Groen Blauw Stimuleringskader Noord-Brabant Onderdeel Diensten

U bent hier:

  1. Regelgeving
  2. Algemeen register
  3. Recreatie en natuur
  4. Natuur
  5. Toelichting regeling

Groen Blauw Stimuleringskader Noord-Brabant Onderdeel Diensten

Geldig sinds 26 juli 2007. Versies
Geldig tot 24 december 2998.

Toelichting op deze verordening

1. ALGEMEEN

1.1 Kwaliteitsimpuls Landelijk Gebied

Het Stimuleringskader heeft tot doel bij te dragen aan de duurzame ontwikkeling van het platteland in landschappelijk, ecologisch, recreatief en sociaal-economisch opzicht. Het is daarmee een op uitvoeringsgerichte uitwerking van een Reconstructieplan, of vergelijkbaar plan voor de revitalisering van het landelijk gebied in de niet-reconstructiegebieden. Het Stimuleringskader geeft het landelijk gebied een kwaliteitsimpuls door enerzijds voor bewezen diensten, die verder gaan dan het ondernemersbelang, een vergoeding te bieden die bedrijfseconomisch reëel en interesPSANt is (kern van de beleidsregel), anderzijds door flankerende maatregelen die het natuur-, water- en landschapsbeheer effectiever maken (schil van de beleidsregel). Zo moeten lokaal en regionaal bevolking, overheden en belangenorganisaties zelf de wil tonen en het initiatief nemen om gezamenlijk tot een landschappelijke versterking en duurzaam onderhoud van hun landelijk gebied te komen. Het Stimuleringskader ondersteunt deze partijen, ondermeer door duurzame afspraken over uitvoering, organisatie en financiering.

1.2 Opbouw van het Stimuleringskader

Het Groen Blauw Stimuleringskader Noord-Brabant is opgebouwd uit twee onderdelen, te weten een onderdeel “diensten” en een onderdeel “éénmalige realisatie”. Het laatste onderdeel wordt in een later stadium verder uitgewerkt en zal in de plaats komen van enkele bestaande beleidsregelen en beleidsregels. Het onderdeel Diensten is uitgewerkt in onderhavige beleidsregel. Het principe achter dienstverlening is dat dienstverleners (de aanbieders van een dienst) een bijdrage leveren aan kwaliteitsverbetering van natuur en landschap, welke verder gaat dan de gebruikelijke goede landbouwmethode. Dienstverleners gaan daarvoor een langjarige verbintenis aan met de overheid.

1.3 Doelstelling en maatregelen

Het Stimuleringskader realiseert als geheel de meervoudige kwaliteitsimpuls van het landelijk gebied door behoud en versterking van natuur- en landschapsstructuren en bijzondere cultuurhistorische waarden, door het realiseren van de nieuwe opgaven voor duurzaam waterbeheer, en door het vergroten van de mogelijkheden om van het landelijk gebied te genieten. Het volgende maatregelenpakket moet in deze doelstelling voorzien.

MAATREGELEN GROEN BLAUW STIMULERINGSKADER – ONDERDEEL DIENSTEN
Realiseren hoofdaders
De hoofdstructuur bestaat uit de Ecologische verbindingszones (EVZ’s) zoals aangewezen op de plankaarten van het Streekplan, en uit Multifunctionele hoofdaders (MFH’s) die in het uitvoeringsprogramma kunnen worden aangewezen. Voor de EVZ’s behoeft dus geen programma meer te worden opgesteld, maar kan worden volstaan met een uitvoeringsplan. De hoofdstructuur moet qua aanleg en maatvoering passen bij de schaal en maat van het desbetreffende landschapstype. Als dragers van deze structuur zijn bijvoorbeeld waterlopen geschikt, maar ook brede ruigtestroken in open landschap (heideontginning) of brede graanstroken (essenlandschap). De hoofdstructuur maakt bij uitstek het combineren van natuur, waterbeheer en recreatieve ontsluiting mogelijk.
Realiseren fijne dooradering
De hoofdstructuur wordt ondersteund door een fijnere dooradering die de herkenbaarheid van het landschap vergroot. Die fijne dooradering bestaat uit voor dat landschapstype karakteristieke of bijzondere natuur-, landschaps- en cultuurhistorische waarden en elementen.
Realiseren duurzaam waterbeheer
Vanuit de visie van de waterschappen op het toekomstig functioneren van het watersysteem liggen er belangrijke opgaven om te komen tot een meer duurzame aanleg en onderhoud van dat systeem. Het nieuwe waterbeheer legt een groter beslag op het landelijk gebied. Dit biedt voor agrarische en particuliere grondgebruikers ook perspectief in de zin van een rol bij de berging en zuivering van water, en bij verdrogingsbestrijding.
Vergroten recreatief medegebruik van het agrarisch cultuurlandschap
Het Stimuleringskader wil ook bewerkstelligen dat het landelijk gebied beter wordt ontsloten voor de recreant door onder meer doorgaande onverharde wandelpaden met bijbehorende kleinschalige recreatieve voorzieningen te realiseren. Een dergelijke vorm van recreatie past ook bij de ecologische en landschappelijke doelstellingen die worden nagestreefd.

Tabel 1 Maatregelen onderdeel Diensten – Groen blauw Stimuleringskader

Onderhavige beleidsregel kent een modulaire opbouw, de gedefinieerde maatregelen kunnen worden onderverdeeld naar thema’s en vervolgens naar pakketten. Deze pakketten bestaan uit voorschriften ten aanzien van aanleg, onderhoud en maatvoering en kunnen als dienst worden toegepast. Voor zover gereed zijn deze pakketten per maatregel in de bijlagen C t/m F omschreven. De modulaire opbouw van het Stimuleringskader maakt dat alle maatregelen, thema’s en pakketten universeel deel uitmaken van de beleidsregel. Afhankelijk van de behoefte en bruikbaarheid kunnen deze echter selectief in een gebiedsgericht of thematisch uitvoeringsprogramma worden opgenomen. Om een Brabant-brede toepassing mogelijk te maken is, in ieder geval voor de fijne dooradering, gekozen voor een beperkte differentiatie naar landschapstypen, aandachtsgebieden en bijbehorende karakteristieke pakketcombinaties. Een aantal maatregelen is op dit moment nog niet gereed voor dienstverlening, zodra deze zijn ontwikkeld in de zin van thema’s en pakketten, zullen deze worden toegevoegd aan de beleidsregel. Op vergelijkbare wijze kunnen ook andere, nieuwe maatregelen, thema’s of pakketten, welke nu nog geen deel uitmaken van de beleidsregel, worden toegevoegd op het moment dat blijkt dat daar behoefte aan is. Omgekeerd kunnen ook pakketten of thema’s worden afgevoerd als bij evaluatie blijkt dat deze zich toch niet lenen voor realisatie door middel van dienstverlening.

1.4 Doelgroep

Het Stimuleringskader wil de uitvoering van het water-, natuur- en landschapsbeheer door (samenwerkende) agrariërs en particulieren laten verzorgen en beoogt overheden en tal van belangenorganisaties daarbij actief te betrekken. De beleidsregel stimuleert daarom op regionaal niveau samenwerking tussen gemeenten, waterschappen, landbouworganisaties, lokale natuurwerkgroepen, agrarische natuurverenigingen en de provincie. Zij moeten het, door het opstellen van uitvoeringsprogramma’s, mogelijk maken dat de feitelijke uitvoering van de maatregelen kan geschieden door de agrarische ondernemers en particulieren (tezamen: grondeigenaren en –gebruikers in het buitengebied) in de streek. De doelgroep van onderhavige beleidsregel is dan ook tweeledig. Enerzijds worden samenwerkingsverbanden gestimuleerd om uitvoeringsprogramma’s op te stellen. Zo’n programma vormt het randvoorwaardelijk- en toetsingskader voor de uitvoering van maatregelen. Tot de doelgroep behoren in dat geval o.a. gemeenten, waterschappen, landbouworganisaties, lokale natuurwerkgroepen, agrarische natuurverenigingen. Zij kunnen in aanmerking komen voor een financiële vergoeding voor het opstellen van een uitvoeringsprogramma. Anderzijds biedt onderhavige beleidsregel een instrument om maatregelen als dienst uit te laten voeren. Tot de doelgroep van “dienstverleners” behoren o.a. grondeigenaren en –gebruikers in het buitengebied.

1.5 Onderdeel diensten: beschrijving op hoofdlijnen

Binnen de beleidsregel worden onderscheiden: aandachtsgebieden, terreinen en elementen, en dienstverleners. Binnen aandachtsgebieden is het mogelijk om deel te nemen aan de beleidsregel. De aandachtsgebieden zijn weergegeven op de kaart die deel uitmaakt van het uitvoeringsprogramma. Binnen de aandachtsgebieden liggen terreinen en elementen. Op terreinen en/of elementen worden diensten, in de vorm van pakketten, afgesloten. Ieder terrein kent een dienstverlener. Wil de dienstverlener in aanmerking komen voor het Stimuleringskader dan dient hij het duurzaam gebruiksrecht van het perceel te hebben. Dienstverleners kunnen in het kader van deze beleidsregel zijn: volle eigenaren-gebruikers, pachters met reguliere pachtcontracten met een minimale looptijd van 6 jaar, en rechtspersonen als stichtingen en samenwerkingsverbanden. Wanneer tussen een eigenaar en een pachter een kortlopende pachtovereenkomst bestaat en er tussen eigenaar en pachter overeenstemming is ten aanzien van deelname aan deze beleidsregel, dan stimuleert deze beleidsregel het aangaan van pachtovereenkomsten van minimaal 6 jaar in de zin van reguliere pacht. Deze stimulans komt tot uiting door het uitsluiten van pachters met een pachtcontract korter dan 6 jaar. Een veel voorkomende pachttermijn bij eenmalige pacht is 12 jaar. Binnen deze contracten bestaat geen zekerheid over verlenging na het verstrijken van de pachttermijn. Dienstverleners met een dergelijk contract, kunnen binnen de eerste 6 jaar van het pachtcontract het duurzaam gebruiksrecht aantonen (12 - 6 = 6 jaar), daarna echter niet meer. In situaties dat een dergelijk contract al langer loopt dan 6 jaar worden pachter en verpachter gestimuleerd andere afspraken te maken, waardoor de dienstverlener dan toch beschikt over het duurzaam gebruiksrecht als bedoeld in deze beleidsregel. Terreinen en bestaande elementen in bezit van publiekrechtelijke rechtspersonen en natuurbeschermingsorganisaties zijn uitgesloten voor deelname aan deze beleidsregel en kunnen ook niet via pachtconstructies met dienstverleners onder de beleidsregel worden gebracht. Niet alle terreinen binnen aandachtsgebieden komen in aanmerking. Terreinen moeten in gebruik zijn als landbouwgrond. Daarnaast liggen terreinen altijd buiten de begrensde gebieden uit het Beheers- en landschapsgebiedsplan en het vigerende Natuurgebiedsplan, en niet binnen de bebouwde kom of in natuurgebieden. Uit het uitvoeringsprogramma is af te leiden welke maatregelen, thema’s en pakketten er in specifieke aandachtsgebieden gewenst zijn. Zo komen derhalve niet alle terreinen zondermeer in aanmerking voor dezelfde diensten uit hoofde van deze beleidsregel. Het uitvoeringsprogramma is hierin sturend en vormt dan ook het toetsingskader voor beschikking op aanvragen van dienstverleners. Dienstverleners kunnen worden beschouwd als de aanbieders van daadwerkelijke diensten. Voor het onderdeel fijne dooradering zijn diensten binnen deze beleidsregel vertaald naar pakketten. Pakketten worden aangelegd en/of onderhouden, en in geval van functieverandering, duurzaam in stand gehouden. Voor deze activiteiten ontvangen dienstverleners een vergoeding. Voor het onderdeel hoofdaders worden de aangeboden diensten nader omschreven in een aanleg- en onderhoudsplan dat aansluit op een bestaande integrale toekomstvisie. Dienstverleners kunnen ook zelf een dergelijke visie opstellen en uitwerken in een aanleg- en onderhoudsplan. Het aanleg en onderhoudsplan wordt door één of meerdere dienstverleners opgesteld en aangeboden aan Gedeputeerde Staten (GS) of een door GS aan te wijzen uitvoeringsorganisatie. De andere maatregelen dienen eerst nog verder te worden uitgewerkt alvorens opname binnen deze beleidsregel aan de orde is.

2. ARTIKELSGEWIJS

Algemene bepalingen

Artikel 3

Onderhavige beleidsregel voorziet in een instrument om dienstverleners te kunnen vergoeden voor geleverde diensten. Diensten hebben betrekking op de realisatie van maatregelen. Afspraken hieromtrent worden geregeld in een beschikking. Beschikkingen kunnen worden afgegeven in nader te begrenzen gebieden. Gebieden worden begrensd in een zogenaamd Gebiedsgericht Uitvoeringsprogramma (GUP) of een Thematisch Uitvoeringsprogramma (TUP). Uitvoeringsprogramma’s vormen, mits vastgesteld door GS en opengesteld middels een gebieds- of themacontract, het toetsingskader voor subsidieaanvragen en kunnen worden opgesteld door een samenwerkingsverband wat voldoet aan de voorwaarden als beschreven in bijlage B. Het opstellen van een uitvoeringsprogramma is randvoorwaardelijk voor het kunnen afgeven van beschikkingen. De wens van GS is dat het mogelijk moet zijn om in heel de provincie beschikkingen te kunnen afgeven binnen uitvoeringsprogramma’s. Om samenwerkingsverbanden te stimuleren over te gaan tot het opstellen van uitvoeringsprogramma’s wordt planvorming gesubsidieerd. Ook worden uit hoofde van deze beleidsregel vergoedingen uitgekeerd aan dienstverleners die zich willen professionaliseren. Cursussen die worden gegeven binnen het thema groen-blauwe dienstverlening, worden opgenomen in een provinciaal cursusprogramma. Dienstverleners die dergelijke cursussen met goed gevolg doorlopen, kunnen een deel van het cursusgeld vergoed krijgen.

Samengevat betekent het bovenstaande dat samenwerkingsverbanden uitvoeringsprogramma’s opstellen, welke als toetsingskader fungeren voor het afgeven van beschikkingen aan dienstverleners. Het provinciale cursusprogramma in combinatie met het gebieds- of themacontract, is het toetsingskader voor het afgeven van beschikkingen voor cursussen.

Artikel 4

De maatregelen hoofdaders, fijne dooradering, vergroten recreatief medegebruik en het actief randenbeheer zijn operationeel. De gezamenlijke waterschappen werken met de provincie aan het thema waterberging onder de maatregel duurzaam waterbeheer. Ook voor andere dan genoemde maatregelen of thema’s kan een nadere uitwerking plaatsvinden, indien GS het wenselijk acht deze via dienstverlening te realiseren. Deze kunnen dan later aan deze beleidsregel worden toegevoegd, bij besluit van GS. Om voor deze nieuwe diensten beschikkingen te kunnen afgeven dienen aandachtsgebieden begrensd te worden binnen uitvoeringsprogramma’s.

Artikel 5

GS zal de uitvoering van de beleidsregel in mandaat opdragen aan een of meerdere uitvoeringsorganisaties. Het besluit daartoe zal nader bekend gemaakt worden.

Artikel 6

In dit artikel is een anticumulatiebeding opgenomen die tegengaat dat door verschillende overheidsorganen door middel van verschillende instrumenten, gezamenlijk meer gesubsidieerd wordt dan op grond van deze beleidsregel zou kunnen worden verleend. De anticumulatiebepaling is zodanig geformuleerd dat, indien voor dezelfde of vergelijkbare doeleinden uit andere hoofde dan de onderhavige beleidsregel subsidie wordt verstrekt, de subsidiebijdrage wordt verminderd met de bijdragen die uit andere hoofde voor dezelfde of vergelijkbare doeleinden worden verstrekt.

Het opstellen van een GUP of TUP komt voor 50% voor rekening van het samenwerkingsverband dat als initiatiefnemer optreedt, en wordt voor de overige 50% (met een gesteld maximum) door de provincie gefinancierd. Uiteraard is de anticumulatie niet van toepassing op bijdragen die beschikbaar worden gesteld door partners binnen samenwerkingsverbanden. Mochten samenwerkingsverbanden vergoedingen ontvangen van publiekrechtelijke organen buiten het samenwerkingsverband, bijvoorbeeld van het Rijk, dan wordt de bijdrage uit hoofde van deze beleidsregel (dit betreft het provinciale deel van 50%), naar beneden bijgesteld.

Artikel 7

De uitvoeringsorganisatie van deze beleidsregel stelt een Stuurgroep in. Deze stuurgroep zal in aanvang een voortzetting zijn van de Stuurgroep welke actief was gedurende de totstandkoming van deze beleidsregel. Deze stuurgroep wordt, naast de desbetreffende vaste Commissie van advies uit Provinciale Staten, door GS gehoord, op het moment dat sprake is van wijziging van de gebiedsgerichte, thematische en modulaire toepassing van onderhavige beleidsregel.

Randvoorwaardelijk kader

Begrenzing en toepassing van het uitvoeringsprogramma

Artikel 8

In dit artikel wordt het toepassingsgebied van de beleidsregel aangeduid. Hieruit valt af te leiden dat de beleidsregel pas van kracht is wanneer er voor gebieden of thema’s uitvoeringsprogramma’s zijn vastgesteld door GS en er een gebieds- of themacontract is gesloten tussen betrokken partijen. Uit bijlage B blijkt dat een uitvoeringsprogramma ambitie beschrijft en deze ambities vertaald in een begroting. Het zal niet altijd zo zijn, dat er voldoende middelen beschikbaar zijn, om de ambities te kunnen realiseren. Daarom worden in het gebieds- of themacontract afspraken gemaakt over realistische taakstellingen, bijbehorende budgetten en de individuele en gezamenlijk inzet van beschikbare middelen. Uit dit artikel valt het belang af te leiden van de uitvoeringsprogramma’s. Zonder uitvoeringsprogramma kunnen maatregelen door middel van deze beleidsregel niet worden uitgevoerd. Een uitvoeringsprogramma heeft een gebiedsgericht of een thematisch karakter. Enkel in die gebieden waarvoor een uitvoeringsprogramma is vastgesteld of voor die thema’s waarvoor een thematisch uitvoeringsprogramma is vastgesteld, kan onderhavige beleidsregel een instrument bieden bij realisatie van maatregelen.

Artikel 9

Voor de uitvoering van de maatregel fijne dooradering lijkt onderhavige beleidsregel in karakter op de PSAN. Voor de uitvoering van de maatregel hoofdaders zijn er parallellen met de PSN. Het is geenszins de bedoeling dat deze beleidsregel in de plaats komt van de genoemde rijksregelingen. De onderhavige beleidsregel is juist aanvullend op het Programma Beheer. Dit betekent dat deze niet van kracht is binnen die gebieden waar Programma Beheer van kracht is. De toepassingsgebieden c.q. aandachtsgebieden van beide stimuleringskaders zijn geografisch van elkaar gescheiden.

Artikel 10

Artikel 11 geeft aan dat onderhavige beleidsregel niet van kracht is binnen de Ecologische Hoofdstructuur, zoals begrensd in het vigerende Natuurgebiedsplan of het Beheers- en landschapsgebiedsplan van Noord-Brabant. In onderhavig artikel worden hierop een tweetal uitzonderingen gemaakt. Deze beleidsregel beoogt een instrument te bieden om ook Ecologische Verbindingszones (EVZ’s) via dienstverlening te realiseren. Omdat de EVZ’s onderdeel vormen van de EHS, maar geen onderdeel van Programma Beheer, wordt hiervoor een uitzondering gemaakt ten opzichte van hetgeen bepaald is in artikel 9. De toepassingsgebieden voor de maatregel duurzaam waterbeheer zijn nog niet bekend, maar zullen door de waterschappen in overleg met de provincie worden vastgesteld. Naar verwachting vertonen deze gebieden overlap met de begrenzing van de EHS. Omdat onderhavige beleidsregel de mogelijkheid wil bieden om middels dienstverlening invulling te geven aan duurzaam waterbeheer in genoemde gebieden, binnen en buiten de EHS, wordt een uitzondering gemaakt ten opzichte van hetgeen bepaald is in artikel 9. Omdat Programma Beheer geen pakketten voor duurzaam waterbeheer kennen, conflicteert dit niet. In dit kader worden nog afspraken gemaakt met het ministerie van LNV.

Uitvoeringsorganisatie

Artikel 11-13

De door GS ingestelde Stuurgroep vervuld een belangrijk rol binnen de uitvoeringsorganisatie. Binnen de Stuurgroep, welke op provinciaal niveau opereert, hebben vertegenwoordigers zitting van de betalende partijen. Concreet betekent dit dat minimaal vertegenwoordigd zijn de waterschappen, de gemeenten en de provincie. De stuurgroep kan zich laten bijstaan door een ambtelijke werkgroep. Hiervan wordt in de artikelen geen melding gemaakt omdat deze groep geen bevoegdheden heeft en enkel als adviesorgaan richting de Stuurgroep optreedt. Indien de Stuurgroep dat wenst kan zij zich tevens laten adviseren door andere schakels binnen de uitvoeringsorganisatie, zoals het Centraal Administratiekantoor (CAK).

Artikel 14

Om een eenduidige uitvoering van de beleidsregel binnen de verschillende regionale uitvoeringsprogramma’s te waarborgen worden per uitvoeringsprogramma één of meerdere veld- of themacoördinatoren aangesteld. De themacoördinatoren zijn actief op bijvoorbeeld maatregelen als hoofdaders en duurzaam waterbeheer. Deze veld- of themacoördinatoren fungeren als intermediair tussen aanvragers van beschikkingen en de uitvoeringsorganisatie. Het organiseren van veld- of themacoördinatie c.q. het aanstellen van veld- en themacoördinatoren, wordt tevens geregeld om de kwaliteit van de begeleiding van potentiële dienstverleners, alsmede de volledigheid en correctheid van subsidieaanvragen te waarborgen. Veld- of themacoördinatoren worden in het kader van deze beleidsregel opgeleid. Binnen de opleiding komen zowel regelingstechnische als vakinhoudelijke aspecten aan de orde. De organisatie van deze opleiding valt onder de verantwoordelijkheid van GS. GS kunnen hiertoe instellingen aanwijzen welke de opleiding van veld- of themacoördinatoren verzorgen.

Financiering

Artikel 15 - 18

Partijen die binnen een samenwerkingsverband aan de slag gaan met het opstellen van een uitvoeringsprogramma dienen zich ervan bewust te zijn, dat zij ook aan de lat staan voor een gedeeltelijke financiering van de uitvoering van de maatregelen.

De kosten voor het realiseren en/of instandhouden van hoofdaders, een fijne dooradering, duurzaam waterbeheer, en het vergroten van het recreatief medegebruik, kunnen worden teruggebracht tot de kosten samenhangend met de uitkering van vergoedingen voor aanleg, onderhoud en inzet van grond. GS financieren 50% van de kosten, samenhangend met deze vergoedingen. De overige 50% worden gefinancierd door de nationale publiekrechtelijke partijen binnen het betreffende samenwerkingsverband naar rato van het belang. De beschikbaarheid van budgetten binnen het samenwerkingsverband bepaalt in principe derhalve het plafond. Het is toegestaan om in het gebieds- of themacontract met GS afspraken te maken over fluctuaties in de financieringsverhouding van 50%-50%. Aan het einde van de termijn welke gekoppeld is aan de geldigheidsduur van het gebieds- of themacontract, dient de verhouding op basis van nacalculatie wel de genoemde 50%-50% te bedragen. Het is dus mogelijk dat in de eerste 2 jaar van een 4 jaar lopend contract, GS 75% van de kosten voor haar rekening neemt en de andere nationale publiekrechtelijke partijen 25%. Dit betekent dat gedurende de tweede termijn van 2 jaar de verhouding precies andersom zal liggen.

Het is ook mogelijk om middelen van private partijen en in de toekomst wellicht Europa aan het gebieds- of themacontract toe te voegen. Deze middelen blijven echter in bovenstaande verdeling tussen provincie en nationale publiekrechtelijke partijen buiten beschouwing.

Van de cursuskosten neemt GS 50% voor haar rekening. De overige 50% worden naar rato van het belang bijeengebracht door de nationale publiekrechtelijke partijen binnen het samenwerkingsverband. Dit betekent bijvoorbeeld dat een gemeente, die veel deelnemers aan cursussen binnen haar grenzen kent, een grotere bijdrage levert aan de financiering van de kosten.

Voor kosten samenhangend met de organisatie van de uitvoering van onderhavige beleidsregel, geldt dat GS de algemene operationele kosten voor haar rekening neemt. Dit zijn kosten die op het provinciale niveau gemaakt worden, en waartoe onder meer behoren, de inzet van het Centraal Administratiekantoor, de algemene communicatiekosten en de kosten samenhangend met de opleiding van veld- en themacoördinatoren. Bij de uitvoering van de organisatie van deze beleidsregel worden ook specifieke operationele kosten onderscheiden. Tot deze kosten worden gerekend:

 de kosten samenhangend met de inzet van veld- of themacoördinatie,

 kosten samenhangend met de (regionale) communicatie en promotie, welke niet tot de provinciale operationele kosten worden gerekend,

 kosten voor monitoring en evaluatie van uitvoeringsprogramma’s.

Voor de hoogte van de specifieke operationele kosten geldt, dat nagestreefd wordt om het benodigd budget niet hoger te laten zijn dan een bedrag dat overeenkomt met 15% van de kosten voor het uitvoeringsbudget. Dit om te voorkomen dat een scheve verhouding ontstaat tussen kosten voor uitvoering en operationele kosten. Van de specifieke operationele kosten neemt GS 50% voor haar rekening. De overige 50% worden naar rato van het belang bijeengebracht door de nationale publiekrechtelijke partijen binnen het samenwerkingsverband. Dit betekent bijvoorbeeld dat een gemeente, die veel beschikkingshouders binnen haar grenzen kent of een hoger budget ter beschikking stelt, een grotere bijdrage levert aan de financiering van de veld- of themacoördinatie.

Artikel 19

Om problemen met de liquiditeitstroom te voorkomen dienen alle partners hun bijdragen in de financiering van de kosten jaarlijks voor 31 januari te storten op een door GS aan te wijzen rentedragende rekening. Mocht het budget van het voorgaande jaar niet volledig zijn uitgegeven dan wordt het resterende bedrag verrekend met de te plaatsen storting voor het nieuwe jaar. Over de PSANctionering bij het niet nakomen van deze verplichting kunnen partners afspraken maken in het gebieds- of themacontract (bijlage G).

Uitvoeringsprogramma

Algemeen

Artikel 20 – 22

Gedeputeerde Staten willen lokale of regionale samenwerkingsverbanden van privaat- en publiekrechtelijke rechtspersonen en natuurlijke personen stimuleren tot het opstellen van uitvoeringsprogramma’s. Uitvoeringsprogramma’s vormen het randvoorwaardelijk en toetsend kader voor de uitvoering van de maatregelen zoals opgenomen in deze artikelen. De lokale en regionale betrokkenheid bij, en verantwoordelijkheid voor, de uitvoering van onderhavige beleidsregel wordt hierdoor vergroot (“bottum-upprincipe”). Feitelijk valt uit het uitvoeringsprogramma af te leiden welke terreinen en elementen voor welke vorm van vergoeding in aanmerking komen. Het proces van de totstandkoming van een uitvoeringsprogramma bepaalt mede het draagvlak voor de uitvoering van deze beleidsregel.

Artikel 21 illustreert het duurzame karakter van deze beleidsregel. Een uitvoeringsprogramma kent in principe een geldigheidsduur van 10 jaar, tenzij partijen in het gebieds- of themacontract een andere termijn overeenkomen. Na het verstrijken van de geldigheidsdatum, is het niet meer mogelijk om geldige beschikkingen af te geven voor de uitvoering. Dit artikel waarborgt de continuïteit van de beleidsregel, door samenwerkingsverbanden, welke deelname aan het stimuleringskader wensen voort te zetten, te verplichten nog voor het verstrijken van de geldigheid van het lopende programma, een nieuw uitvoeringsprogramma ter goedkeuring aan te bieden aan GS.

De realisatie van maatregelen welke worden nagestreefd binnen onderhavige beleidsregel, wordt concreet vertaald naar thema’s en pakketten. Samenwerkingsverbanden bepalen op lokaal of regionaal niveau welke thema’s en pakketten, op welke plaatsen worden ingezet.

Artikel 23

Gedeputeerde Staten kunnen, op eigen initiatief of op verzoek van bijvoorbeeld de waterschappen, nieuwe thema’s of pakketten toevoegen aan deze beleidsregel. Door het toevoegen van thema’s of pakketten worden nieuwe diensten operationeel. Nieuwe uitvoeringsprogramma’s houden rekening met deze nieuwe diensten. Lopende uitvoeringsprogramma’s in principe niet. De modulaire opbouw van het Stimuleringskader maakt het echter eenvoudig om nieuwe diensten in lopende uitvoeringsprogramma’s in te passen, zodanig dat deze alsnog tot uitvoering kunnen worden gebracht. Zie hiervoor de toelichting bij artikel 24. Aanpassingen aan bestaande thema’s of pakketten hebben geen consequenties voor reeds afgegeven beschikkingen. Hiermee wordt invulling gegeven aan het “afspraak is afspraak”-principe, wat de betrouwbaarheid van de beleidsregel ten goede komt.

Artikel 24

Uitgangspunt is dat eenmaal vastgestelde uitvoeringsprogramma’s niet eerder worden gewijzigd dan als bedoeld in artikel 21. Uitzondering hierop vormen de bepalingen in dit artikel. Uitvoeringsprogramma’s kunnen alleen worden gewijzigd als de werkingssfeer wordt vergroot. Dit kan door het opnemen van nieuwe maatregelen, thema’s en/ of pakketten, en/of door het vergroten van het geografisch toepassingsgebied. Andere typen wijzigingen kunnen pas worden doorgevoerd in het nieuwe uitvoeringsprogramma als bedoeld in artikel 21. Natuurlijk zijn er altijd situaties denkbaar, anders dan bedoeld in lid a t/m e, die het toch wenselijk maken om het uitvoeringsprogramma tussentijds aan te passen. Voor deze situaties is lid f opgenomen. De beleidsregel gaat er vanuit dat partners, bovengenoemde aspecten meenemen in de overwegingen bij hun gezamenlijk besluit.

Telkens wanneer een aanpassing in een lopend uitvoeringsprogramma wordt doorgevoerd, wordt tevens de geldigheidsduur van het gehele uitvoeringsprogramma beoordeeld. Wijzigingen kunnen leiden tot het doorschuiven van de geldigheidsdatum.

Bijdrage in planvorming

Artikel 25-26

Zoals gesteld in artikel 3 lid a, kunnen samenwerkingsverbanden in aanmerking komen voor een tegemoetkoming in de kosten voor planvorming. Met planvormingskosten worden kosten bedoeld welke samenhangen met het opstellen van uitvoeringsprogramma’s. Per samenwerkingsverband wordt een zogenaamde partner aangewezen welke namens het samenwerkingsverband een aanvraag indient bij GS voor een bijdrage in de planvormingskosten. In Bijlage B wordt aangeven welke organisaties en instellingen gerechtigd zijn, om namens een samenwerkingsverband een vergoedingsaanvraag in te dienen. GS zullen in principe positief besluiten op aanvragen die in het kader van onderhavige beleidsregel zijn gedaan. Wanneer echter onvoldoende budget voorhanden is om de aanvraag te kunnen honoreren en/of de openstelling te kunnen garanderen, zal deze worden afgewezen. Daarnaast kan een aanvraag worden afgewezen wanneer niet of in onvoldoende mate, aan de richtlijnen wordt voldaan als gesteld in Bijlage B. In beide gevallen wordt de Stuurgroep gehoord.

Artikel 27

GS dragen voor 50% bij in de werkelijke kosten voor planvorming met een maximum van € 25.000,-- per uitvoeringsprogramma. Deze bijdrage wordt éénmalig toegekend. Samenwerkingsverbanden kunnen, ten behoeve van continuïteit van de beleidsregel, éénmaal per 10 jaar een beroep doen op deze bijdrage. Op verzoeken van samenwerkingsverbanden voor een tegemoetkoming in de kosten van planvorming, samenhangend met een aanpassing van lopende uitvoeringsprogramma’s binnen de gestelde termijn van 10 jaar, is het GS vrij hieraan tegemoet te komen dan wel het verzoek af te wijzen. Tevens staat het GS vrij om in dat geval zelfstandig de hoogte van die bijdrage vast te stellen.

Artikel 28

Het doel van planvorming is het gestalte doen geven aan een uitvoeringsprogramma op basis waarvan beschikkingen voor de uitvoering van maatregelen kunnen worden afgegeven. Wanneer het samenwerkingsverband het uitvoeringsprogramma niet binnen de gestelde termijn van één jaar weet op te leveren, dan wordt GS hiervan, met opgaaf van redenen, vroegtijdig en schriftelijk op de hoogte gesteld.

Artikel 30 -32

GS dragen alleen bij aan de financiering van planvorming indien het uiteindelijke uitvoeringsprogramma, daadwerkelijk haar goedkeuring kan dragen. Die goedkeuring en subsidievaststelling vindt tegelijkertijd plaats na het verzoek daartoe.

Gebieds- of themacontract

Artikel 34

Nadat een samenwerkingsverband een uitvoeringsprogramma heeft opgesteld, volgt de slag naar uitvoering. De uitvoering wordt door gebiedspartijen en GS geregeld in een gebieds- of themacontract. Het verschil tussen het uitvoeringsprogramma en het contract is dat in het uitvoeringsprogramma een ambitie staat omschreven en begroot en dat in het contract afspraken worden gemaakt over welk deel van die ambitie gedurende de looptijd van het contract voor realisatie in aanmerking komt. In het contract worden dus onder meer afspraken gemaakt over realistische taakstellingen, de beschikbaar gestelde budgetten voor uitvoering, cursussen & trainingen, de individuele bijdragen van de verschillende partijen en de dekking van de operationele kosten. De in het gebiedsof themacontract overeengekomen bijdragen bepalen derhalve de budgetplafonds voor uitvoering van de diensten. Ook de eventuele toepassing van flankerend beleid wordt in het contract vastgelegd.

Artikel 35

Uitgangspunt bij het opstellen van een gebieds- of themacontract is dat binnen het contract ook afspraken worden gemaakt over het openstellen van cursussen en trainingen. Professionalisering van de dienstverlener is één van de doelstellingen van deze beleidsregel. Niet alle cursussen en trainingstrajecten kunnen worden opgenomen in een contract. Uitgangspunt is dat cursussen en trainingstrajecten deel uit maken van een provinciaal cursusprogramma en geen deel uitmaken van een opleiding MBO of HBO bos- of landbouw. Samenwerkingsverbanden kunnen in het contract aangeven welke cursussen en trainingen uit het provinciale cursusprogramma zij belangrijk vinden en deze dus openstellen voor een tegemoetkoming in de cursuskosten voor dienstverleners. Alternatieve cursussen of trainingen kunnen op initiatief van een samenwerkingsverband worden opgenomen in het gebieds- of themacontract. Periodiek wordt het provinciaal cursusprogramma op grond van het door GS goedgekeurde alternatieve cursusaanbod geactualiseerd.

Artikel 37

Hoewel partners over monitoring en evaluatie afspraken kunnen maken binnen het gebieds- of themacontract, wordt bij beleidsregel bepaald, dat alle taakstellingen, uitvoeringsbudgetten en bijdragen per partner, minimaal eens per 4 jaar (kunnen) worden herzien en/ of bijgesteld. Bijstelling mag echter geen consequenties hebben voor de afgegeven beschikkingen aan dienstverleners en de daaruit voortkomende betalingsverplichtingen. Ook hierbij geldt weer het “afspraak-is-afspraak”-principe, wat de betrouwbaarheid van de beleidsregel ten goede komt. Voor de hoogte van de totale kosten aan cursussen of trainingen geldt, dat het streven is om het benodigd subsidiebudget niet hoger te laten zijn dan een bedrag wat overeenkomt met 2% van de kosten van het totale uitvoeringsbudget. Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat er een scheve verhouding ontstaat tussen kosten voor uitvoering en cursussen & trainingen.

Uitvoering

Aanvragen subsidie

Artikel 38

Ten behoeve van het aanvragen van subsidie uit hoofde van deze beleidsregel is, naast een algemene brochure, op alle maatregelen en voor de onderscheiden subsidievormen, een specifiek aanvraagformulier met toelichting beschikbaar (bijlage G).

Artikel 39

Een aanvrager kan geen beroep doen op deze beleidsregel indien de voorgestelde activiteiten deel uitmaken van verplichtingen die vanuit andere wet- of regelgeving zijn aangegaan. Het betreft alle overheidsbeleid, vanuit Europa, het Rijk, de Provincie, gemeenten en waterschappen.

Artikel 40

De aanvrager dient de aanvraag bij ondertekening door de betrokken veld- of themacoördinator voor akkoord te laten paraferen. Op deze wijze wordt de aanvraag in een vroegtijdig stadium getoetst op inhoud en rechtmatigheid, maar blijft de verantwoordelijkheid bij de aanvrager. Correspondentie over onduidelijkheden en ontbrekende of onvolledige informatie wordt hierdoor zoveel mogelijk voorkomen. De aanvrager krijgt een optimale begeleiding bij het uitwerken van de mogelijkheden en tevens betekent het een aanzienlijke verlichting van het takenpakket van het CAK. De maanden november en december zijn door het CAK vanuit administratief oogpunt benodigd voor een goede afhandeling van alle procedures en rapportageverplichtingen. Aanvragen kunnen, met uitzondering van de maanden november en december het gehele jaar worden ingediend. De veld- of themacoördinatie zal gedurende het gehele jaar de voorbereiding van aanvragen faciliteren.

Artikel 41

Het aanvraagformulier kent net als de beleidsregel een modulaire opbouw. De aanvrager geeft uitsluitsel over de maatregel waarop wordt ingezet, daarbinnen achtereenvolgens op welk thema en welke pakketten een beroep wordt gedaan, en of een vergoeding wordt gevraagd voor aanleg, onderhoud, inzet van grond en/of cursussen en training. Ook dient de aanvrager te vermelden of voor vergelijkbare activiteiten, al dan niet betrekking hebbend op hetzelfde gebied, terrein of element reeds in een ander kader subsidie wordt verkregen of is aangevraagd.

Artikel 42

Indien een eigenaar van gebied, terrein of element en de dienstverlener niet één en dezelfde persoon zijn, dient een aanvraag door beiden te worden ondertekend. De eigenaar verklaart daarmee akkoord te zijn met de voorgestelde aanleg van gebied, terrein of element en met de daarbij behorende lusten en lasten, zoals het ontvangen van de vergoeding in het geval sprake is van waardedaling van de grond, maar ook de consequenties indien blijkt dat zich dusdanige natuurwaarden hebben ontwikkeld op of in het gebied, terrein of element dat de aanleg en/ of het onderhoud vanuit bijvoorbeeld wet- en regelgeving (Flora & Faunawet) gehandhaafd dient te worden.

Artikel 43

Indien er met betrekking tot een terrein of element sprake is van gedeeld duurzaam gebruiksrecht, dan kan iedere individuele pachter of eigenaar in aanmerking komen voor subsidie bij toepassing van een pakket. Deze situatie kan zich voordoen in het geval bestaande of nieuwe elementen een gezamenlijke perceelsscheiding markeren.

De aanvraag dient dan vergezeld te gaan van een “duurzame overeenkomst” waaruit blijkt dat zij samenwerken inzake realisatie en/ of instandhouding van terrein of element waar de aanvragen betrekking op hebben. Dat betekent in alle gevallen dat die overeenkomst tenminste de duur van een tijdvak dient te hebben.

De vastgestelde bijdrage voor aanleg, onderhoud en/ of inzet van grond wordt in dat geval over de rechtmatige subsidieontvangers opgedeeld. Dit betekent dat als een element dienst doet als perceelsscheiding, en de beide eigenaren of pachters aan weerszijden van het element aantoonbaar over duurzaam gebruiksrecht beschikken, een ieder afzonderlijk in aanmerking komt voor maximaal 50% van de vastgestelde bijdrage voor dat type element, ongeacht of de beide eigenaren wel een beroep op de beleidsregel doen.

Artikel 44

Indien de toepassing van een pakket voor elementen, terreinen of gebieden een collectief karakter heeft, maar er geen sprake is van gedeeld duurzaam gebruiksrecht, dan wordt iedere individuele aanvraag getoetst op de bijdrage aan het gezamenlijk belang, namelijk de realisatie of het instandhouden van het desbetreffende pakket. Deze situatie doet zich voor indien bijvoorbeeld een houtwal zich uitstrekt langs drie percelen met een verschillende eigenaar of pachter, of in het geval dat vier naast elkaar gelegen eigenaren een deel van een hoofdader willen realiseren, maar ook indien alleen één van die eigenaren op zijn terrein een stuk van die hoofdader wil realiseren. De betrokken eigenaren of pachters dienen ieder individueel een aanvraag in, die alleen betrekking heeft op dat deel van het pakket dat op het eigen terrein of element van toepassing is.

Artikel 45

De vergoedingen voor diensten zoals omschreven in bijlage H worden jaarlijks voor 1 januari van het jaar waarop de bijdragen betrekking hebben herberekend op basis van de werkelijke loon- en prijsontwikkeling. De vastgestelde herberekende bijdragen worden bekendgemaakt in het Provinciaal blad.

Aanleg

Artikel 46

Een vergoeding voor aanleg van een gebied, terrein of element wordt verstrekt voor de pakketten zoals weergegeven in de bijlagen C t/m F en alleen indien die pakketten deel uit maken van het betrokken uitvoeringsprogramma (GUP/TUP) en het overeenkomstige gebieds- of themacontract. De door de aanvrager gepresenteerde aanleg en maatvoering van het desbetreffende gebied, terrein of element dient overeen te komen met de voorschriften van het pakket die hij of zij wil toepassen. Daarnaast dient tevens een aanvraag voor onderhoud van het betreffende terrein of element te zijn ingediend. Voor elementen of terreinen waarvoor, op grond van hun ligging in een Ruime Jas begrenzing, aanspraak kan worden gemaakt op specifieke pakketten uit de PSAN, kan niet voor vergelijkbare pakketten een beroep op deze beleidsregel worden gedaan. Zie hiervoor ook de toelichting op artikel 9.

Artikel 47

Uitgangspunt bij het toekennen van deze vorm van subsidie is dat die wordt verstrekt met het oog op het creëren van de noodzakelijke fysieke randvoorwaarden waarbinnen een pakket kan worden ontwikkeld en onderhouden. De aanleg moet randvoorwaardelijk zijn voor het tijdig ontwikkeld kunnen hebben van het pakket. Indien de dienstverlener, naast aanleg en onderhoud, ook in aanmerking wil en kan komen voor een vergoeding voor inzet van grond, en verzekerd wil zijn van daarvoor beschikbare middelen is het raadzaam om deze tegelijkertijd met de subsidie voor aanleg en onderhoud aan te vragen. Die maatregelen en ingrepen die weliswaar bijdragen aan de ontwikkeling van het pakket, maar op zichzelf niet strikt noodzakelijk zijn omdat de desbetreffende wijzigingen in het terrein of op de grond, ook langs de weg van regulier onderhoud kunnen worden bereikt, zijn aldus van deze subsidievorm uitgesloten.

Artikel 48

Voor de aanleg van pakketten ten behoeve van fijne dooradering en recreatief medegebruik is een termijn van 1 jaar gesteld waarbinnen de aanleg een feit dient te zijn. Alleen indien de aanvrager of een derde bezwaar aantekent tegen de afgegeven beschikking, en dus een bezwaarprocedure gaat lopen, gaat genoemde termijn pas in op het moment dat een besluit is genomen.

Is voorzien dat de aanlegwerkzaamheden ruim binnen deze termijn van 1 jaar kunnen worden uitgevoerd, dan kan voor de resterende maanden zogenaamd onderhoud in het kader van aanleg worden aangevraagd.

Ook voor eventuele beperkte werkzaamheden ten behoeve van de aanleg van sommige pakketten die deel uitmaken van de maatregel duurzaam waterbeheer wordt deze termijn aangehouden. In geval van pakketten met omvangrijke aanlegwerkzaamheden onder diezelfde maatregel en voor de hoofdaders, is een termijn van maximaal 3 jaar aangehouden na afgifte van de beschikking, mede in verband met benodigde proceduretijd voor ontheffingen en vergunningen. Indien een dienstverlener buiten zijn schuld niet aan de gestelde termijnen kan voldoen, kan GS besluiten om de dienstverlener uitstel te verlenen voor de aanleg.

Artikel 50

Een aanvraag wordt op individuele basis ingediend en een beschikking wordt ook aan de afzonderlijke subsidieontvanger afgegeven. Echter voor de aanleg van hoofdaders en sommige thema’s en pakketten onder de maatregel duurzaam waterbeheer, zoals bijvoorbeeld de realisatie van een blauwe knoop, moet het aangevraagde deel van de aanleg wel deel uitmaken van een bestaande integrale visie op de aanleg en het onderhoud van het gehele gebied of terrein. Bestaat een dergelijke visie nog niet, dan kan deze in overleg met betrokken partijen (waterschap, gemeenten, provincie) worden ontwikkeld. De integrale visie wordt door de aanvrager vertaald naar een individueel plan met uit te voeren aanleg- en onderhoudsmaatregelen. De veld- of themacoördinator zorgt voor een gerichte begeleiding van de individuele aanvrager en de gezamenlijke initiatiefnemers bij de planvorming. Desgewenst kan hier ook extern advies worden ingewonnen.

Artikel 51 – 53

Het aanleg- en indien vereist het onderhoudsplan dat bij de aanvraag is gevoegd, zal aangeven welke werkzaamheden waar in het terrein zullen plaatsvinden en welke kosten hiermee gemoeid zijn, eventuele opbrengsten worden verrekend. Subsidie wordt toegekend voor alle werkelijk gemaakte subsidiabele kosten. Tot de subsidiabele kosten worden ook de eigen arbeidskosten van de aanvrager gerekend, eventuele onderzoekskosten die voortkomen uit de verplichte toetsing aan wet- en regelgeving gedurende de planvorming, en specifieke onkosten zoals legeskosten voor bijvoorbeeld vergunningen. Voor de onderzoekskosten moet gedacht worden aan onderzoek naar aanwezige bijzondere flora en fauna, archeologische waarden en mogelijk aanwezige bodemverontreinigingen. De kosten voor planvorming en onderzoek mogen niet meer dan 20% van de totale subsidiabele projectkosten bedragen. Bij aanvragen die betrekking hebben op de maatregelen met een collectief karakter (hoofdaders, duurzaam waterbeheer) worden de kosten van planvorming en onderzoek opgedeeld tussen de individuele aanvragers naar rato van hun inbreng aan grond/ terreinen in het totale plan. Deze kosten die vaak al worden gemaakt ten behoeve van de aanvraag, en dus voorafgaand aan een beslissing op die aanvraag, worden tot de subsidiabele kosten gerekend.

Artikel 54

Het opstellen en toetsen van de begroting voor aanleg, onderhoud en inzet van grond gebeurt overeenkomstig de vergoedingssystematiek en –grondslagen zoals beschreven in bijlage H. De veld- of themacoördinatie is bekend met de toetsingscriteria van het CAK en begeleidt de initiatiefnemers bij het opstellen van de begroting. Het CAK kan aanvullende eisen stellen ten aanzien van de te treffen aanlegwerkzaamheden en legt de toetsingscriteria vast in een bij deze beleidsregel behorend zogenaamd “toetsingsdocument” dat op basis van voortschrijdend inzicht wordt geactualiseerd. Bij toetsing door het CAK kan blijken dat wijzigingen in het aanlegplan moeten worden doorgevoerd. Deze worden in de beschikking aangegeven. Gelet op de ondersteunende rol van veld- of themacoördinatie in het planvormingsproces zijn deze wijzigingen normaliter beperkt van aard.

Artikel 55

In het geval van aanleg van hoofdaders vermeldt de beschikking het betalingsritme van de voorschotten, dat is vastgesteld aan de hand van de specificatie in de aanvraag. Deze bevoorschotting wordt verricht op basis van facturen. Deze facturen hoeven nog niet betaald te zijn door de aanvrager. Uit de accountantscontrole zal blijken of een goede financiële afwikkeling heeft plaatsgevonden.

Artikel 57

Alleen indien de verleende subsidie meer dan € 50.000,-- bedraagt dient de financiële verantwoording vergezeld te gaan van een accountantsverklaring. Dit is in overeenstemming met de Algemene provinciale subsidieverordening. De kosten voor het opstellen van deze verklaring zijn subsidiabel.

Artikel 58

Het schriftelijk melden van omstandigheden als gevolg waarvan het niet mogelijk is te voldoen aan de verplichtingen dient tijdig te gebeuren. Het consulteren van de veld- of themacoördinatie wordt verplicht gesteld, om onnodige of onjuiste meldingen te voorkomen.

Artikel 59 – 60

Om de aanleg van de fijne dooradering, de kleinschalige werkzaamheden in geval van pakketten voor een duurzaam waterbeheer, en het plaatsen van kleinschalige recreatieve voorzieningen, binnen de gestelde aanlegtermijn van 1 jaar mogelijk te maken, wordt een voorschot van - in principe - 80% automatisch uitbetaald uiterlijk binnen 2 weken na verloop van de wettelijke bezwaarprocedure. Met de aanleg van de hoofdaders zijn normaliter aanzienlijke bedragen gemoeid. Om de subsidieontvanger tijdig over de benodigde middelen te kunnen laten beschikken is gekozen voor betaling van voorschotten op basis van werkelijk gemaakte kosten, overeenkomstig het vastgestelde betalingsritme, en na indiening van de bijbehorende facturen. Een snelle afhandeling van verzoek en daarop volgende betaling moet voorkomen dat de subsidieontvanger hoge kosten moet maken, of de aanlegwerkzaamheden stil moet leggen. De uitbetaling van voorschotten is gebonden aan de wettelijke termijnen die vanuit de bezwaarprocedure in acht moeten worden genomen.

Onderhoud

Artikel 62 – 63

Een vergoeding voor onderhoud van een gebied, terrein of element wordt verstrekt voor het onderhouden van pakketten, conform de voorschriften zoals weergegeven in de bijlagen C t/m F en alleen indien die pakketten deel uitmaken van het betrokken uitvoeringsprogramma én het overeenkomstige gebieds- of themacontract. Verschijningsvorm en maatvoering van het desbetreffende gebied, element of terrein dient overeen te komen met de voorschriften van het pakket dat de aanvrager wil toepassen. Voor elementen of terreinen waarvoor, op grond van hun ligging in een Ruime Jas begrenzing, aanspraak kan worden gemaakt op specifieke pakketten uit de PSAN, kan niet voor vergelijkbare pakketten een beroep op deze beleidsregel worden gedaan, waarbij wordt verwezen naar de toelichting op artikel 9 – 10.

Artikel 64

De hoogte van de jaarlijkse onderhoudssubsidie varieert per pakket, maar is gebaseerd op de eenheidsprijs per strekkende meter in het geval van lijnvormige elementen, dan wel per m² of ha in het geval van vlakvormige terreinen of elementen, of per stuk bij puntvormige elementen als landschapsboom of een recreatieve voorziening.

Artikel 66

Voor het vaststellen van de subsidie wordt de onderhoudsbijdrage per eenheid allereerst gerelateerd aan de daadwerkelijke lengte of het oppervlak van het desbetreffende gebied, terrein of element. In het geval sprake is van gedeeld duurzaam gebruiksrecht als beschreven in artikel 43 wordt de bijdrage vervolgens gedeeld door het aantal dienstverleners en verleend voor een looptijd van 6 jaar. De uiteindelijke onderhoudsvergoeding is de som van de jaarlijkse vergoedingen over de looptijd van de beschikking.

Artikel 67 – 69

De jaarlijkse bijdrage voor de onderhoudswerkzaamheden wordt na afloop van ieder jaar, en binnen 4 weken na de eerste dag van de maand zoals genoemd in de beschikking, automatisch aan de subsidieontvanger uitbetaald, tenzij deze zijn verplichtingen niet blijkt te zijn nagekomen. Indien de onderhoudsvoorschriften niet of nauwelijks zijn opgevolgd, wordt de subsidieverlening ingetrokken en uitgekeerde voorschotten teruggevorderd. Blijkt bij controle in het veld dat onderhoud in beperkte mate achterwege is gebleven dan wordt de subsidie gekort afhankelijk van de aard, schaal en duur van de tekortkoming in het onderhoud. Bij overdracht van het duurzaam gebruiksrecht aan een derde en bij overlijden van de subsidieontvanger wordt de subsidie vastgesteld over de periode dat daadwerkelijk onderhoud heeft plaatsgevonden en mits voldaan is aan de onderhoudsvoorschriften. In beide gevallen wordt in principe dus niet overgegaan tot terugvordering van reeds betaalde voorschotten omdat deze rechtmatig zijn verkregen voor verleende diensten.

Grond

Artikel 70

Het verstrekken van een vergoeding voor de inzet van grond is gerelateerd aan het door de subsidieontvanger in acht nemen van alle voorschriften van het desbetreffende pakket. Het tijdvak waarover subsidie voor de inzet van grond wordt verkregen loopt in principe parallel aan die van de onderhoudssubsidie en gaat dus van start op het moment dat de aanlegperiode afloopt. De beleidsregel stimuleert grondeigenaren en –gebruikers in het buitengebied om zoveel mogelijk, ook verschillende, diensten aan te bieden. Dat betekent ook dat op eenzelfde terrein mogelijk twee soorten diensten kunnen worden overeengekomen. Denk bijvoorbeeld aan waterberging, in combinatie met de aanleg van een poel of het onderhoud van een randenpakket, op één terrein. In een dergelijk geval wordt voor de grond waarop de diensten ruimtelijk overlappen (in het voorbeeld ter plekke van de poel), uiteraard een reële vergoeding voor de inzet van die grond uitbetaald.

Artikel 71

De vergoeding voor de inzet van grond wordt gebaseerd op grondwaardedaling of opbrengstderving. In beide gevallen is sprake van uitbetaling over een tijdvak van 6 jaar. In geval van grondwaardedaling wordt de totale vastgestelde waardedaling dan binnen dat tijdvak uitbetaald en wel in 6 gelijke jaarlijkse voorschotten. Deze grondwaardedaling wordt slechts éénmalig toegekend. Bij opbrengstderving is sprake van een vaste jaarlijkse bijdrage die ook als een voorschot wordt uitbetaald. Een vergoeding op deze grondslag blijft, in tegenstelling tot bij grondwaardedaling, ook na het verlopen van de eerste 6 jaar mogelijk. De vergoeding- en betalingssystematiek voor onderhoud en inzet van grond loopt op deze wijze synchroon en een te groot beslag op de uitvoeringsbudgetten van programma’s als gevolg van éénmalige uitkeringen wordt zo voorkomen.

Artikel 72

Voor alle pakketten, zoals weergegeven in de bijlagen C t/m F, wordt inzicht gegeven in de noodzaak tot duurzame planologische én/ of functionele zekerstelling, en daarmee samenhangend de grondslag waarop de vergoeding voor de inzet van grond wordt uitgekeerd. Bij een definitief én geheel gewijzigd grondgebruik (duurzame planologische én functionele zekerstelling) is in principe altijd sprake van grondwaardedaling. Indien het grondgebruik niet definitief én niet geheel wijzigt (geen duurzame planologische en functionele zekerstelling) is in principe sprake van opbrengstderving. Voor hoofdaders is altijd sprake van een definitief én geheel gewijzigd grondgebruik, voor de fijne dooradering en recreatieve belevingsmogelijkheden is dit pakketafhankelijk (bijlage H), bij de maatregel duurzaam waterbeheer is dit thema-afhankelijk.

Artikel 73

Indien duurzame planologische én/ of functionele zekerstelling vereist is, moet de dienstverlener, samen met de eventuele eigenaar, direct een kwalitatieve verplichting of erfdienstbaarheid voor wat betreft het nieuwe of aangepaste grondgebruik laten vastleggen. In het geval van een definitief én geheel gewijzigd grondgebruik dienen de dienstverlener en eventuele eigenaar bovendien bij de gemeente een schriftelijk verzoek in om het bestemmingsplan bij de eerstvolgende herziening te wijzigen, overeenkomstig het gewijzigde grondgebruik.

Artikel 74

Benadrukt moet worden dat zich vanuit andere wet- en regelgeving (Flora- en faunawet) omstandigheden kunnen voordoen die feitelijk een functieverandering (definitief én geheel gewijzigd grondgebruik) betekenen. De gerealiseerde aanleg en/ of het onderhoud mag in dat geval wellicht niet (direct) meer ongedaan worden gemaakt. Deze beleidsregel biedt dan, op eigen verzoek, de mogelijkheid om de vergoeding op basis van opbrengstderving om te zetten in een vergoeding op de grondslag van grondwaardedaling, uiteraard met de kwalitatieve verplichting om het nieuwe grondgebruik als zodanig duurzaam in stand te houden. Deze aanpassing kan alleen worden doorgevoerd op het moment dat de beschikking afloopt, tenzij GS op grond van een inhoudelijke beoordeling van mening zijn dat de omstandigheden een tussentijdse omzetting rechtvaardigen.

Artikel 75

De eindbegunstigde behoeft niet in alle gevallen de dienstverlener te zijn. In geval sprake is van planologische zekerstelling, en tevens duurzaam gebruiksrecht middels een reguliere pachtovereenkomst, kan de pachter de aanvrager en dienstverlener zijn, maar is de eigenaar van de grond degene die de vergoeding voor de waardedaling van die grond ontvangt.

Artikel 78

Indien sprake is van de verplichting tot planologische én/ of functionele zekerstelling dient de subsidieontvanger binnen 8 maanden na afgifte van de beschikking bij de notaris een kwalitatieve verplichting of erfdienstbaarheid te hebben getekend inzake het nieuwe of aangepaste grondgebruik. Bescheiden die dit aantonen moeten de aanvraag voor subsidievaststelling vergezellen.

Artikel 79

In de beschikking wordt de vergoeding voor de inzet van grond gespecificeerd naar de grondslag waarop wordt uitgekeerd. In geval van grondwaardedaling is uitgangspunt om binnen 6 jaar de totale waardevermindering van de grond als gevolg van het nieuwe of aangepast grondgebruik uit te betalen. Het bedrag wordt uitgekeerd in zes gelijke jaarlijkse termijnen. In het geval de vergoeding opbrengstderving betreft, is sprake van een jaarlijkse vergoeding die wordt geactualiseerd zoals omschreven in bijlage H. De uiteindelijk vastgestelde vergoeding betreft de som van de jaarlijkse vergoedingen over de looptijd van de beschikking.

Artikel 81

Bij een jaarlijks uitbetalen van de in de beschikking vastgestelde vergoeding, wordt na afloop van ieder jaar als voorschot automatisch aan de subsidieontvanger uitbetaald.

Artikel 82

Indien door de dienstverlener of eigenaar niet is voldaan aan het gestelde doel in de beschikking, namelijk het gedurende het tijdvak inzetten van de gronden ten behoeve van de toepassing van een pakket, wordt voor zover sprake is van opbrengstderving, de subsidiebijdrage vastgesteld overeenkomstig de in dit artikel vastgestelde percentages voor verlaging van de subsidie. Over dat deel van de gronden dat niet blijkt te zijn ingezet wordt dan geen subsidie uitbetaald en worden voorschotten teruggevorderd. In geval van grondwaardedaling wordt geen subsidie verleend, en worden alle voorschotten teruggevorderd, indien de subsidieontvanger geen kwalitatieve verplichting of erfdienstbaarheid notarieel heeft vastgelegd en/ of op andere wijze geen gevolg heeft gegeven aan het duurzaam zekerstellen van het nieuwe of aangepaste grondgebruik.

Cursussen en training

Artikel 83

Cursussen of trainingen zijn bedoeld om de subsidieontvanger beter in staat te stellen om de uitvoering van de maatregelen voor zijn rekening te nemen. Een bijdrage in de kosten van dergelijke cursussen of trainingen wordt dan ook alleen verstrekt indien de aanvrager reeds subsidieontvanger en dienstverlener is in het kader van deze beleidsregel, dan wel hier gelijktijdig door middel van een aanvraag gevolg aan geeft.

Artikel 84

De aanvrager kan in overleg met de veld- of themacoördinatie bezien welke training of cursus het beste is afgestemd op zijn dienstverlenende activiteiten in het kader van deze beleidsregel. Hij heeft daarbij de keuze uit het aanbod zoals opgenomen in het desbetreffende gebieds- of themacontract. Er wordt een éénmalige bijdrage in de werkelijke cursuskosten verstrekt tot een maximum van € 500,-- per cursus of training, waarbij het aantal te volgen cursussen en trainingen niet op voorhand wordt gelimiteerd. Onder cursuskosten worden in principe alle kosten verstaan die bij het volgen van de cursus of training ten laste komen van de deelnemer. GS kunnen nadere voorwaarden stellen aan de subsidiabele kostenposten.

Artikel 85 – 89

De aanvrager geeft op het aanvraagformulier aan welke cursus(sen) of training(en) hij of zij wil volgen, onder verwijzing naar het provinciaal cursusprogramma en/ of gebieds- of themacontract. Ook wordt gespecificeerd op welke subsidiabele kostenposten de aanvraag betrekking heeft. In de beschikking wordt vermeldt welke subsidiebijdrage is vastgesteld en zal worden uitgekeerd, nadat door de subsidieontvanger de bescheiden worden toegestuurd waaruit blijkt dat de cursus of training met goed gevolg is afgesloten. Die bescheiden betreffen een certificaat of getekende verklaring van de instantie die de cursus of training verzorgt. Tot de bescheiden behoort ook de factuur. Zodra genoemde bescheiden door GS zijn ontvangen wordt de subsidie vastgesteld en uitbetaald. Er worden geen voorschotten verleend.

Wijziging en intrekking

Artikel 90 - 93

Deze artikelen maken het mogelijk dat een dienstverlener gedurende een tijdvak een nieuw terrein of element voor subsidie in aanmerking brengt onder de reeds verleende beschikking. Hieraan worden een aantal criteria verbonden. Aangezien het om een verzoek tot wijziging van de beschikking gaat, blijft het tijdvak waarvoor de subsidie is verleend ongewijzigd. De subsidie voor het nieuwe terrein of element wordt naar evenredigheid vastgesteld en voor het resterende deel van het tijdvak waarvoor reeds subsidie was verleend. Bij een resterende looptijd van minder dan 1 jaar kan de verleende beschikking niet worden opengebroken.

Artikel 94 -97

Deze artikelen voorzien in bepalingen in geval van overdracht van het duurzaam gebruiksrecht of eigendom van gebieden, terreinen en elementen aan derden. Bij overdracht kan de subsidieverlening worden ingetrokken of genoemde derde kan de subsidieverplichtingen en de daaruit voortvloeiende rechten overnemen. Bij intrekking wordt de subsidie voor onderhoud en inzet van grond (indien sprake is van opbrengstderving) in principe vastgesteld over het tijdvak tot aan het moment van overdracht, en naar evenredigheid ten opzichte van de bijdrage als genoemd in de beschikking. Uitgangspunt hierbij is dat de subsidieontvanger zich heeft gehouden aan de pakketvoorschriften ten aanzien van onderhoud en de inzet van grond gedurende dat deel van het tijdvak, en daadwerkelijk in die jaren een dienst heeft geleverd en kosten heeft gemaakt om aan zijn verplichtingen te voldoen. In geval van subsidie voor de inzet van grond op basis van grondwaardedaling, en alleen indien de dienstverlener, dan wel de eigenaar, tevens de subsidieontvanger is die het duurzaam gebruiksrecht overdraagt, wordt de totale subsidie vastgesteld en uitbetaald aan de huidige subsidieontvanger. Immers door de zekerstelling is het nieuwe of aangepaste grondgebruik onomkeerbaar, en daarmee wordt het de eigen verantwoordelijkheid van de huidige dienstverlener of eigenaar om de grondwaardedaling te verrekenen bij de overdracht op een derde. Wil een derde de subsidieverplichtingen en rechten overnemen dan dient deze dit, bij voorkeur in overleg met de veld- of themacoördinatie, tijdig en schriftelijk bij Gedeputeerde Staten kenbaar te maken.

Artikel 98 - 101

Bij overlijden van de subsidieontvanger zullen de uit de subsidieverlening voortvloeiende rechten en plichten in beginsel overgaan op de erfgenamen, tenzij deze binnen uiterlijk 3 maanden te kennen geven hiervan af te willen zien. In dat geval wordt de subsidieverlening stopgezet en de subsidiebijdrage vastgesteld op gelijke wijze zoals toegelicht bij de artikelen 95 en 96. In geval van onteigening of verkoop aan een overheidsinstantie ten behoeve van de realisatie van een maatschappelijk doel, wordt de subsidieverlening ingetrokken en ook vastgesteld overeenkomstig artikel 96.

Werken ten algemene nutte

Artikel 102 - 105

Het kan voorkomen dat een dienstverlener niet aan zijn verplichtingen kan voldoen doordat werkzaamheden ten algemene nutte op (een deel van) het terrein of element worden uitgevoerd, zoals bijvoorbeeld de aanleg van elektriciteit- of gasleidingen. Indien de dienstverlener hierdoor tijdelijk of geheel niet meer aan de verplichtingen kan voldoen wordt de aanvraag tussentijds beëindigd of verkleind. Het kan ook voorkomen dat de dienstverlener voor de periode van de werkzaamheden vrijgesteld wordt van zijn verplichtingen, uiteraard wordt over deze periode ook geen vergoeding uitgekeerd.

Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 106

Een aanvrager die een uitvoeringsprogramma voor een gebied of thema wil laten opstellen door een samenwerkingsverband, en in aanmerking wil komen voor een subsidiebijdrage in de planvorming, kan bezwaar maken tegen het besluit van Gedeputeerde Staten op de ingediende aanvraag, of de vaststelling van de subsidiebijdrage. Het bezwaar kan zowel betrekking hebben op het onthouden van goedkeuring aan gebied of thema, dan wel inhoud van het programma, dan wel de hoogte van de vergoeding. Door Gedeputeerde Staten wordt binnen 10 weken een beslissing op het bezwaar genomen. Een aanvrager die in het kader van deze beleidsregel in aanmerking wil komen voor subsidieverlening op één of meerdere van de onderdelen aanleg, onderhoud, inzet van grond, of cursussen en training, kan bezwaar maken tegen het besluit van Gedeputeerde Staten op de ingediende aanvraag. Het bezwaar kan zowel betrekking hebben op het onthouden van goedkeuring op inhoudelijke gronden, dan wel de hoogte van de vergoeding. Alvorens bezwaar te maken kan de aanvrager advies inwinnen of een toelichting vragen bij de veld- of themacoördinatie. Gedeputeerde Staten kan een persoon of instantie belasten met de afwikkeling van de ingediende bezwaren. Door GS, danwel de belaste persoon of instantie wordt binnen 10 weken een beslissing op het bezwaar genomen, gehoord hebbende de motivatie van het CAK, en de mening van de veld- of themacoördinatie.

Versies van deze regeling

  • Er zijn geen andere versies.

Dit regelingenbestand is geen bekendmaking als bedoeld in artikel 136 van de Provinciewet. De wettelijke bekendmakingen vinden uitsluitend plaats in de provinciale bladen. De provincie aanvaardt geen aansprakelijkheid voor verschillen tussen de teksten in dit bestand en die in de provinciale bladen.