie en de inspecteur.
  3. Gedeputeerde Staten maken de algemene voorschriften, bedoeld in het eerste lid, bekend in het provinciaal blad.

Bijlage 10.B.1 Zwarte lijst-inrichtingen

Categorieën van inrichtingen waarvoor ingevolge bepaling 3.1.1 respectievelijk 3A.1.1 een oprichtingsverbod in de 25- respectievelijk 100-jaarsbeschermingszone van grondwaterbeschermingsgebieden geldt.

 

• ondergrondse opslag van brandbare vloeistoffen (k1, k2 en k3) t.b.v. de verkoop

• de opslag van meer dan 2500 kilogram bestrijdingsmiddelen in emballage

 

• vatenspoelinstallaties

• motorbrandstofpompen t.b.v. de verkoop

 

12.01 aardoliewinputten

12.03 aardolie- en gasexploratie (tijdelijke activiteit)

19.02 zoutwinning (putten)

 

24.1 lederfabrieken

 

25.23 houtconserveringsbedrijven (druk/vacuumprocessen of drenken e.d.)

 

28.1 aardolieraffinaderijen

28.21 cokesfabrieken

 

29.2 kunstharsenfabrieken e.d.

29.3 kleur- en verfstoffenfabrieken

29.49.3 grondstoffenfabrieken voor geneesmiddelen en fijnchemicalien v.z.v.: p.c. .= 1.000 t/j

29.8 chemische bestrijdingsmiddelenfabrieken

29.91 lijm- en plakmiddelenfabrieken

29.93 poetsmiddelenfabrieken

29.94 fotochemische productenfabrieken

29.95 springstoffen-, vuurwerkfabrieken e.d.

 

33.1 ruwijzer- en staalfabrieken

33.2 stalenbuizenfabrieken v.z.v.: p.o.> 2.000 m²

33.41 non-ferro-metaalerts-voorbewerkingsbedrijven v.z.v.: p.c > 1.000 t/j

33.42 primaire non-ferro-metaalfabrieken v.z.v.: p.c.>1.000 t/j

33.43 non-ferro-metaalsmelterijen e.d. v.z.v.: p.c.>4.000 t/j

 

34.4 overige constructiewerkplaatsen (excl. lakken) v.z.v.: p.o .= 2.000 m²

34.6 metalen emballage industrie (incl. lakken en moffelen)

34.93 metaaloppervlaktebehandelingsbedrijven v.z.v.: • anodiseren, eloxeren, • chemische oppervlaktebehandeling, • galvaniseren (vernikkelen, verchromen, verzinken, verkoperen e.d.)

 

36.21 elektromotoren- en generatorenfabrieken

36.22 schakel- en installatiemateriaalfabrieken

36.92 lampenfabrieken

36.95.1 fabrieken voor gedrukte bedrading

 

37.41-

37.45 scheepsbouw- en reparatiebedrijven v.z.v.:• metalen schepen =25 meter, • met proefdraaien verbrandingsmotoren =1 MW

37.47 scheepssloperijen

 

62.91-

62.92 schroot v.z.v.: • met schredders, persen, • autosloperijen

 

73.3 zeevaart laad-, los- en overslagbedrijven v.z.v.:• steenkool, • olie, LPG e.d., • tankercleaning

 

74.2 binnenvaart laad-, los- en overslagbedrijven v.z.v.: • steenkool met opslag oppervlak = 2.000 m², • tankercleaning

 

98.11.2 vuilstortplaatsen

98.11.4 chemisch afvaldepots

98.13 afvalbewerkingsbedrijven v.z.v.: • verwerking afgewerkte olie

Grijze lijst inrichtingen

Aanvullend op bovenstaande lijst geldt een oprichtingsverbod voor de volgende categorieën inrichtingen in de 25-jaarsbeschermingszones Boxmeer, Budel, Macharen, Nuland, Vessem, Vierlingsbeek, Vlijmen-Helvoirt en Waalwijk (resp. de nummers 23, 33, 21, 17, 29, 26, 18 en 16 -zie bijlage 6). Deze categorieën vormen de zogenaamde “grijze lijst” in het Provinciaal Milieubeleidsplan.

 

• ondergrondse opslag van brandbare vloeistoffen (K1, K2 en K3)

• de opslag van meer dan 250 kilogram bestrijdingsmiddelen in emballage

• de opslag van meer dan 2500 kilogram gevaarlijke stoffen

• bovengrondse opslag van brandbare vloeistoffen in tanks (K1, K2 en K3)

 

• olie en kolen gestookte stookinstallaties = 50 MW

• motorbrandstofpompen

 

01.16 intensieve veehouderij: • varkensmesterijen, • kalvermesterijen, • stiermesterijen

01.21/

01.27 tuinbouwbedrijven met open grondteelt

01.28 bijzondere tuinbouwbedrijven v.z.v.: • champignonkwekerijen, • bloembollen-droog- en prepareerbedrijven

01.29 tuinbouwbedrijven met bedekte teelt (kassen): • zonder kasverwarming, • met olie of kolengestookte kasverwarming

 

20.51 (biet-)suikerfabrieken

20.61 olie- en vettenfabrieken

20.62 margarinefabrieken e.d. v.z.v.: p.c. = 250.000 t/j

21.41 gist- en spiritusfabrieken v.z.v.: p.c. = 5.000 t/j

 

22.41 textielblekerijen, -ververijen, -drukkerijen

22.42 loonblekerijen, -ververijen, -drukkerijen

22.43 textielveredelingsbedrijven n.e.g.

 

25.71 meubelfabrieken (incl. lakspuiterij)

 

27.11 dagbladdrukkerijen

27.13 vlakdrukkerijen v.z.v.: • offset-vellen-drukkerijen, • offset-rotatie-drukkerijen

27.14 rotatie-diepdrukkerijen

 

28.22 bitumineus wegenbouwmaterialenfabrieken

28.23 bitumineus dakbedekkingsmaterialenfabrieken

28.24 smeeroliën- en vettenfabrieken

28.29 overige aardolie- en steenkoolproductenfabrieken v.z.v..: • steenkoolproductenfabrieken n.e.g., • aardolieproductenfabrieken n.e.g.

 

29.1 kunstmeststoffenfabrieken

29.42 anorganische chemische grondstoffenfabrieken n.e.g.

29.43 synthetische reuk- en smaakstoffenfabrieken

29.49.1 methanolfabrieken

29.49.2 vetzuren- en alkanolenfabrieken (niet synthetisch)

29.49.3 grondstoffenfabrieken voor geneesmiddelen en fijnchemicalien v.z.v.: p.c.< 1.000 t/j

29.49.4 organische chemische grondstoffenfabrieken n.e.g.

29.51 verf-, lak- en vernisfabrieken

29.71 zeep-, was- en reinigingsmiddelenfabrieken

29.92 chemische kantoorbenodigdhedenfabrieken

29.99 chemische productenfabrieken n.e.g.

 

30.0 kunstmatige en synthetische garen- en vezelfabrieken

31 Rubber- en kunststofverwerkende industrie

31.2 loopvlakvernieuwingsbedrijven, vloeropp. = 100 m²

32.41 cementfabrieken, p.c. = 100.000 t/j

32.43 gipsfabrieken, p.c. = 100.000 t/j

32.52 asbestcementwarenfabrieken, p.c. = 100 t/d

 

33.2 stalenbuizenfabrieken v.z.v.: p.o. < 2.000 m²

33.31 koudbandwalserijen, p.o. = 2.000 m²

33.32 profielzetterijen, p.o. = 2.000 m²

33.33 draadtrekkerijen e.d., p.o. = 2.000 m²

33.41 non-ferro-metaalerts-voorbewerkingsbedrijven .z.v.: p.c. < 1.000 t/j

33.42 primaire non-ferro-metaalfabrieken v.z.v.: p.c. < 1.000 t/j

33.43 non-ferro-metaalsmelterijen e.d. v.z.v.: p.c. < 4.000 t/j

33.44 non-ferro-metaalwalserijen, -trekkerijen e.d.

 

34.01 ijzer- en staalgieterijen

34.02 non-ferro-metaalgieterijen

34.11 grofsmederijen, anker- en kettingfabrieken v.z.v.: p.o. = 2.000 m²

34.12 stamp-, pers-, dieptrek- en forceerbedrijven

34.2 schroeven, massadraaiwerk-, veren- e.d. industrie

34.3 tank-, reservoir- en pijpleidingbouwbedrijven

34.4 overige constructiewerkplaatsen (excl. lakken) v.z.v.: p.o. < 2.000 m²

34.5 metalen meubelfabrieken e.d. (incl. lakken en moffelen)

34.7 c.v.-ketel en -radiatorenfabrieken (excl. moffelen)

34.8 overige metaalwarenind.

34.91 smederijen, lasinrichtingen, bankwerkerijen e.d.

34.93 metaaloppervlaktebehandelingsbedrijven v.z.v.: • mechanische oppervlaktebehandeling (slijpen, polijsten), • emailleren, • metaalharden, • lakspuiten en moffelen, • scoperen (opspuiten van zink), • thermisch verzinken, • thermisch vertinnen

 

35 machine-industrie v.z.v.: • p.o. = 2.000 m², • met proefdraaien verbrandingsmotoren = 1 MW

 

36.91 accumulatoren- en batterijenfabrieken

36.97/

36.98 elektrische en elektrotechnische apparatenfabrieken

 

37.1 autofabrieken en -assemblagebedrijven

37.41-

37.45 scheepsbouw- en reparatiebedrijven v.z.v.: • houten schepen, • kunststof schepen, • metalen schepen < 25 meter

37.46 scheepsschilder- en schoonmaakbedrijven e.d.

37.5 wagonbouw- en spoorwegwerkplaatsen (lijnwerkplaatsen)

37.7 vliegtuigbouw en –reparatiebedrijven

 

39.99.1 compostbedrijven

 

40.11 olie- en kolengestookte elektriciteitsproduktiebedrijven v.z.v. vermogen = 50 MW

 

61.18 gesloten opslag van dierlijke meststoffen

61.41 ertsen (incl. overslag)

61.44 minerale olieprodukten (excl. brandstoffen)

61.45 vaste, vloeibare en gasvormige brandstoffen

61.46 vaste brandstoffen v.z.v.: kolenterminal met opslagopp. = 2.000 m²

61.47 vloeibare brandstoffen

61.51 chemische grondstoffen en chemicalien voor industriele toepassing

61.52 bestrijdingsmiddelen

62.91-

62.92 schroot; algemeen

 

68.21 autoreparatiebedrijven (excl. plaatwerken, spuiten en tectyleren)

68.29 autoreparatiebedrijven n.e.g. met tectyleerderij

 

72.3 goederenwegvervoerbedrijf met schoonmaken tanks

 

73.3 zeevaart laad-, los- en overslagbedrijven v.z.v.: • stukgoed, • ertsen, mineralen e.d.

 

74.2 binnenvaart laad-, los- en overslagbedrijven v.z.v.: • ertsen, mineralen e.d., • steenkool opslag opp. < 2.000 m², • olie, LPG e.d.

 

75.21.1 luchthavens

75.21.3 vliegtuigverhuurbedrijven

 

90.6 land-, lucht- en zeemachtkazernes e.d.

 

96.12.2 sportaccomodaties v.z.v.: • skelterbanen, • autocircuits, motorcrossterreinen e.d.

 

98.11.3 vuiloverslagstations

98.11.4 gemeentewerven

98.13 afvalbewerkingsbedrijven v.z.v.: • kabelbranderijen, • oplosmiddelterugwinning, • vuilverbrandingsinrichtingen: huisvuil, slib, • vuilverbrandingsinrichtingen: chemisch afval, • verwerking fotochemisch en galvano-afval

98.14 ongedierte bestrijdings- en ontsmettingsbedrijven

98.32 chemische wasserijen en ververijen

 

p.c. = produktie capaciteit

p.o. = produktie oppervlak

o.c. = opslag capaciteit

t/j = ton per jaar

t/d = ton per dag

v.z.v. = voor zover

e.d. = en dergelijke

n.e.g. = niet eerder genoemd

t.b.v. = ten behoeve van

De geintegreerde tekst zal, inclusief kaartmateriaal, na publikatie in dit provinciaal blad en na inwerkingtreding van de verordening aan belanghebbenden worden toegezonden. Het is mogelijk bij het service-centrum van de Provincie Noord-Brabant, tegen vergoeding van kosten, een exemplaar van de integrale tekst van de PMV Noord-Brabant op te vragen (tel. (073) 681 25 25).

’s-Hertogenbosch, 9 november 2007

Gedeputeerde Staten voornoemd,

secretaris de voorzitter

drs. W.G.H.M. Rutten J.R.H. Maij-Weggen

Uitgegeven, 30 november 2007

De secretaris van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant,

drs. W.G.H.M. Rutten

Dit regelingenbestand is geen bekendmaking als bedoeld in artikel 136 van de Provinciewet. De wettelijke bekendmakingen vinden uitsluitend plaats in de provinciale bladen. De provincie aanvaardt geen aansprakelijkheid voor verschillen tussen de teksten in dit bestand en die in de provinciale bladen.