Provinciale Milieuverordening Noord-Brabant
gelezen het voorstel van Gedeputeerde Staten, d.d. 13 december 2005;
overwegende dat de tekst en de toelichting van de Provinciale Milieuverordening (PMV), zoals deze sinds 1 augustus 2004 geldt, op enkele plaatsen niet geheel correct is;
dat het wenselijk is de tekst en de toelichting aan te passen;
dat de strekking van de PMV onveranderd blijft en dat wijzigingen van zodanige aard zijn dat er uitsluitend sprake is van een technische aanpassing;
gelet op de bepalingen uit de Algemene wet bestuursrecht, de Provinciewet, de Wet milieubeheer en diverse Algemene Maatregelen van Bestuur;
gelet op het advies van de Commissie voor Ruimte en Milieu d.d. 28 april 2006;
Besluiten:
1) vast te stellen de navolgende technische aanpassing van de Provinciale milieuverordening (PMV);
2) dit besluit bekend te maken door publicatie in het Provinciaal Blad en in werking te laten treden per 1 juli 2006.
(zoals laatstelijk gewijzigd op 2 juni 2006)
Artikel 1.1
In deze verordening wordt verstaan onder:
a. de wet: de Wet milieubeheer;
b. de commissie: de Provinciale commissie Ecologie;
c. Gedeputeerde Staten: Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant;
d. provinciaal milieuprogramma: het provinciale milieuprogramma als bedoeld in artikel 4.14 van de wet;
e. een saneringsplan: een plan, bedoeld in artikel 39, eerste lid, van de Wet bodembescherming;
f. servicecentrum: servicecentrum als bedoeld in de Wet bodembescherming.
g. bijzonder gebied: een gebied als bedoeld in artikel 5.1.1 lid 1;
h. kwetsbaar gebied: een gebied als bedoeld in artikel 5.1.1 lid 2;
i. afvalwater: alle water waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen;
j. huishoudelijk afvalwater: afvalwater afkomstig van particuliere huishoudens en ander afvalwater dat naar zijn aard en samenstelling overeenkomt met afvalwater afkomstig van een particulier huishouden;
k. bedrijfsafvalwater: afvalwater, niet zijnde huishoudelijk afvalwater;
l. (gecertificeerde) IBA-III: een zuiveringssysteem voor de Individuele Behandeling van afvalwater met een zuiveringsrendement van 95 – 98 %;
m. de grondwateronttrekker: de houder van een inrichting als bedoeld in art. 15.34, tweede lid, van de wet.
[vervallen]
Artikel 2.1
[vervallen]
Artikel 2.2
[vervallen]
Artikel 2.3
[vervallen]
Artikel 2.4
[vervallen]
Artikel 2.5
[vervallen]
Artikel 2.6
[vervallen]
Artikel 2.7
[vervallen]
Artikel 2.8
[vervallen]
Artikel 2.9
[vervallen]
Artikel 2.11
[vervallen]
Titel 3.1 Voorbereiding
Artikel 3.1.1
Op de totstandkoming van een provinciaal milieubeleidsplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing met dien verstande dat:
a. het ontwerp van het plan gedurende acht weken ter inzage wordt gelegd ten kantore van de provincie en ten kantore van de in de provincie liggende gemeenten;
b. Gedeputeerde Staten voorafgaande aan de terinzagelegging in ieder geval kennis geven van het ontwerp van het plan in de Staatscourant;
c. een ieder in de gelegenheid wordt gesteld zijn zienswijze naar keuze mondeling of schriftelijk naar voren te brengen;
d. Gedeputeerde Staten een overzicht opstellen van de ingebrachte zienswijzen en van hetgeen zij naar aanleiding daarvan hebben overwogen;
e. Gedeputeerde Staten zo spoedig mogelijk een afschrift van het overzicht als bedoeld onder d toesturen aan degenen die hun zienswijze over het ontwerp van het plan hebben kenbaar gemaakt. Artikel 3:44 Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 3.1.2
Artikel 3.1.1 is van overeenkomstige toepassing op:
a. een besluit tot wijziging van het plan;
b. een besluit tot vaststelling van het provinciaal milieuprogramma als bedoeld in artikel 4.14 van de wet, voor zover dat betrekking heeft op gevallen als bedoeld in het tweede lid, onder a, sub 1 van dat artikel, met dien verstande dat de terinzagelegging van het ontwerp plaatsvindt gedurende een termijn van vier weken;
c. een besluit tot wijziging van de provinciale milieuverordening, met dien verstande dat de terinzagelegging van het ontwerp plaatsvindt gedurende een door Gedeputeerde Staten te bepalen termijn van tenminste vier weken, en ten aanzien van de besluiten als bedoeld onder b en c het bepaalde in artikel 3.1.1, onder b, niet geldt.
Titel 3.2 Beklag
Artikel 3.2
Een ieder kan schriftelijk en gemotiveerd zijn beklag doen over de uitvoering van dit hoofdstuk van de verordening.
De Verordening voor de Commissie van klachten en verzoeken is van toepassing op het beklag als bedoeld in lid 1.
Titel 4.1 Milieukwaliteitseisen
Gereserveerd
Titel 4.2 Instructies voor vergunningen voor inrichtingen en voor lozingen op oppervlaktewateren
Artikel 4.2.1
In deze titel wordt verstaan onder:
a. wet: de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (wet van 13 november 1969, houdende regelen omtrent de verontreiniging van oppervlaktewateren);
b. lozing: een lozing van huishoudelijk- of bedrijfsafvalwater die rechtstreeks of via een werk op oppervlaktewater plaatsvindt. Via een werk kan zijn dat het afvalwater via een op een vaste plaats gelegen afvoer of lozingspijp en al dan niet na voorzuivering op oppervlaktewater wordt geloosd. Indien door de waterkwaliteitsbeheerder voor de lozing een vervuilingheffing wordt geheven, wordt de lozing gezien als een oppervlaktewaterlozing.
Artikel 4.2.2
Indien het bevoegd gezag een vergunning krachtens artikel 1 van de wet verleent voor een lozing in kwetsbaar gebied, wordt aan de vergunning het voorschrift verbonden dat lozing geschiedt via een voorziening die voldoet aan de eisen van een (gecertificeerde) IBA-III.
Het in het voorgaande lid genoemde voorschrift wordt alleen aan de vergunning verbonden indien niet op grond van andere regelgeving de verplichting tot aansluiting op de riolering bestaat.
Het in het eerste lid genoemde voorschrift wordt door het bevoegd gezag uiterlijk binnen het nog niet verstreken deel van een redelijke afschrijvingstermijn van de voorziening verbonden aan reeds voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel verleende vergunningen voor lozingen op oppervlaktewater anders dan via een voorziening die voldoet aan de eisen van een (gecertificeerde) IBA-III.
Titel 4.3 Afvalstoffen
Artikel 4.3.0
In deze titel wordt verstaan onder:
a. inzamelen: ophalen van bedrijfs- of gevaarlijke afvalstoffen bij een persoon die zich van die afvalstoffen ontdoet door afgifte aan degene die die afvalstoffen ophaalt;
b. [Vervallen]
c. meldingenpunt: de Stichting Landelijk Meldingenpunt Afvalstoffen, opgericht door de gezamenlijke provincies;
d. [Vervallen]
e. Groene lijst van afvalstoffen: bijlage II van de verordening (EEG) nr. 259/93 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 1 februari 1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap (PbEG L30);
f. het Bouwstoffenbesluit: Het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterbescherming (Stb. 1995, 567);
g. bouwstof: een bouwstof als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b. van het Bouwstoffenbesluit, voorzover niet zijnde een primaire grondstof;
h. bouw- en slooplocatie: een samenhangend geheel van sloop- en bouwwerkzaamheden op één duidelijk begrensde aaneengesloten locatie;
i. secundaire grondstoffen: de na bewerking door een mobiele puinbreekinstallatie verkregen granulaten;
j. doelmatige wijze toepassen: het rechtstreeks ter plaatse van de bouw- en slooplocatie (doen) aanbrengen en (doen) houden van secundaire grondstoffen, conform het Bouwstoffenbesluit, welke een omvang hebben van meer dan vijftig gewichtsprocenten van het totaal op deze locatie vrijgekomen en bewerkt steenachtig materiaal, waarbij niet meer secundaire grondstoffen worden gebruikt dan uit civieltechnisch én bouwkundig oogpunt strikt noodzakelijk is;
k. werk: een werk als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a van het Bouwstoffenbesluit;
l. standaard RAW-bepalingen: standaardbepalingen van de RAW 2000;
m. BRL SBC-SL007: beoordelingsrichtlijn van de Stichting Beheer Certificatie voor het procescertificaat slopen;
n. BRL 2506: beoordelingsrichtlijn voor het KOMO-productcertificaat voor BSA-granulaten voor toepassing in de betonbouw en wegenbouw en voor het KOMO-attest met productcertificaat voor BSA-granulaten voor toepassing in de wegenbouw en voor het KOMO-attest met productcertificaat voor BSA-granulaten voor toepassing in de grondbouw;
o. Menggranulaat: granulaat voortkomend uit het breken van metselwerk en beton, zodanig dat het mengsel voor ten minste 45 procent (m/m) uit beton bestaat.
§ 4.3.1 Huishoudelijke afvalstoffen
Artikel 4.3.1.1
Bij de gemeentelijke verordening als bedoeld in artikel 10.10 van de wet worden regels gesteld omtrent de verwijdering van de volgende bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen direct na het ontstaan ervan en de afzonderlijke inzameling van die bestanddelen:
a. afvalstoffen als bedoeld in artikel 3 van het Besluit aanwijzing gevaarlijke afvalstoffen (Stb. 1993, 617), welke vallen onder de werking van artikel 4, eerste lid, van dat besluit (klein chemisch afval);
b. glas;
c. oud papier en karton;
d. textiel;
e. wit- en bruingoed waarop het Besluit verwijdering wit-en bruingoed (Stb. 1998, 238) van toepassing is;
f. asbesthoudend materiaal.
Bij de gemeentelijke verordening kan voor bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen als bedoeld in het eerste lid in het belang van de doelmatige verwijdering van die afvalstoffen worden bepaald dat:
a. deze bestanddelen moeten worden afgegeven aan een door de gemeente aangewezen inzameldienst of persoon dan wel moeten worden gebracht naar een daartoe door de gemeente aangewezen plaats;
b. regels als bedoeld in het eerste lid niet gelden voor daarbij aangewezen categorieen van personen.
Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels stellen omtrent de inhoud van de in het eerste en tweede lid bedoelde regels.
Artikel 4.3.1.2
Elke gemeente draagt er, al dan niet in samenwerking met andere gemeenten, zorg voor dat asbesthoudend materiaal, voor zover afkomstig uit particuliere huishoudens, kan worden achtergelaten op een daartoe door de gemeente aangewezen plaats.
Artikel 4.3.1.3
Burgemeester en wethouders brengen binnen de gemeente of binnen de gemeenten waarmee wordt samengewerkt een plaats tot stand en houden deze in stand, waar een leverancier als bedoeld in het Besluit verwijdering wit- en bruingoed een van een particulier huishouden teruggenomen product als bedoeld in genoemd Besluit kan achterlaten.
Artikel 4.3.1.4
Burgemeester en Wethouders doen jaarlijks vóór 1 juni aan Gedeputeerde Staten of een door Gedeputeerde Staten aangewezen instantie een opgave van de huishoudelijke afvalstoffen, inclusief hun bestemming, die in het daaraan voorafgaande jaar door of namens de gemeente zijn ingezameld of aan de gemeente of een persoon die in opdracht van de gemeente werkt, zijn afgegeven.
Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels stellen aan de in het eerste lid bedoelde opgave. Tot deze eisen kan behoren dat in de opgave onderscheid moet worden gemaakt naar daarbij aangewezen bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen.
Artikel 4.3.1.5
Paragraaf 4.3.3 Bedrijfsafvalstoffen is tevens van toepassing op ingezamelde of afgegeven huishoudelijke afvalstoffen.
§ 4.3.2 Afvalwater
Artikel 4.3.2.1
De aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 10.33, tweede lid, van de wet wordt in vijfvoud ingediend.
De aanvraag bevat ten minste de volgende gegevens en bescheiden:
a. het gemeentelijk rioleringsplan bedoeld in artikel 4.22 van de wet of, indien het plan nog niet is vastgesteld, een overzicht van de aanwezige voorzieningen en de overige gegevens, bedoeld in artikel 4.22, tweede lid, van de wet, voor dat deel van de gemeente waarop de aanvraag om ontheffing betrekking heeft;
b. een overzicht van de lozingssituatie in dat deel van de gemeente waarop het verzoek om ontheffing betrekking heeft;
c. een overzicht van de gevolgen voor het milieu wanneer geen voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater worden getroffen;
d. een overzicht van alternatieve voorzieningen voor verwerking van het afvalwater van de betreffende percelen;
e. indien over het voornemen van de gemeente tot het achterwege laten van de voorzieningen overleg is gevoerd met de betrokken waterkwantiteitsbeheerder en waterkwaliteitsbeheerder als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de waterhuishouding: de resultaten van dat overleg.
Artikel 4.3.2.2
Op de voorbereiding van een beschikking op de aanvraag om ontheffing als bedoeld in artikel 10.33, tweede lid, van de wet, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
Gedurende de in het tweede lid genoemde termijn kan een ieder zijn zienswijze omtrent het ontwerp naar voren brengen bij Gedeputeerde Staten.
Gedeputeerde Staten stellen de betrokken waterkwantiteitsbeheerder en waterkwaliteitsbeheerder, als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de waterhuishouding, en de inspecteur in de gelegenheid advies uit te brengen met betrekking tot de aanvraag om ontheffing en het daarop te nemen besluit.
Artikel 4.3.2.3
Gedeputeerde Staten beslissen op een aanvraag om ontheffing binnen een termijn van twaalf weken na ontvangst van de aanvraag.
Zij kunnen deze termijn eenmaal met ten hoogste twaalf weken verlengen.
Van een verlenging van de termijn stellen Gedeputeerde Staten de aanvrager en de adviseurs, bedoeld in artikel 4.3.2.2, vierde lid, op de hoogte.
Artikel 4.3.2.4
Gedeputeerde Staten kunnen beleidsregels vaststellen waarin de uitoefening van hun bevoegdheden op grond van deze paragraaf nader worden uitgewerkt
§ 4.3.3 Bedrijfsafvalstoffen
Afdeling 1 Algemeen
Artikel 4.3.3.1
In deze paragraaf wordt onder bedrijfsafvalstoffen mede verstaan ingezamelde of afgegeven huishoudelijke afvalstoffen.
Artikel 4.3.3.2
Als categorieën van inrichtingen waarop de regels van deze paragraaf rechtstreeks van toepassing zijn, worden aangewezen de categorieën van inrichtingen die zijn genoemd in bijlage I en II van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer.
Afdeling 2 Het gescheiden houden van bedrijfsafvalstoffen
Artikel 4.3.3.3
Een persoon aan wie bedrijfsafvalstoffen worden afgegeven die behoren tot een categorie die is genoemd in bijlage 4, onderdeel A, is - indien die afvalstoffen hem gescheiden van andere stoffen en afvalstoffen die niet behoren tot dezelfde categorie, zijn aangeboden - verplicht die afvalstoffen gescheiden te houden van andere stoffen en afvalstoffen die behoren tot een andere categorie, en gescheiden af te geven wanneer hij zich daarvan ontdoet.
Artikel 4.3.3.4
Een persoon die bedrijfsafvalstoffen transporteert die behoren tot een categorie die is genoemd in bijlage 4, onderdeel A, is - indien die afvalstoffen hem gescheiden van andere stoffen en afvalstoffen die niet behoren tot dezelfde categorie, zijn aangeboden - verplicht die afvalstoffen gescheiden te houden van andere stoffen en afvalstoffen die behoren tot een andere categorie.
Artikel 4.3.3.5
Gedeputeerde Staten kunnen met betrekking tot daarbij aangewezen categorieën van bedrijfsafvalstoffen, voor daarbij aangegeven categorieën van gevallen en voor een daarbij te bepalen termijn vrijstelling verlenen van de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 4.3.3.3 en 4.3.3.4, indien het belang van de doelmatige verwijdering van die afvalstoffen zich daartegen niet verzet.
Artikel 4.3.3.6
[vervallen]
Afdeling 3 Het inzamelen van bedrijfsafvalstoffen
Artikelen 4.3.3.7 tot en met 4.3.3.9
[Vervallen]
Afdeling 4 De melding inzake de afgifte en ontvangst van bedrijfsafvalstoffen
Artikel 4.3.3.10
Paragraaf 10.5.2 van de wet met betrekking tot de melding inzake de afgifte en ontvangst van gevaarlijke afvalstoffen is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de categorieën van bedrijfsafvalstoffen die in bijlage 4, onderdeel B, zijn aangewezen, met dien verstande dat
a. voor "persoon als bedoeld in artikel 10.30, tweede lid," wordt gelezen "persoon als bedoeld in artikel 10.19, tweede lid, onder a tot en met d";
b. de datum van afgifte niet behoeft te worden gemeld.
Artikel 4.3.3.11
De verplichting van artikel 10.31 van de wet tot het melden van de afgifte van bedrijfsafvalstoffen geldt niet in het geval de afgifte geschiedt aan een persoon als bedoeld in artikel 10.19, tweede lid, onder a tot en met d, van de wet.
Artikel 4.3.3.12
De verplichting van artikel 10.32, aanhef en onder a. van de wet tot het verstrekken van een omschrijving van de afvalstoffen aan een persoon als bedoeld in artikel 10.19, tweede lid, onder a tot en met d, geldt met betrekking tot bedrijfsafvalstoffen niet
a. voor de afgifte door overheidsorganen van onbeheerd achtergelaten of in beslag genomen afvalstoffen;
b. voor de afgifte van scheepsafvalstoffen vanaf zee- en binnenvaartschepen;
c. voor de afgifte van afvalstoffen die behoren tot een categorie als bedoeld in bijlage 4, onderdeel C, en bestemd zijn voor hergebruik, terugwinning dan wel andere handelingen gericht op het verkrijgen van herbruikbare stoffen, voor zover deze afvalstoffen niet zijn gemengd met andere stoffen of afvalstoffen die behoren tot een andere categorie;
d. voor de afgifte van afvalstoffen aan degene die deze afvalstoffen rechtstreeks toepast als bouwstof in een werk als bedoeld in het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterbescherming (Stb. 1995, 567);
e. voor de afgifte van afvalstoffen in een hoeveelheid van minder dan 2000 liter per afgifte;
f. voor afvalstoffen die worden vervoerd in een motorrijtuig van de rijbewijscategorie B;
g. indien de afgifte geschiedt aan een persoon die binnen de inrichting waarin de afvalstoffen zijn ontstaan, is gevestigd.
De verplichting van artikel 10.32, aanhef en onder b, van de wet om de vervoerder een begeleidingsbrief te verstrekken, geldt met betrekking tot bedrijfsafvalstoffen niet, indien de afvalstoffen:
b. buiten Nederlands grondgebied worden gebracht en vergezeld gaan van een afschrift of een exemplaar van het begeleidend document als bedoeld in de EEG-verordening overbrenging van afvalstoffen;1)
c. worden vervoerd in een motorrijtuig van de rijbewijscategorie B;
d. worden vervoerd in een hoeveelheid van niet meer dan 2000 liter op een andere wijze dan in een motorrijtuig van de rijbewijscategorie B
e. noot 1 EEG-verordening nr. 259/93 (PbEG 1993, L 30/1)
Artikel 4.3.3.13
Voor de in artikel 10.32, aanhef en onder a, van de wet bedoelde verstrekking van gegevens met betrekking tot de afgifte van bedrijfsafvalstoffen wordt gebruik gemaakt van een gegevensdrager die is goedgekeurd door Gedeputeerde Staten of een door hen aangewezen instantie.
De gegevens worden verstrekt voorafgaand aan de daadwerkelijke afgifte.
Artikel 4.3.3.14
Een persoon als bedoeld in artikel 10.19, tweede lid, onder b tot en met d, van de wet verstrekt:
a. voorafgaand aan de afgifte van afvalstoffen een afvalstroomnummer voor de afgifte van die afvalstoffen aan degene die zich van die afvalstoffen ontdoet, of, indien het tweede lid van dit artikel van toepassing is, aan degene die de afvalstoffen inzamelt;
b. de in het artikel 4.3.3.13, eerste lid, bedoelde gegevens alsmede het afvalstroomnummer, uiterlijk binnen twee weken na afloop van het kwartaal waarin de afgifte heeft plaatsgevonden, aan Gedeputeerde Staten of een door Gedeputeerde Staten aan te wijzen instantie;
Voor zover bedrijfsafvalstoffen worden ingezameld die tijdens het transport worden gemengd met van anderen afkomstige ingezamelde afvalstoffen die behoren tot dezelfde categorie, vraagt de persoon die de afvalstoffen inzamelt een afvalstroomnummer aan voor dat transport.
Een persoon die conform het tweede lid afvalstoffen inzamelt, vermeldt het afvalstroomnummer op de factuur die hij verstrekt aan degene die zich van die afvalstoffen ontdoet.
De verstrekking van gegevens geldt met betrekking tot de afgiften van de omschreven afvalstoffen voor onbepaalde tijd, tenzij gedurende achttien maanden geen afgifte met gebruikmaking van dat nummer heeft plaats gevonden.
Artikel 4.3.3.15
Gedeputeerde Staten kunnen met betrekking tot daarbij aangewezen categorieën van bedrijfsafvalstoffen voor daarbij aangegeven categorieën van gevallen en voor een daarbij te bepalen termijn vrijstelling verlenen van de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 4.3.3.14, eerste tot en met derde lid, indien het belang van een doelmatige verwijdering van die afvalstoffen zich daartegen niet verzet.
Artikel 4.3.3.16
De verplichting van artikel 10.33 van de wet tot het melden van de afgifte van bedrijfsafvalstoffen geldt, onverminderd het bepaalde in het tweede en derde lid van dit artikel, niet:
a. voor de afgifte door overheidsorganen van onbeheerd achtergelaten of in beslag genomen afvalstoffen;
b. voor de afgifte van scheepsafvalstoffen vanaf zee- en binnenvaartschepen;
c. voor de afgifte van afvalstoffen die behoren tot een categorie als bedoeld in bijlage 4, onderdeel C, en bestemd zijn voor hergebruik, terugwinning dan wel andere handelingen gericht op het verkrijgen van herbruikbare stoffen, voor zover deze afvalstoffen niet zijn gemengd met andere stoffen of afvalstoffen die behoren tot een andere categorie;
d. voor de afgifte van afvalstoffen aan degene die deze afvalstoffen rechtstreeks toepast als bouwstof in een werk als bedoeld in het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterbescherming (Stb. 1995, 567);
e. voor de afgifte van afvalstoffen aan een inzamelaar die tijdens het transport zijn gevoegd bij van anderen afkomstige ingezamelde afvalstoffen die behoren tot dezelfde categorie;
f. voor de afgifte van afvalstoffen in een hoeveelheid van minder dan 2000 liter per afgifte;
g. indien de afvalstoffen worden vervoerd in een motorrijtuig van de rijbewijscategorie B;
h. indien de afgifte geschiedt aan een persoon die binnen de inrichting waarin de afvalstoffen zijn ontstaan, is gevestigd;
Een persoon die afvalstoffen in ontvangst neemt die behoren tot een categorie als bedoeld in het eerste lid, onder a of b, of op een wijze als bedoeld in dat lid onder e, f of g, doet binnen twee weken na afloop van elk kwartaal aan Gedeputeerde Staten of een door Gedeputeerde Staten aangewezen instantie een opgave van de aard en in kilogrammen uitgedrukte hoeveelheid afvalstoffen die hij in dat kwartaal heeft ontvangen.
Een persoon die afvalstoffen in ontvangst neemt die behoren tot een categorie als bedoeld in het eerste lid, onder c of d, doet binnen een maand na een daartoe strekkend verzoek van Gedeputeerde Staten of een door Gedeputeerde Staten aangewezen instantie een opgave van de aard en de in kilogrammen uitgedrukte hoeveelheid van die afvalstoffen die hij heeft ontvangen in de periode die in het verzoek wordt genoemd.
Artikel 4.3.3.17
Een melding als bedoeld in artikel 10.33 van de wet met betrekking tot de afgifte van bedrijfsafvalstoffen wordt gedaan aan Gedeputeerde Staten of aan een door Gedeputeerde Staten aan te wijzen instantie.
De melding vindt plaats uiterlijk twee weken na afloop van het kwartaal waarin de afgifte heeft plaatsgevonden.
Voor de melding wordt gebruik gemaakt van een gegevensdrager die is goedgekeurd door Gedeputeerde Staten of een door hen aangewezen instantie.
Artikel 4.3.3.18
Personen die ingevolge de artikelen 4.3.3.11 en 4.3.3.16 vrijgesteld zijn van de verplichting de afgifte van bedrijfsafvalstoffen te melden, registreren de in de artikelen 10.31 en 10.33 van de wet bedoelde gegevens op een zodanige wijze dat controle daarvan door de krachtens artikel 18.4 van de wet aangewezen ambtenaren binnen een redelijke termijn mogelijk is.
Artikel 4.3.3.19
De verplichting van artikel 10.34 van de wet om een begeleidingsbrief bij de afvalstoffen aanwezig te hebben geldt met betrekking tot bedrijfsafvalstoffen niet voor degene die
a. afvalstoffen binnen Nederlands grondgebied of buiten Nederlands grondgebied brengt en deze vergezeld laat gaan van een afschrift of een exemplaar van het begeleidend document als bedoeld in de EEG-verordening overbrenging van afvalstoffen;
b. afvalstoffen vervoert in een motorrijtuig van de rijbewijscategorie B;
c. afvalstoffen vervoert in een hoeveelheid van niet meer dan 2000 liter op een andere wijze dan in een motorrijruig van de rijbewijscategorie B.
Voor de begeleidingsbrief, bedoeld in artikel 10.34 van de wet, wordt gebruik gemaakt van een gegevensdrager die is goedgekeurd door Gedeputeerde Staten of een door hen aangewezen instantie.
De goedkeuring als bedoeld in het tweede lid is niet vereist voor het vervoer van afvalstoffen die behoren tot een categorie als bedoeld in bijlage 4, onderdeel C, en bestemd zijn voor hergebruik, terugwinning dan wel andere handelingen gericht op het verkrijgen van herbruikbare stoffen, voor zover deze afvalstoffen niet zijn gemengd met andere stoffen of afvalstoffen die behoren tot een andere categorie;
Artikel 4.3.3.20
Een ieder die uitvoering geeft aan de meld- en registratieverplichtingen van deze afdeling, is verplicht:
a. indien hij gegevens registreert daarbij gebruik te maken van de Afvalstofcodelijst, die is opgenomen in de Handleiding afvalstofcode, uitgave december 1996 of een latere uitgave, dan wel de door Gedeputeerde Staten of een door hen aangewezen instantie goedgekeurde lijst.
b. de daarop betrekking hebbende gegevensdragers ten minste gedurende drie jaar te bewaren.
Artikel 4.3.3.21
In het belang van een goede uitvoering van deze afdeling kunnen door Gedeputeerde Staten of door een door hen aangewezen instantie nadere regels worden gesteld ten aanzien van de gegevens die ingevolge deze afdeling moeten worden gemeld of geregistreerd, de begeleidingsbrief en de facturen en de in deze afdeling genoemde gegevensdragers.
Gedeputeerde Staten kunnen met betrekking tot daarbij aangewezen categorieën van bedrijfsafvalstoffen voor daarbij aangegeven categorieën van gevallen en voor een daarbij te bepalen termijn vrijstelling verlenen van de verplichtingen, bedoeld in paragraaf 10.5.2 van de wet en in de artikelen 4.3.3.13, 4.3.3.16, tweede lid, 4.3.3.17, 4.3.3.18 en 4.3.3.20, indien het belang van een doelmatige verwijdering van die afvalstoffen zich daartegen niet verzet.
Afdeling 5 Provinciegrensoverschrijdend verkeer van bedrijfsafvalstoffen
Artikelen 4.3.3.22 tot en met 4.3.3.25
[Vervallen]
Afdeling 6 Mobiele installaties
Artikel 4.3.3.26 tot en met 4.3.3.29
[Vervallen]
§ 4.3.4 Gevaarlijke afvalstoffen
Afdeling 1 Algemeen
Artikel 4.3.4.1
Als categorieën van inrichtingen waarop de regels van deze paragraaf rechtstreeks van toepassing zijn, worden aangewezen de categorieën van inrichtingen die zijn genoemd in de bijlagen I en II van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer.
Afdeling 2 De melding inzake de afgifte en ontvangst van gevaarlijke afvalstoffen
Artikel 4.3.4.2
Voor de in artikel 10.32, aanhef en onder a, van de wet bedoelde verstrekking van gegevens wordt gebruik gemaakt van een door het meldingenpunt goedgekeurde gegevensdrager. De gegevens worden verstrekt voorafgaand aan de daadwerkelijke afgifte.
Voor de begeleidingsbrief, bedoeld in artikel 10.34 van de wet, wordt gebruik gemaakt van een door het meldingenpunt goedgekeurde gegevensdrager.
Artikel 4.3.4.3
Een melding als bedoeld in artikel 10.31, respectievelijk artikel 10.33 van de wet wordt gedaan aan het meldingenpunt.
De melding vindt plaats binnen zes weken na de dag waarop de afgifte heeft plaatsgevonden.
Voor de melding wordt gebruik gemaakt van een door het meldingenpunt goedgekeurde gegevensdrager.
Artikel 4.3.4.4
De verplichtingen ingevolge de artikelen 10.31 en 10.33 van de wet tot het melden van de afgifte, respectievelijk de ontvangst, van gevaarlijke afvalstoffen, gelden niet indien de afgifte geschiedt aan :
a. een persoon die binnen de inrichting waarin de afvalstoffen zijn ontstaan, is gevestigd;
b. een depot dat - voor zover het de opslag van gevaarlijke afvalstoffen betreft - uitsluitend bestemd is voor het bewaren van gevaarlijke afvalstoffen die
1. voor de ontvangst werden aangemerkt als klein chemisch afval als bedoeld in het Besluit Kca-logo (Stb. 1994, 22) en
2. in een hoeveelheid van ten hoogste 50 kilogram in totaal, per afgifte bij het depot worden afgegeven door degene die zich daarvan ontdoet.
c. een persoon die per afgifte niet meer dan maximaal 50 kilogram in totaal inzamelt.
Artikel 4.3.4.5
De verplichting tot het melden van de afgifte van gevaarlijke afvalstoffen ingevolge artikel 10.31 van de wet geldt niet in geval de afgifte geschiedt door:
a. [Vervallen]
b. een depot als bedoeld in artikel 4.3.4.4, onder b;
c. een persoon als bedoeld in artikel 4.3.4.4, onder c.
Artikel 4.3.4.6
De verplichting van artikel 10.32, aanhef en onder a, van de wet om een omschrijving van de afvalstoffen aan de ontvanger te verstrekken, geldt niet voor:
a. de afgifte door overheidsorganen van onbeheerd achtergelaten of in beslag genomen afvalstoffen;
b. de afgifte van scheepsafvalstoffen als bedoeld in bijlage 5, onder 1, vanaf zee- en binnenvaartschepen.
c. de afgifte aan een persoon als bedoeld in artikel 4.3.4.4, onder a;
d. de afgifte aan een depot als bedoeld in artikel 4.3.4.4, onder b;
e. de afgifte aan een persoon als bedoeld in artikel 4.3.4.4, onder c.
Artikel 4.3.4.7
De verplichting van artikel 10.33 van de wet tot het melden van de ontvangst van gevaarlijke afvalstoffen geldt niet voor de afgifte van poetsdoeken door en waarvan de afgifte met het oog op de reiniging daarvan plaatsvindt.
Artikel 4.3.4.8
Personen als bedoeld in de artikelen 10.31, eerste lid, en 10.33, eerste lid, van de wet, die ingevolge de artikelen 4.3.4.4, 4.3.4.5 of 4.3.4.7 vrijgesteld zijn van de verplichting de afgifte, respectievelijk de ontvangst van gevaarlijke afvalstoffen te melden, registreren de in die wetsartikelen bedoelde gegevens op een zodanige wijze dat controle daarvan door de krachtens artikel 18.4 van de wet aangewezen ambtenaren binnen een redelijke termijn mogelijk is.
Artikel 4.3.4.9
Degene die uitvoering geeft aan de artikelen 10.31, 10.32, 10.33, of 10.34 van de wet is verplicht:
a. indien hij gegevens registreert daarbij gebruik te maken van de Afvalstofcodelijst, die is opgenomen in de door het meldingenpunt opgestelde Handleiding afvalstofcode, uitgave december 1996 of een latere uitgave dan wel de door het algemeen bestuur van het Samenwerkingsverband Interprovinciaal Overleg aangewezen lijst die met betrekking tot dat onderwerp de geldende norm is;
b. de daarop betrekking hebbende gegevensdragers ten minste gedurende drie jaar te bewaren.
Afdeling 3 Het inzamelen van gevaarlijke afvalstoffen
Artikelen 4.3.4.10 tot en met 4.3.4.16
[Vervallen]
§ 4.3.5 Voorschriften voor inrichtingen
Artikel 4.3.5.1
[Vervallen]
§ 4.3.6 Gemeentelijke samenwerking
Gereserveerd
Titel 4.4 Gebruik van gesloten stortplaatsen
Artikel 4.4.1. Begripsbepaling
In deze titel wordt verstaan onder:
a. voormalige stortplaats : een stortplaats waar vóór 1 september 1996 het storten van afval is beëindigd;
b. gesloten stortplaats : een stortplaats als bedoeld in artikel 8.47, eerste lid, onder c., van de wet;
c. hergebruik : nieuwe gebruiksfunctie voor een voormalige of gesloten stortplaats;
d. hergebruikplan : het plan, bedoeld in artikel 4.4.5;
e. Nota : de Nota “Hergebruik van stortplaatsen”, vastgesteld bij besluit van Gedeputeerde Staten van …. nr…. ….;
f. Nazorgplan : het nazorgplan bedoeld in artikel 8.49, derde lid, van de wet;
g. nazorgvoorzieningen : de voorzieningen ter bescherming van het milieu, bedoeld in artikel 8.49, eerste en tweede lid, van de wet, dan wel soortgelijke voorzieningen die zijn aangebracht op een voormalige stortplaats;
h. werk : grondwerk, wegenbouwkundig werk, waterbouwkundig werk of bouwwerk.
Artikel 4.4.2 Verbodsbepaling
Het is verboden in, op, onder of over een plaats waar de in artikel 8.49 van de wet bedoelde zorg met betrekking tot een gesloten stortplaats wordt uitgevoerd
a. werken te maken of te behouden;
b. stoffen of voorwerpen, niet zijnde afvalstoffen, te storten, te plaatsen of neer te leggen, of deze te laten staan of liggen;
c. andere dan de onder a of b bedoelde handelingen te verrichten of handelingen na te laten indien ten gevolge daarvan de instandhouding van de maatregelen, bedoeld in artikel 8.49, eerste lid, van de wet, belemmerd kan worden, dan wel de aanwezige nazorgvoorzieningen beschadigd kunnen worden.
Het eerste lid is niet van toepassing op:
a. het treffen van maatregelen volgens een nazorgplan waarmee gedeputeerde staten hebben ingestemd;
b. handelingen waarvoor het in artikel 8.1, eerste lid, van de wet gestelde verbod geldt;
c. handelingen verricht binnen een inrichting waarvoor een vergunning krachtens artikel 8.1. van de wet is verleend;
d. handelingen ter uitvoering van maatregelen welke zijn opgenomen in een beschikking als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Wet bodembescherming.
Artikel 4.4.3
Het is verboden in, op, onder of over een voormalige stortplaats
a. werken te maken of te behouden;
b. stoffen of voorwerpen, niet zijnde afvalstoffen, te storten, te plaatsen of neer te leggen, of deze te laten staan of liggen;
c. andere dan de onder a of b bedoelde handelingen te verrichten of handelingen na te laten indien ten gevolge daarvan de aanleg van nazorgvoorzieningen verhinderd kan worden, dan wel de aanwezige nazorgvoorzieningen beschadigd kunnen worden.
Het eerste lid is niet van toepassing op:
a. het treffen van maatregelen volgens een hergebruikplan waarmee gedeputeerde staten hebben ingestemd;
b. handelingen waarvoor het in artikel 8.1, eerste lid, van de wet gestelde verbod geldt;
c. handelingen verricht binnen een inrichting waarvoor een vergunning krachtens artikel 8.1. van de wet is verleend;
d. handelingen ter uitvoering van maatregelen welke zijn opgenomen in een beschikking als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Wet bodembescherming.
Artikel 4.4.4 Ontheffing
Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van de in artikel 4.4.2, eerste lid en artikel 4.4.3, eerste lid, gestelde verboden indien het belang dat de gesloten of voormalige stortplaats geen nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt, zich daartegen niet verzet.
Aan een ontheffing worden in ieder geval voorschriften verbonden die tot doel hebben:
a. de bereikbaarheid van de nazorgvoorzieningen te garanderen;
b. aantasting van de nazorgvoorzieningen te voorkomen;
c. te voorkomen dat de uitvoering van de nazorg anderszins wordt belemmerd.
Op de voorbereiding van een beschikking op de aanvraag om ontheffing, dan wel tot wijziging of intrekking van een ontheffing is de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing.
Artikel 4.4.5 Over te leggen gegevens
De aanvraag voor de ontheffing, bedoeld in artikel 4.4.4, wordt in drievoud bij Gedeputeerde Staten ingediend.
In de aanvraag worden de volgende gegevens overgelegd:
a. naam en adres van de aanvrager;
b. een beschrijving van het voorgenomen gebruik van de gesloten of voormalige stortplaats en – indien van toepassing - van het gebied waarin de nazorgvoorzieningen zijn gelegen;
c. het adres, de kadastrale aanduiding en een kadastrale kaart, waarop het voorgenomen gebruik als bedoeld onder b. is aangegeven;
d. de naam en het adres van een ieder die een zakelijk of een persoonlijk recht heeft op het grondgebied onder c;
e. een overzicht van de benodigde vergunningen, meldingen en toestemmingen om het voorgenomen gebruik en, indien van toepassing, de aanleg van nazorgvoorzieningen te kunnen realiseren;
f. de maatregelen die worden getroffen om:
g. 1º (indien van toepassing) de aanleg van nazorgvoorzieningen te realiseren;
h. 2º de bereikbaarheid van de nazorgvoorzieningen te garanderen;
i. 3º aantasting van de nazorgvoorzieningen te voorkomen;
j. 4º anderszins de uitvoering van de nazorg niet te belemmeren;
k. de wijze van evaluatie van en rapportage over de uitvoering van de onder f bedoelde maatregelen.
De bij de aanvraag om ontheffing behorende stukken worden door of namens de aanvrager gekenmerkt als behorende tot de aanvraag.
Artikel 4.4.6 Hergebruikplan
Degene die een aanvraag om ontheffing als bedoeld in artikel 4.4.4 indient teneinde de voormalige of gesloten stortplaats voor hergebruik in te richten, overlegt tevens een hergebruikplan.
In het hergebruikplan wordt tot uitdrukking gebracht op welke wijze voldaan wordt aan de randvoorwaarden voor hergebruik van voormalige en gesloten stortplaatsen als omschreven in de Nota.
Het hergebruikplan wordt door of namens de aanvrager gekenmerkt als behorende tot de aanvraag om ontheffing.
Artikel 4.4.7 Relatie met vergunningverlening
Het bevoegd gezag dat een besluit neemt op een aanvraag om vergunning krachtens artikel 8.1 van de wet voor een inrichting die behoort tot een categorie die is genoemd in bijlage 1 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, en die zal zijn gelegen op een voormalige of gesloten stortplaats, betrekt bij het besluit het in de Nota opgenomen beleid.
Het bevoegd gezag verbindt aan een vergunning voor een inrichting bedoeld in het eerste lid voorschriften die tot doel hebben:
a. de bereikbaarheid van de nazorgvoorzieningen te garanderen;
b. aantasting van de nazorgvoorzieningen te voorkomen;
c. te voorkomen dat de uitvoering van de nazorg anderszins wordt belemmerd.
Het bevoegd gezag kan afwijken van het gestelde in het tweede lid indien het belang dat de voormalige of gesloten stortplaats geen nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt, zich daartegen niet verzet.
Indien het bevoegd gezag, niet zijnde gedeputeerde staten, voornemens is de vergunning te verlenen, stelt het daarvan gedeputeerde staten in kennis.
Titel 4.5 Overige algemene regels
Gereserveerd
Titel 5.1 Aanwijzing van bijzondere en kwetsbare gebieden
Artikel 5.1.1
Bijzondere gebieden zijn die gebieden die als zodanig zijn aangewezen in bijlage 6;
Kwetsbare gebieden zijn die gebieden die als zodanig zijn aangewezen in bijlage 6A
De aanwijzing van de gebieden als bedoeld in lid 1 en 2 geschiedt ter bescherming van het milieu en in het bijzonder ter bescherming van de belangen die voor elk van die gebieden in de genoemde bijlagen zijn aangeduid. Gedeputeerde Staten zijn bevoegd de in de bijlagen 6 en 6A aangegeven grenzen van de gebieden uit te werken.
In afwijking van het bepaalde in artikel 3.1.2 sub c juncto artikel 3.1.1 sub a en c, worden alleen belanghebbenden bij de aanwijziging, inclusief wijziging van een bijzonder gebied, in de gelegenheid gesteld hun zienswijze(n) naar keuze schriftelijk of mondeling naar voren te brengen en wordt de aanwijzing en/of wijziging alleen in de betreffende gemeente(n) ter inzage gelegd.
Artikel 5.1.2
Indien het gebied is aangewezen ter voorkoming of beperking van geluidhinder, dragen Gedeputeerde Staten er zorg voor dat het bijzondere gebied als zodanig goed zichtbaar is aangeduid door middel van borden, waarvan het model door hen wordt vastgesteld.
Indien het gebied een beschermingszone of waterwingebied betreft dat als zodanig is aangewezen in bijlage 6, draagt de grondwateronttrekker er zorg voor dat het bijzondere gebied als zodanig goed zichtbaar is aangeduid door middel van borden, waarvan het model wordt vastgesteld door Gedeputeerde Staten.
De in het eerste en tweede lid bedoelde borden worden geplaatst langs alle verharde openbare wegen en vaarwegen die tot het gebied toegang geven dan wel daaraan grenzen, op of nabij de grens van het gebied.
Titel 5.2 Milieukwaliteitseisen voor bijzondere gebieden
Gereserveerd
Titel 5.3 Milieu-effectrapportage
§ 5.3.1 Activiteiten en besluiten ten aanzien waarvan het maken van een milieu-effectrapport verplicht is
Artikel 5.3.1.1
Activiteiten als bedoeld in artikel 7.6 van de wet zijn de activiteiten die behoren tot een categorie die in bijlage 8 is omschreven en die zullen worden uitgevoerd in een in die bijlage aangewezen gebied.
De besluiten van die bestuursorganen ter zake van die activiteiten, bij de voorbereiding waarvan een milieu-effectrapport moet worden gemaakt, zijn de besluiten die in bijlage 8 bij de betrokken categorie van activiteiten zijn vermeld.
Voor zover in bijlage 8 bij een categorie van activiteiten gevallen zijn aangegeven, geldt de verplichting tot het maken van een milieu-effectrapport slechts in zodanige gevallen.
De krachtens deze verordening geldende verplichting tot het maken van een milieu-effectrapport geldt niet voor activiteiten die reeds zijn aangewezen op grond van artikel 7.2 van de wet.
§ 5.3.2 Nadere regels omtrent de indiening en behandeling van een verzoek om een ontheffing van de verplichting tot het maken van een milieu-effectrapport
Artikel 5.3.2.1
Een verzoek om ontheffing ingevolge artikel 7.8, eerste lid, van de wet wordt in vijfvoud bij Gedeputeerde Staten ingediend.
Met betrekking tot de inhoud van het verzoek is artikel 5 van het Besluit milieu-effectrapportage 1994 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 5.3.2.2
Indien gebruik wordt gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen als bedoeld in artikel 7.8, tweede lid van de wet, wordt het advies binnen vijf weken na de datum waarop daarom is verzocht, aan Gedeputeerde Staten gezonden.
Artikel 5.3.2.3
Op de totstandkoming van een besluit tot verlening of weigering van een ontheffing als bedoeld in artikel 7.8, eerste lid van de wet, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing met dien verstande dat een ieder in de gelegenheid wordt gesteld gedurende de termijn van terinzagelegging zijn zienswijze naar keuze mondeling of schriftelijk naar voren te brengen.
§ 5.3.3 Overige bepalingen
Artikel 5.3.3.1
Het maken van een milieu-effectrapport bij de voorbereiding van een besluit zoals is aangewezen in bijlage 8, is niet verplicht in de gevallen waarin:
a. de aanvraag voor het verlenen van het besluit bij het bevoegd gezag is ingediend voor inwerkingtreding van de aanwijzing krachtens artikel 5.3.1.1;
b. het besluit na de inwerkingtreding van de aanwijzing voor dezelfde activiteit opnieuw moet worden genomen omdat het besluit slechts geldt voor een daarin aangegeven termijn.
Titel 5.4 Instructies voor vergunningen voor inrichtingen in bijzondere gebieden
Artikel 5.4.1
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder een inrichting verstaan een inrichting die behoort tot een categorie van inrichtingen die is aangewezen in bijlage 9. Voor zover in die bijlage bij een categorie van inrichtingen categorieen van gevallen zijn aangewezen, zijn de volgende leden van dit artikel slechts in zodanige gevallen van toepassing.
Indien het bevoegd gezag een vergunning krachtens artikel 8.1 van de wet verleent voor een inrichting die is of zal zijn gelegen in een bijzonder gebied, worden aan de vergunning in ieder geval de beperkingen aangebracht en de voorschriften verbonden waarvan de inhoud is aangegeven in bijlage 9, voor zover in die bijlage is aangegeven dat deze van toepassing zijn op de betreffende categorie van inrichtingen.
Het bevoegd gezag kan, voor zover dit is aangegeven in bijlage 9, afwijken van de beperkingen en voorschriften als bedoeld in het tweede lid, dan wel nadere eisen stellen. Een nadere eis wordt gesteld als voorschrift dat aan de vergunning wordt verbonden.
De in het tweede lid bedoelde beperkingen en de in dat lid bedoelde voorschriften worden door het bevoegd gezag binnen 10 jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel aan de reeds op dat moment verleende vergunningen voor inrichtingen aangebracht respectievelijk verbonden, tenzij in bijlage 9 daarvoor een ander tijdstip is aangegeven.
Titel 5.4A Instructies voor vergunningen voor inrichtingen in kwetsbare gebieden
Artikel 5.4A.1
voor de toepassing van dit artikel wordt onder een inrichting verstaan een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, gelegen in de bij verordening aangewezen kwetsbare gebieden.
Als categorieën van gevallen worden aangewezen die inrichtingen die huishoudelijk afvalwater of bedrijfsafvalwater lozen, zoals bedoeld in art. 1.1 PMV.
Indien het bevoegd gezag een vergunning krachtens artikel 8.1 van de wet verleent voor een inrichting als bedoeld in het eerste lid, wordt in de vergunning bepaald dat men zich dient te ontdoen van huishoudelijk- of bedrijfsafvalwater door middel van lozing op het gemeentelijke rioolstelsel of door middel van lozing via een voorziening die voldoet aan de eisen van een (gecertificeerde) IBA-III.
Het voorgaande lid is niet van toepassing op bij de inwerkingtreding van deze bepaling bestaande wettelijk toegestane alternatieven binnen de agrarische bedrijfsvoering.
Het in het derde lid genoemde voorschrift wordt door het bevoegd gezag uiterlijk binnen het nog niet verstreken deel van een redelijke afschrijvingstermijn van de voorziening verbonden aan reeds voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel verleende vergunningen voor lozingen in de bodem anders dan via een voorziening die voldoet aan de eisen van een (gecertificeerde) IBA-III.
Titel 5.5 Rechtstreeks werkende regels voor gedragingen in bijzondere gebieden
Artikel 5.5.1
Ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten in een bijzonder gebied het bijzondere belang met het oog waarop het gebied als bijzonder gebied is aangewezen, wordt of kan worden geschaad, is verplicht dergelijk handelen achterwege te laten -behoudens voor zover dat ingevolge deze verordening uitdrukkelijk is toegestaan- dan wel, indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die schade te voorkomen, dan wel indien die schade zich voordoet, deze zoveel mogelijk te beperken en de gevolgen daarvan zoveel mogelijk te beperken en ongedaan te maken.
Het eerste lid is niet van toepassing:
a. op handelingen verricht in inrichtingen waarvoor het in artikel 8.1, eerste lid, van de wet gestelde verbod geldt;
b. op de agrarische bedrijfsvoering in gebieden als bedoeld in artikel 1.2, vijfde lid, laatste volzin, van de wet;
c. voor zover artikel 2 van de Wet milieugevaarlijke stoffen, artikel 14 van de Wet bodembescherming of artikel 10.3 van de wet van toepassing is.
Artikel 5.5.2
In een bijzonder gebied gelden de in bijlage 10 omschreven regels voor zover deze regels in bijlage 6 voor dat gebied van toepassing zijn verklaard.
Het eerste lid is niet van toepassing op:
a. de agrarische bedrijfsvoering in gebieden als bedoeld in artikel 1.2, vijfde lid, laatste volzin, van de wet;
b. gedragingen die betrekking hebben op het oprichten, veranderen of in werking hebben van een inrichting, tenzij in bijlage 10 anders is bepaald.
Titel 5.5A Rechtstreeks werkende regels voor gedragingen in kwetsbare gebieden
Artikel 5.5A.1
In kwetsbare gebieden is het lozen van huishoudelijk- of bedrijfsafvalwater in de bodem of op het oppervlaktewater verboden, tenzij lozing plaatsvindt via een voorziening die voldoet aan de eisen van een (gecertificeerde) IBA-III.
Het verbod op grond van het eerste lid geldt met ingang van de eerste dag volgend op het nog niet verstreken deel van een redelijke afschrijvingstermijn van een reeds voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel geplaatste voorziening.
Het eerste lid is niet van toepassing indien lozen is toegestaan op grond van andere wettelijke bepalingen.
Het eerste lid is tevens niet van toepassing indien op grond van wettelijke bepalingen aansluiting op de riolering verplicht is, dan wel aansluiting op de riolering binnen een in die wettelijke bepalingen vastgelegde termijn verplicht wordt.
Titel 5.6 Overige regels in bijzondere gebieden
§ 5.6.1 Toetsing ammoniakreductie-plannen
Artikel 5.6.1.1
[Vervallen]
§ 5.6.2 Adviseurs bij vergunningverlening in bijzondere gebieden
Artikel 5.6.2.1
Met betrekking tot een aanvraag om een vergunning voor een inrichting gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied, waarop Burgemeester en Wethouders of Gedeputeerde Staten bevoegd zijn te beslissen, wordt naast de in artikel 8.7, eerste lid, onder a en b, van de wet aangewezen adviseurs tevens als adviseur aangewezen het waterleidingbedrijf dat in het betreffende gebied een inrichting ten behoeve van de grondwateronttrekking heeft met het oog waarop dit gebied wordt beschermd.
Titel 6.1 Voorbereiding
Artikel 6.1.1
Op de voorbereiding van een beschikking als bedoeld in de artikelen 29 en 39, tweede lid, van de Wet bodembescherming is afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de ontwerp-beschikking ter inzage wordt gelegd ten kantore van het provinciehuis en ten kantore van de gemeente waar een onderzoeksgeval, saneringsonderzoek of sanering aan de orde is.
De indiening van het rapport van het nader onderzoek, de indiening van de melding als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Wet bodembescherming en het saneringsplan als bedoeld in artikel 39 van de Wet bodembescherming, worden voor de toepassing van de Algemene wet bestuursrecht aangemerkt als een aanvraag tot het nemen van een besluit.
Gedeputeerde Staten kunnen besluiten dat de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure niet wordt toegepast indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat aan de toepassing van die procedure geen behoefte bestaat.
Indien Gedeputeerde Staten toepassing geven aan het derde lid, vermelden zij dit in de kennisgeving, bedoeld in artikel 28, vijfde lid, van de Wet bodembescherming.
Artikel 6.1.2
Voordat Gedeputeerde Staten overgaan tot sanering van een geval van ernstige verontreiniging stellen zij een saneringsplan vast.
Op de voorbereiding van een besluit tot vaststelling van een saneringsplan is de in de afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing.
Artikel 6.1.1, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Indien Gedeputeerde Staten toepassing geven aan het derde lid, doen zij hiervan mededeling in één of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huis-bladen.
Titel 6.2 Indiening van bescheiden
Artikel 6.2
Voor de melding als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Wet bodembescherming wordt gebruik gemaakt van een door Gedeputeerde Staten vastgesteld formulier.
Het meldingsformulier, het rapport van het nader onderzoek en het saneringsplan inclusief daaraan ten grondslag liggende onderzoeken worden minimaal in vijfvoud bij Gedeputeerde staten ingediend.
Titel 6.3 Het saneringsplan
Artikel 6.3.1
[vervallen]
Artikel 6.3.2
In het saneringsplan worden de volgende gegevens vermeld:
a. Algemene gegevens:
1° het adres, kadastrale aanduiding (incl. jaartal) en de ligging van het grondgebied waarop de verontreiniging zich bevindt;
2° een kadastrale kaart, waarop het geval van verontreiniging is aangegeven, die uiterlijk drie maanden voor de indiening van het saneringsplan door het kadaster is afgegeven;
3° een uitreksel van het kadaster waaruit de huidige eigendomssituatie blijkt, dat uiterlijk drie maanden voor de indiening van het saneringsplan door het kadaster is afgegeven
4° het gebruik van de locatie;
5° de naam en het adres van degene in wiens opdracht de sanering zal plaatsvinden;
6° de naam en het adres van degene die een zakelijk of een persoonlijk recht heeft op het grondgebied als bedoeld onder 1º, alsmede van de gebruiker daarvan;
7° een beschrijving van de bodemkundige opbouw en de geohydrologische situatie;
8° een tijdschema met een eventuele fasering, waarbij in ieder geval zijn aangegeven de datum waarop met de sanering naar verwachting zal worden begonnen en de datum waarop de sanering naar verwachting zal zijn afgerond;
9° een specificatie van de bij de uitvoering van de sanering betrokken bedrijven en instanties;
10° een overzicht van de benodigde vergunningen, meldingen en toestemmingen om het werk te kunnen uitvoeren;
11° een beschrijving van werkzaamheden op grond waarvan Gedeputeerde Staten nadien bij het evaluatierapport kunnen beoordelen of de sanering volgens het plan is uitgevoerd, tot welke werkzaamheden in ieder geval behoren:
-een beschrijving van de wijze waarop de milieukundige begeleiding plaatsvindt;
-het opstellen van een ontgravingskaart en een grondwateronttrekkingskaart.
b. Keuze saneringsvariant:
1° de gekozen saneringsvariant met het saneringsdoel;
2° indien de functionele eigenschappen die de bodem voor mens, plant of dier heeft, niet worden hersteld de argumentatie op grond waarvan dat niet gebeurt, met een analyse van de risico's voor mens, plant of dier;
3° indien de sanering in fasen worden uitgevoerd: de voorgenomen fasering, alsmede het verzoek om een besluit als bedoeld in artikel 38, vierde lid, van de Wet bodembescherming.
c. Beschrijving saneringsmaatregelen:
1° een beschrijving van de wijze waarop de sanering zal worden uitgevoerd en van de maatregelen die de sanering mogelijk moeten maken;
2° een beschrijving van de effecten die met de te treffen saneringsmaatregelen worden beoogd, waaronder mede begrepen een nadere beschrijving van de kwaliteit van de bodem die met de sanering zal worden bereikt;
3° een beschrijving van de te treffen hydrologische voorzieningen met de gekozen dimensionering en de invloed hiervan op de omgeving;
4° indien verontreinigde grond zal worden afgegraven of verontreinigd grondwater zal worden onttrokken:
-de bestemming van die grond of dat grondwater;
-indien de grond of het grondwater geheel of gedeeltelijk niet zal worden gereinigd, de redenen daarvoor;
5° gegevens over de bestemming van overige afvalstromen die, naast de verontreinigde grond, vrijkomen bij de sanering;
6° gegevens over de kwaliteit van de eventueel te gebruiken aanvulgrond;
7° [vervallen];
8° een beschrijving van de maatregelen die overlast als gevolg van de sanering voorkomen of zoveel mogelijk beperken;
9° een beschrijving van de veiligheids- en arbeidshygiënische aspecten;
10° een beschrijving van de ligging van kabels en leidingen;
11° een beschrijving van de wijze waarop de voortgang van de grondwatersanering wordt gecontroleerd en hoe over de voortgang wordt gerapporteerd.
d. Financiële gegevens: een begroting van de kosten van sanering en een overzicht van de financiële middelen ter dekking van de saneringskosten.
[Vervallen]
Onverminderd het bepaalde in artikel 39, eerste lid, van de Wet bodembescherming kan het vermelden in het saneringsplan van gegevens, als bedoeld in het eerste lid, achterwege blijven indien:
a. bij indiening van het plan wordt aangegeven welke gegevens ontbreken, en
b. daarbij de reden wordt aangegeven waarom de gegevens ontbreken, en
c. die gegevens naar het oordeel van Gedeputeerde Staten niet noodzakelijk zijn voor de beoordeling van het saneringsplan.
Artikel 6.3.3
Indien de sanering, geheel of gedeeltelijk plaatsvindt binnen het waterwingebied (titel 2 van bijlage 10B), de 25-jaars beschermingszone (titel 3 van bijlage 10B) of de 100-jaars beschermingszone (titel 3A van bijlage 10B) dient het saneringsplan gericht te zijn op volledige verwijdering van de verontreiniging. Als dit niet kosteneffectief is, dient het saneringsplan gericht te zijn op een stabiele eindsituatie, inhoudende dat de contouren van een eventuele restverontreiniging zich niet verspreiden.
Ingeval van sanering van grondwater in de gebieden als hiervoor in lid 1 genoemd dient het saneringsplan gericht te zijn op het bereiken van de streefwaarde of de (verhoogde) achtergrondwaarde. Indien dit niet haalbaar blijkt, dient te worden aangegeven op welke wijze de risico’s voor het grondwater, als grondstof voor drinkwater, worden weggenomen.
Indien de sanering, geheel of gedeeltelijk plaatsvindt binnen het waterwingebied (titel 2 van bijlage 10B), de 25-jaars beschermingszone (titel 3 van bijlage 10B) of de 100-jaars beschermingszone (titel 3A van bijlage 10B) dient uit het saneringsplan te blijken dat:
-hulpstoffen voor een in-situ-sanering geen risico vormen voor het grondwater als grondstof voor drinkwater;
-ijkmomenten zijn aangegeven bij het verloop van de sanering;
-de afbraak van restproducten inzichtelijk wordt gemaakt;
-een terugvalscenario voor een conventionele sanering is opgenomen voor het geval dat de saneringsdoelstelling niet door middel van de in-situ-sanering kan worden behaald.
Titel 6.4 Betrokkenheid bij de uitvoering
Artikel 6.4.1
Indien Gedeputeerde Staten opdracht geven om een nader onderzoek, een saneringsonderzoek of een sanering uit te voeren, stellen zij ter begeleiding van dat onderzoek respectievelijk die sanering een projectgroep in, tenzij redelijkerwijs kan worden aangenomen dat daaraan geen behoefte bestaat.
In andere gevallen dan bedoeld in het eerste lid bevorderen Gedeputeerde Staten dat degene die een nader onderzoek, een saneringsonderzoek of een sanering laat uitvoeren, ter begeleiding van dat onderzoek respectievelijk die sanering een projectgroep instelt, tenzij redelijkerwijs kan worden aangenomen dat daaraan geen behoefte bestaat.
Artikel 6.4.2
Een projectgroep heeft tot taak degene die het onderzoek respectievelijk de sanering laat uitvoeren, haar zienswijze te geven over de uitvoering van dat onderzoek respectievelijk die sanering.
Een projectgroep bestaat ten minste uit:
a. een vertegenwoordiger van degene die het onderzoek respectievelijk de sanering laat uitvoeren;
b. een vertegenwoordiger van de ingezetenen van die gemeente en anderen bij de uitvoering van het nader onderzoek, het saneringsonderzoek of de sanering van dat geval betrokken belang hebbende natuurlijke en rechtspersonen.
Indien Gedeputeerde Staten of Burgemeester en Wethouders van de betrokken gemeente niet het onderzoek respectievelijk de sanering laten uitvoeren, worden zij in de gelegenheid gesteld een vertegenwoordiger aan te wijzen die de vergaderingen van de projectgroep kan bijwonen.
Artikel 6.4.3
Gedeputeerde Staten brengen jaarlijks in het provinciaal milieujaarverslag verslag uit over de uitvoering van de artikelen 6.4.1 en 6.4.2.
Titel 6.5 Beklag
Artikel 6.5
Een ieder kan schriftelijk en gemotiveerd zijn beklag doen over de uitvoering van de artikelen 6.4.1, 6.4.2 en 6.4.3.
Artikel 3.2, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Titel 6.6 Bijzondere regels inzake sanering van de waterbodem
Artikel 6.6.1
Op het saneringsplan als bedoeld in artikel 63e van de Wet bodembescherming, is artikel 6.3.2, van overeenkomstige toepassing. Daarnaast gelden aanvullend de navolgende gegevens:
a. de naam en de functie van het oppervlaktewater;
b. de wijze waarop de waterkwantiteitsbeheerder van het beheersgebied waarin zich de verontreiniging bevindt, en de betrokken waterkwaliteitsbeheerder - voor zover deze niet zelf met de sanering is belast - bij de uitvoering van de sanering worden betrokken;
c. de hoeveelheid te verwijderen baggerspecie, onderverdeeld in de hoeveelheid onderhoudsbaggerspecie en de hoeveelheid saneringspecie;
Artikel 6.6.2
Met betrekking tot het instemmen met het saneringsplan is artikel 6.1.1 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 6.6.3
De waterkwaliteitsbeheerder verschaft Gedeputeerde Staten de informatie omtrent de resultaten van de door hem uitgevoerde sanering en de besteding van de daarvoor aan hem toegekende gelden, overeenkomstig de voorschriften die Gedeputeerde Staten stellen bij het verlenen van een bijdrage.
Artikel 6.6.4
In de aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 63i, eerste lid, onder c, van de Wet bodembescherming worden vermeld:
a. de risico's ten aanzien van de verspreiding van de achterblijvende ernstige verontreinigingen, alsmede de wijze waarop deze risico's worden geminimaliseerd;
b. de bestemming van de vrijkomende baggerspecie en de eventuele fracties daarvan.
Titel 6.7. Toezicht en handhaving
Artikel 6.7.1
[vervallen]
Artikel 6.7.2
De uitvoerder van een grond- en/of grondwatersanering doet tenminste twee en ten hoogste zes weken voor aanvang van de sanering hiervan mededeling aan Gedeputeerde Staten. Hij meldt tevens uiterlijk 48 uur tevoren het bereiken van de einddiepte bij een ontgraving, alsmede het volledige voltooien van een grondsanering na aanvulling tot peil. Gedeputeerde Staten stellen voor deze mededelingen een formulier vast.
Indien zich bij de uitvoering van de sanering feiten of omstandigheden voordoen als gevolg waarvan moet worden afgeweken van het saneringsplan, doet de uitvoerder hiervan onmiddellijk schriftelijk mededeling aan Gedeputeerde Staten.
Tijdens en na de uitvoering van een sanering draagt de uitvoerder zorg voor het indienen van voortgangs- en evaluatierapporten:
-bij een sanering met een duur van 6 maanden of korter: een evaluatierapport;
-bij een sanering met een langere duur dan 6 maanden: iedere 6 maanden een voortgangsrapport en na de afronding van de sanering een evaluatierapport;
-indien een grondsanering wordt uitgevoerd in combinatie met een daarna nog doorlopende grondwatersanering en de totale sanering langer duurt dan 6 maanden: een tussentijds evaluatierapport na afronding van de grondsanering, iedere 6 maanden een voortgangsrapportage over de grondwatersanering en een eindevaluatie na afronding van de totale sanering.
De voortgangs- en evaluatierapporten dienen opgesteld te worden overeenkomstig de aanwijzingen in het geldende Toezichtsplan Bodemsanering op basis van een door de uitvoerder op de locatie bij te houden logboek.
Voortgangsrapportages worden ingediend binnen een maand na afloop van de periode waar zij betrekking op hebben; evaluatierapporten worden ingediend binnen twee maanden na afronding van de sanering, dan wel het deel van de sanering waar zij betrekking op hebben.
Gedeputeerde Staten kunnen in hun beschikking over het saneringsplan specifieke aanwijzingen geven over de opzet en inhoud van de vereiste rapportages en afwijkende termijnen stellen.
Gedeputeerde Staten kunnen naar aanleiding van de voortgangs- en evaluatierapporten aanwijzingen geven over de saneringsvoortgang binnen het kader van de afgegeven beschikking.
Hoofdstuk 7. Ontheffingen
Artikel 7.0
Van de bepalingen van deze verordening en van de daarvan deel uitmakende bijlagen kan een ontheffing als bedoeld in artikel 1.3 van de wet worden verleend voor zover dat bij die bepalingen is aangegeven. Dit hoofdstuk is van toepassing op de totstandkoming van de beschikking op de aanvraag tot het geven van een ontheffing en van de beschikking tot wijziging of intrekking van een ontheffing.
Artikel 7.1
Het bevoegd gezag houdt bij het besluit op de aanvraag om ontheffing in ieder geval rekening met het voor hem geldende milieubeleidsplan.
Artikel 7.2
De ontheffing wordt geweigerd indien door het stellen van beperkingen of voorschriften niet voldoende kan worden tegemoet gekomen aan het belang dat beschermd wordt door de bepaling waarvan ontheffing wordt gevraagd.
Artikel 7.3
Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Dit is slechts mogelijk in het belang ter bescherming waarvan de bepaling van welke ontheffing wordt verleend, is gesteld. Aan een ontheffing worden de voorschriften verbonden, die ter bescherming van dat belang nodig zijn.
Met betrekking tot de ontheffing, de beperkingen waaronder de ontheffing wordt verleend en de aan de ontheffing te verbinden voorschriften zijn de artikelen 8.11, 8.12, 8.13 en 8.16 van de wet van overeenkomstige toepassing.
Artikel 7.4
Een ontheffing geldt voor degene aan wie zij is verleend of voor zijn rechtsopvolgers, tenzij bij de ontheffing anders is bepaald.
Artikel 7.5
Op aanvraag van de houder van een ontheffing kan het bevoegd gezag beperkingen waaronder de ontheffing is verleend, en voorschriften die daaraan zijn verbonden, wijzigen, aanvullen of intrekken, dan wel alsnog beperkingen aanbrengen of voorschriften aan de ontheffing verbinden.
Het bevoegd gezag kan - anders dan op aanvraag van de houder - beperkingen waaronder een ontheffing is verleend, en voorschriften die daaraan zijn verbonden, wijzigen, aanvullen of intrekken, dan wel alsnog beperkingen aanbrengen of voorschriften aan een ontheffing verbinden in het belang dat beschermd wordt door de bepaling waarvan ontheffing is verleend.
Artikel 7.6
Het bevoegd gezag kan een ontheffing geheel of gedeeltelijk intrekken op aanvraag van de houder van de ontheffing, indien het belang dat beschermd wordt door de bepaling waarvan ontheffing is verleend, zich daartegen niet verzet.
Het bevoegd gezag kan - anders dan op aanvraag van de houder - een ontheffing geheel of gedeeltelijk intrekken indien:
a. het gebruik maken van de ontheffing ontoelaatbaar nadelige gevolgen heeft voor het belang dat beschermd wordt door de bepaling waarvan ontheffing is verleend, en toepassing van artikel 7.5 redelijkerwijs daarvoor geen oplossing biedt;
b. gedurende drie jaar geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de ontheffing;
c. in gevallen dat artikel 7.4, tweede lid, van toepassing is of bij de ontheffing is bepaald dat zij niet geldt voor de rechtsopvolgers van degene aan wie zij is verleend: de houder van de ontheffing niet meer degene is die de gedraging waarvoor ontheffing is verleend, uitvoert.
Artikel 7.7
Met betrekking tot de totstandkoming van een beschikking op grond van artikel 7.5 of 7.6 zijn de artikelen 7.1 tot en met 7.3 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 7.8
Een aanvraag om een ontheffing waarvan op de voorbereiding de procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is, wordt in vijfvoud ingediend bij het bevoegd gezag. Andere aanvragen worden in drievoud ingediend, tenzij in deze verordening anders is bepaald.
Een aanvraag bevat in ieder geval:
a. een beschrijving van de gedraging waarvoor een ontheffing wordt verzocht, daaronder begrepen gegevens omtrent constructie, afmetingen en het gebruik van installaties of andere werken;
b. een of meer kaarten op een zodanige schaal dat een duidelijk beeld wordt verkregen van de plaats waar de gedraging zal plaatsvinden;
c. een opgave van de hoeveelheid, de aard en de samenstelling van stoffen ten aanzien waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze van belang zijn voor de nadelige gevolgen voor het milieu die de gedraging kan veroorzaken, alsmede van de te verwachten emissies.
Artikel 7.9
Indien afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is op de totstandkoming van het besluit om een ontheffing te verlenen, stelt het bevoegd gezag
a. de inspecteur;
b. Burgemeester en Wethouders van de gemeente waarin de gedraging waarvoor ontheffing wordt gevraagd, plaatsvindt of zal plaatsvinden, in gevallen waarin zij niet het bevoegd gezag zijn, of
c. Gedeputeerden Staten in gevallen waarin ontheffing wordt gevraagd voor een gedraging die plaats vindt of zal plaatsvinden in een bijzonder gebied en zij niet het bevoegd gezag zijn, in de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van de beschikking op de aanvraag.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van het voornemen een beschikking te geven op grond van artikel 7.5 of 7.6.
Artikel 7.10
In het geval een aanvraag om ontheffing of een voornemen een beschikking te geven op grond van artikel 7.5 of 7.6, betrekking heeft op een in bijlage 10, onderdeel B, gesteld verbod, stelt het bevoegd gezag:
a. de inspecteur;
b. Burgemeester en Wethouders van de gemeente waarin de gedraging waarvoor ontheffing wordt gevraagd, plaatsvindt of zal plaatsvinden;
c. de grondwateronttrekker;
d. in de gelegenheid advies uit te brengen naar aanleiding van die aanvraag respectievelijk over dat voornemen.
Het bevoegd gezag geeft de beschikking op de aanvraag om ontheffing van een in bijlage 10, onderdeel B, gesteld verbod uiterlijk vier maanden na ontvangst van de aanvraag.
Het bevoegd gezag geeft een beschikking als bedoeld in artikel 7.5 of 7.6 ten aanzien van een ontheffing van een in bijlage 10, onderdeel B, gesteld verbod uiterlijk vier maanden nadat het toepassing heeft gegeven aan het eerste lid.
Artikel 8.1
Dit hoofdstuk is van toepassing op de totstandkoming van beschikkingen van Gedeputeerde Staten ingevolge artikel 15.21 juncto artikel 15.20 en ingevolge artikel 15.22 van de wet met betrekking tot de vergoeding van kosten of schade door het van toepassing worden van bepalingen van deze verordening.
Dit hoofdstuk is van toepassing op de totstandkoming van beschikkingen ingevolge de artikelen 26, 28 en waar relevant 29a van de Ontgrondingenwet.
Artikel 8.2
De aanvraag om vergoeding van kosten of schade bevat tenminste de volgende gegevens:
a. de bepalingen van deze verordening door het van toepassing worden waarvan de aanvrager zich voor kosten ziet gesteld, dan wel schade lijdt;
b. de aard en de omvang van de kosten dan wel de schade;
c. de wijze waarop de kosten dan wel de schade naar het oordeel van de aanvrager dienen onderscheidenlijk dient te worden vergoed en, zo een vergoeding in geld wordt gewenst, het bedrag dat naar zijn oordeel voor vergoeding in aanmerking komt.
Artikel 8.3
Gedeputeerde Staten kunnen deskundigen aanwijzen die zijn belast met het adviseren inzake het geven van een beschikking als bedoeld in artikel 8.1.
Gedeputeerde Staten kunnen het advies inwinnen van de in het eerste lid bedoelde deskundigen omtrent een aanvraag om vergoeding of omtrent het voornemen tot een toekenning daarvan uit eigen beweging.
Indien toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, wordt de aanvrager van de beschikking in de gelegenheid gesteld aan die deskundigen zijn aanvraag toe te lichten. Indien Gedeputeerde Staten voornemens zijn uit eigen beweging een beschikking te geven, wordt degene tot wie de beschikking zal zijn gericht, in de gelegenheid gesteld zijn opvattingen omtrent het voornemen aan de deskundigen kenbaar te maken.
Indien de aanvraag om vergoeding of het voornemen tot de toekenning daarvan uit eigen beweging betrekking heeft op kosten dan wel schade door het van toepassing worden van bepalingen van bijlage 10, onderdeel B, en deskundigen zijn aangewezen die zijn belast met het adviseren inzake de toekenning van die vergoeding, wordt de betrokken grondwateronttrekker in de gelegenheid gesteld zijn opvattingen over die aanvraag of dat voornemen aan die deskundigen kenbaar te maken.
De deskundigen brengen advies uit inzake:
a. de vraag of de kosten zijn gemaakt, dan wel de schade is geleden door het van toepassing worden van bepalingen van deze verordening;
b. de omvang van de kosten dan wel de schade;
c. de vraag of de kosten dan wel de schade niet of niet geheel ten laste van de benadeelde behoren onderscheidenlijk behoort te blijven;
d. de vraag in hoeverre op een andere wijze in een redelijke vergoeding is of kan worden voorzien;
e. de vraag of er aanleiding is voor maatregelen of voorzieningen waardoor de kosten dan wel de schade, anders dan door een vergoeding in geld, kunnen onderscheidenlijk kan worden beperkt of ongedaan gemaakt;
f. de hoogte van de toe te kennen vergoeding.
De deskundigen brengen hun advies zo snel mogelijk uit aan Gedeputeerde Staten, doch in elk geval binnen dertien weken na ontvangst van het verzoek om advies. Gedeputeerde Staten zenden een afschrift van het advies aan degene tot wie de beschikking zal zijn gericht, en in een geval als bedoeld in artikel 8.3, vierde lid, tevens aan de grondwateronttrekker. Gedeputeerde Staten vermelden daarbij de termijn waarbinnen zij hun opvattingen omtrent het advies kenbaar kunnen maken.
Artikel 8.4
Indien geen toepassing is gegeven aan artikel 8.3, tweede lid, stellen Gedeputeerde Staten de betrokken grondwateronttrekker in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen voordat zij een beslissing nemen met betrekking tot een vergoeding van kosten dan wel schade door het van toepassing worden van bepalingen van bijlage 10, onderdeel B.
Artikel 8.5
Indien een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 15.20, eerste lid, van de wet, Gedeputeerde Staten verzoekt in te stemmen met de toekenning van een vergoeding van kosten dan wel schade door het aanbrengen van beperkingen of verbinden van voorschriften, waarvan de inhoud is aangegeven in bijlage 9, dient dat verzoek tenminste vergezeld te gaan van:
a. indien het bestuursorgaan een aanvraag om een vergoeding heeft ontvangen: een afschrift van die aanvraag en de daarbij gevoegde stukken;
b. indien de grondwateronttrekker schriftelijk zijn opvattingen over de aanvraag of het voornemen om een vergoeding toe te kennen heeft kenbaar gemaakt: een afschrift van die opvattingen;
c. indien het bestuursorgaan een advies van deskundigen als bedoeld in artikel 15.20, vierde lid, van de wet heeft ingewonnen: een afschrift van dat advies;
d. het ontwerp van de beschikking houdende de toekenning van een vergoeding, dan wel, indien het bestuursorgaan de beschikking reeds heeft gegeven, een afschrift van die beschikking.
Indien bij het verzoek niet een afschrift van de opvattingen van de grondwateronttrekker is gevoegd, stellen Gedeputeerde Staten hem in de gelegenheid zijn zienswijze over het verzoek naar voren te brengen.
Gedeputeerde Staten geven de beschikking op het verzoek uiterlijk twee maanden na ontvangst van dat verzoek, of, indien toepassing wordt gegeven aan artikel 8.3, tweede lid, binnen vijf maanden na ontvangst van het verzoek.
Artikel 9.1
Een gedraging in strijd met:
a. artikel 4.3.3.3, 4.3.3.4, 4.3.3.13, 4.3.3.14, 4.3.3.16, tweede en derde lid, 4.3.3.17, 4.3.3.18, 4.3.3.19, tweede en derde lid, 4.3.3.20, 4.3.4.2, 4.3.4.3, 4.3.4.8, 4.3.4.9, 4.4.2 eerste lid, 4.4.3 eerste lid, 5.5.1, 5.5A.1, 6.7.1, 6.7.2 of
b. een op grond van artikel 5.5.2 geldende verbodsregel uit bijlage 10 is een strafbaar feit
Artikel 10.1
[Vervallen]
Artikel 10.2
[Vervallen]
Artikel 10.3
Ontheffingen op grond van de Verordening grondwaterbeschermingsgebieden Noord-Brabant die handelingen betreffen die niet betrekking hebben op een inrichting als aangewezen krachtens artikel 1.1, derde lid, van de wet, worden gelijk gesteld aan een ontheffing van het bepaalde in onderdeel B van bijlage 10.
Indien de aanvraag tot het geven of wijzigen van een ontheffing van de verordening als bedoeld in het eerste lid is ingediend of het ambtshalve voornemen daartoe is bekend gemaakt voor het tijdstip waarop dit artikel in werking treedt 2), blijft het voor dat tijdstip ten aanzien van zodanige ontheffingen geldende recht van toepassing tot het tijdstip waarop de beschikking onherroepelijk is geworden. Noot 2) Inwerkingtreding 1 maart 1995; Provinciale milieuverordening tranche 2A (prov. Blad nr. 23/95)
Artikel 10.4
De verboden gesteld in de bepalingen 2.1 tot en met 2.5 van bijlage 10 onder A gelden niet ten aanzien van een gedraging die is toegestaan voor het tijdstip waarop die bepalingen ten aanzien van het gebied waarbinnen de gedraging plaats vindt, in werking treden, gedurende zes maanden na dat tijdstip.
Artikel 10.5
[Vervallen]
Artikel 10.6
[Vervallen]
Artikel 10.7
Gedeputeerde Staten hebben de bevoegdheid de verwijzingen in deze verordening naar de diverse wetten overeenkomstig de definitieve wetsteksten te vernummeren.
Artikel 10.8
Deze verordening kan worden aangehaald als: Provinciale milieuverordening Noord-Brabant.
’s Hertogenbosch, 4 juni 2004
Provinciale Staten voornoemd,
griffier de voorzitter
E.M.W.J. Wöltgens J.R.H. Maij-Weggen
(Gereserveerd)
(Gereserveerd)
A. Categorieen van afvalstoffen die op grond van de artikelen 4.3.3.3 en 4.3.3.4 gescheiden moeten worden gehouden:
| Nr. | Afvalstofnaam | Afvalstofcode (indicatief) |
|---|---|---|
| 1. | Asbesthoudend bouw- en sloopafval | 06.10.103 |
| 2. | Asfalt/asfaltpuin | 12.20.203 |
| 3. | Autobanden van personenauto's; | 12.12.202 |
| 4. | Autobanden van vrachtwagens/bussen; | 12.12.203 |
| 5. | Bitumenhoudend dakbedekkingsmat.(incl. dakgrind) | 03.06.201 |
| 6. | Elektronica-produkten | 12.26.100 |
| 7. | Freesasfalt | 12.20.205 |
| 8. | Glas | 12.19.000 |
| 9. | Grond, verontreinigd (halogeenarm); | 09.01.000 |
| 10. | Grond, verontreinigd (halogeenhoudend); | 09.02.000 |
| 11. | Grond, verontreinigd met zware metalen; | 09.03.000 |
| 12. | Grond, organisch en anorganisch verontreinigd; | 09.04.000 |
| 13. | Hout (niet geimpregneerd met conserveringsmiddelen) | 12.15.000/14.15.000 |
| 14. | Kunststoffen | 12.11.000 |
| 15. | Metalen | 12.16.000/12.17.000 |
| 16. | Papier/karton | 12.10.000 |
| 17. | Plantaardig afval | 13.31.000 |
| 18. | Rubber | 12.12.000 |
| 19. | Steenachtig materiaal | 12.20.000 |
| 20. | Straalgrit | 12.20.301 |
| 21. | Textiel | 12.14.000 |
| 22. | Witgoed | 12.26.300 |
| 23. | Bouw- en sloopafval, niet eerder genoemd | 11.01.100 |
| 24. | Biologisch afbreekbare afvalstoffen, niet eerder genoemd | codes beginnend met 13. |
| 25. | Brandbare afvalstoffen, niet eerder genoemd | codes beginnend met 14. |
| 26. | Niet-brandbare afvalstoffen, niet eerder genoemd | codes beginnend met 15. |
B. Categorieen van afvalstoffen als bedoeld in de artikelen 4.3.3.7 (inzamelregeling) en 4.3.3.10 (meldings- of registratieplichtig) en artikel 10.6
A. GEMEENTELIJK AFVAL
A.1. Huishoudelijk afval
A.2. Grof huishoudelijk afval
A.3. Reinigingsdienstenafval
B. BEDRIJFSAFVAL, KWD-AFVAL EN NIET-PROCES GERELATEERD INDUSTRIEEL AFVAL
B.1. Bedrijfsafval, KWD-afval en niet-proces gerelateerd industrieel afval
B.2. Intra-muraal afval (niet specifiek)
B.3. Agrarisch, tuinbouw en veilingafval
C. BOUW- EN SLOOPAFVAL, AFVAL VAN AANNEMERS
C.1. Bouw- en sloopafval
C.2. Grond en baggerslib/specie
D. RESTSTOFFEN UIT DE BE- EN VERWERKING VAN AFVAL(WATER)
D.1. Reststoffen na drinkwaterbereiding en (afval)waterzuivering
D.2. Reststoffen na verbranding
D.3. Reststoffen na composteren/vergisten
D.4. Reststoffen na sorteren (BSA en bedrijfsafval)
D.5. Reststoffen na sorteren en scheiding (HHA en niet-proces gerelateerd bedrijfsafval)
D.6. Reststoffen na demontage en shredderen van autowrakken (excl. specifieke kunststofprodukten)
D.7. Reststoffen na voorbereiding tot recycling
E. MATERIALEN, MET NAME PROCES-GERELATEERD
E.10. Papier en karton
E.11. Kunststoffen
E.12. Rubber
E.13. Leder
E.14. Textiel
E.15. Hout
E.16. Ferro metalen
E.17. Non ferro metalen
E.19. Glas
E.20. Straalgrit
E.22. Oxyden, hydroxiden en zouten
E.24. Dierlijk afval en slachtafval
E.25. Dierlijke/plantaardige olien/vetten
E.32. Voedings en genotmiddelen
E.40. Organische processlibben
E.41. Vaste minerale afvalstoffen
E.60. Minerale slibben
C. Categorieën van afvalstoffen waarvoor vrijstellingen gelden op grond van de artikelen 4.3.3.7 (inzamelregeling), 4.3.3.12 (omschrijvings-formulier) en 4.3.3.16 (ontvangstmelding).
Afvalstoffen genoemd in de Groene lijst van afvalstoffen
Lederwaren en lederen voorwerpen
Steenwol
Droge toners, tonercassettes en printerlinten
N.B. De vrijstellingen zijn slechts van toepassing indien de afvalstoffen bestemd zijn voor hergebruik, terugwinning dan wel andere handelingen gericht op het verkrijgen van herbruikbare stoffen en niet zijn gemengd met andere stoffen of afvalstoffen die behoren tot een andere categorie.
Vervallen
In onderstaande tabel zijn de gebieden genummerd die in afzonderlijke kaartenbundels behorend bij deze bijlage op kaart zijn weergegeven. Op de gebieden die in het milieubeleidsplan zijn aangeduid als grondwaterbeschermingsgebieden is bijlage 10, onderdeel B van toepassing, op de stiltegebieden (onderdeel van milieustimuleringsgebieden in de zin van het plan) bijlage 10, onderdeel A. De regels van bijlage 10, onderdeel B, hebben betrekking op waterwingebieden, 25- en 100-jaars beschermingszones en op boringsvrije zones; of een bepaling van toepassing is blijkt uit het kaartmateriaal, dat aangeeft of er sprake is van een van de vier categorieen grondwaterbeschermingsgebied.
Het natuurmonument De Groote Peel is als gebied aangewezen waarop bijlage 8 onder B onder 1 van toepassing is. Onder dit natuurmonument wordt verstaan: de gebieden aangewezen door de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij bij besluit van 13 november 1990, kenmerk NMF 90 8859 en bij besluit van 13 november 1990, kenmerk NMF 90 8848, voor zover gelegen op het grondgebied van de provincie Noord-Brabant.
| Grondwaterbeschermingsgebieden |
|---|
| 1. HALSTEREN |
| 2. HUYBERGEN |
| 3. OSSENDRECHT |
| 4. BERGEN OP ZOOM |
| 5. ROOSENDAAL |
| 6. DORST |
| 7. GINNEKEN |
| 8. WOUW |
| 9. SCHIJF |
| 10 SEPPE |
| 11. PRINSENBOSCH |
| 12. OOSTERHOUT |
| 13. GENDEREN |
| 14. GILZE |
| 15. GILZERBAAN |
| 16. WAALWIJK |
| 17. NULAND |
| 18. VLIJMEN-HELVOIRT |
| 19. HAAREN |
| 20. LITH |
| 21. MACHAREN |
| 22. LOOSBROEK |
| 23. BOXMEER |
| 24. SCHIJNDEL |
| 25. VEGHEL |
| 26. VIERLINGSBEEK |
| 27. SON |
| 28. OIRSCHOT |
| 29. VESSEM |
| 30. LIESHOUT |
| 31. VLIERDEN |
| 32. SOMEREN |
| 33. BUDEL |
| 34. AALSTERWEG /KLOTPUTTEN |
| 35. GROOTE HEIDE |
| 36. HELMOND |
| 37. DRONGELEN |
| 38. WELSCHAP |
| 39. LUYKSGESTEL |
| Stiltegebieden (onderdeel van milieustimuleringsgebieden) |
|---|
| 41. HEENSCHE POLDER |
| 42. MARKIEZAAT |
| 43. GROOTE MEER |
| 44. TONNEKREEK |
| 45. OUDE BUISSCHE HEIDE |
| 46. PANNENHOEF |
| 47. BIESBOSCH |
| 48. CHAAMDIJK |
| 49. SINGELHEIDE |
| 50. GECOMBINEERDE WILLEMSPOLDER |
| 51. CHAAMSE BOSSEN |
| 52. RECHTE HEIDE |
| 53. DE UTRECHT |
| 54. DRUNENSCHE DUINEN |
| 55. MISPELEINDSCHE EN NETERSELSCHE HEIDE |
| 56. LANDSCHOTSCH HEIDE |
| 57. KAMPINASCHE HEIDE |
| 58. WITRIJT |
| 59. DE MALPIE |
| 60. 'T LEENDERBOS |
| 61. MAASHORST |
| 62. STRABRECHTSE HEIDE |
| 63. DE PAN |
| 64. DE TONGELAAR |
| 65. STIPPELBERG |
| 66. GROOTE PEEL |
| 67. DE HEITRAK |
| 68. ULLINGSE BERGEN |
| 69. DEURNSCHE PEEL |
| 70. HET EENDENNEST |
| 71. BULT |
In de Nota lozingen buitengebied wordt onderscheid gemaakt naar gebieden die meer of minder kwetsbaar zijn voor verontreinigingen als gevolg van ongezuiverde lozingen van huishoudelijk- en bedrijfsafvalwater. Een gebied is als ‘kwetsbaar’ benoemd indien de waterkwaliteit van het grond- en/of oppervlaktewater van belang is voor de realisatie van de waterkwaliteitsdoelstelling. Binnen een als ‘kwetsbaar’ benoemd gebied worden andere voorwaarden gesteld voor oppervlaktewater- en bodemlozingen als binnen een ‘niet-kwetsbaar’ gebied. De binnen de kwetsbare gebieden geldende voorwaarden zijn opgenomen in de titels 4.2 en 5.4A en 5.5A van deze verordening. De selectie van de kwetsbare gebieden is opgenomen in voornoemde Nota lozingen buitengebied. Hieronder volgt een omschrijving van de gebieden, die in afzonderlijke kaartenbundels behorend bij deze bijlage op kaart zijn weergegeven.
In totaal worden acht verschillende categorieën kwetsbaar gebied onderscheiden. De geselecteerde kwetsbare gebieden zijn:
Alle stromende wateren met functie waternatuur met daarbij behorende afwateringsgebieden;
Overige wateren met functie waternatuur met daarbij behorende beïnvloedingszone (250m) Het betreft alle vennen en wielen uit het Waterhuishoudingsplan 2003-2006. Daarnaast worden hier enkele kreken aangewezen, te weten: Rietkreekcomplex, Molenkreekcomplex, Lange Water en Rode Weel. Voor deze kreken geldt dat ze niet via wateraanvoer onder invloed van de grote rivieren staan;
Enkele viswateren met daarbij behorende afwateringsgebieden Concreet gaat het hier om de volgende wateren met hun afwateringsgebieden: Aa of Weerijs, Mark ten zuiden van Breda, De Bremer, Donge/Oude Leij, Essche Stroom, Voorste Stroom en de Dommel tussen Boxtel en Den Bosch;
Hydrologisch gevoelige delen van de Groene Hoofdstructuur (natte natuurparels) met daarbij behorende beïnvloedingszone (250m);
Stroomgebied met beschermende maatregelen voor resultaatverplichting natuur, die zijn opgenomen op kaart 8.2 van het Koepelplan ‘De Reconstructie aan zet’ (juni 2001). Het betreft alleen het stroomgebied van de Zandleij en het Helvoirtsche Broek.
Zwemwater met daarbij behorende beïnvloedingszone (250m) Alle zwemwateren worden als kwetsbaar gezien. Daaronder vallen ook de Lithse Ham (campingstrand en gemeentestrand) en de Kraaijenbergse Plas (fase 2 en 3), alhoewel deze zwemwateren onder invloed van Maaswater staan, maar toch de status kwetsbaar gebied krijgen, omdat ze een deels afgesloten verbinding met de Maas hebben, waardoor ze niet doorstroomd worden door Maaswater;
Grondwaterbeschermingsgebieden Dit betreft de waterwingebieden en de 25-jaarszones en voor de zogenaamde ‘zeer kwetsbare grondwaterbeschermingsgebieden’ ook de 100-jaarszone;
Gebieden die vallen onder de Natuurbeschermingswet, Vogelrichtlijn- en Habitat-richtlijn inclusief de daarbij behorende beïnvloedingszone (250m) In beginsel komen alle gebieden die vallen onder de Natuurbeschermingswet, Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijn in aanmerking voor de status ‘kwetsbaar gebied’. Deze gebieden worden reeds gedekt door de bovengenoemde categorieën 1 t/m 7, of het betreft gebieden die uitsluitend bestaan uit droog infiltratiegebied of onderdeel uitmaken van het grote rivieren systeem. In deze gevallen draagt de aanduiding ‘kwetsbaar gebied’ niet bij aan aanvullende bescherming. In de praktijk zijn alleen de Oeffeltermeent, De Bult en het Eendennest als kwetsbaar gebied toegevoegd.
Gereserveerd
A. Begripsbepalingen
In deze bijlage wordt verstaan onder:
natuurmonument "De Groote Peel": de gebieden die als zodanig zijn aangewezen in bijlage 6.
B. Activiteiten en besluiten ten aanzien waarvan het maken van een milieu-effect-rapport verplicht is
| Activiteiten | Gevallen | Besluiten |
|---|---|---|
| 1. Infiltratie van water in de bodem of onttrekking van grondwater aan de bodem, met uitzondering van de bronbemalingen bij bouwputten, bodemsaneringen en proefprojecten voor waterwinning. | In gevallen waarin de te infiltreren of te onttrekken hoeveelheid grondwater 1 miljoen m3 of meer per jaar bedraagt en indien de onttrekking of infiltratie plaatsvindt in het natuurmonument "De Groote Peel" of binnen een zone van 5 km rond dit gebied, gemeten vanaf het zwaartepunt van de onttrekking. | Het besluit ingevolge artikel 14 van de Grondwaterwet. |
A. Begripsomschrijvingen
In deze tabel wordt verstaan onder:
waterwingebied, 25- en 100-jaars-beschermingszone en boringsvrije zone: zones van grondwaterbeschermingsgebieden die als zodanig zijn aangewezen in bijlage 6;
CPR 9-1: richtlijn CPR 9-1 van de Commissie Preventie van Rampen door Gevaarlijke Stoffen (CPR), getiteld "Vloeibare aardolieprodukten, ondergrondse opslag in stalen tanks en afleverinstallaties voor motorbrandstof", vijfde druk 1993, dan wel de door Gedeputeerde Staten aangewezen richtlijn van die commissie, die met betrekking tot dat onderwerp de geldende norm is;
CPR 9-6: concept richtlijn CPR 9-6 van de Commissie Preventie van Rampen door Gevaarlijke Stoffen (CPR), getiteld "Vloeibare aardolieprodukten, Buiten-opslag van K3-produkten in bovengrondse stalen tanks (0,2 tot 150 m3)", tweede druk 1999, dan wel de door Gedeputeerde Staten aangewezen richtlijn van die commissie, die met betrekking tot dat onderwerp de geldende norm is;
CPR-15 1: richtlijn CPR 15-1 van de Commissie Preventie van Rampen door Gevaarlijke Stoffen (CPR), getiteld "Opslag gevaarlijke stoffen in emballage", voor opslag van vloeistoffen en vaste stoffen (0-10 ton), tweede druk 1990, dan wel de door Gedeputeerde Staten aangewezen richtlijn van die commissie, die met betrekking tot dat onderwerp de geldende norm is;
CPR 15-2: richtlijn CPR 15-2 van de Commissie Preventie van Rampen door Gevaarlijke Stoffen (CPR), getiteld "Opslag gevaarlijke stoffen, chemische afvalstoffen en bestrijdingsmiddelen in emballage, opslag van grote hoeveelheden", voor:
opslag van bestrijdingsmiddelen bij producenten, synthese- en formuleringsbedrijven, n
opslag van gevaarlijke stoffen vanaf 10 ton, en opslag van chemische afvalstoffen vanaf 10 ton,
eerste druk 1991, dan wel de door Gedeputeerde Staten aangewezen richtlijn van die commissie, die met betrekking tot dat onderwerp de geldende norm is;
CPR 15-3: richtlijn CPR 15-3 van de Commissie Preventie van Rampen door Gevaarlijke Stoffen (CPR), getiteld "Opslag bestrijdingsmiddelen in emballage", voor opslag van bestrijdingsmiddelen in distributiebedrijven en aanverwante bedrijven (vanaf 400 kilogram), eerste druk 1990, dan wel de door Gedeputeerde Staten aangewezen richtlijn van die commissie, die met betrekking tot dat onderwerp de geldende norm is;
KIWA: KIWA N.V., instituut voor certificatie, keuringen en advisering integrale kwaliteitszorg voor bouw-, water- en milieusector, gevestigd in Rijswijk;
REIS: een erkenning van KIWA op grond van beoordelingsrichtlijn (BRL-K 902/02) inzake het saneren van huisbrandolie en dieselolietanks, dan wel de door Gedeputeerde Staten aangewezen erkenning van die instelling, die met betrekking tot dat onderwerp de geldende norm is;
NPR 3218: Nederlandse praktijkrichtlijn van het Nederlands Normalisatie Instituut, Buitenriolering onder vrij verval "Aanleg en onderhoud", eerste druk, juli 1984, dan wel de door Gedeputeerde Staten aangewezen richtlijn van dat instituut, die met betrekking tot dat onderwerp de geldende norm is;
NPR 3220: Nederlandse praktijkrichtlijn van het Nederlands Normalisatie Instituut, Buitenriolering "Beheer", eerste druk, juni 1987, dan wel de door Gedeputeerde Staten aangewezen richtlijn van dat instituut, die met betrekking tot dat onderwerp de geldende norm is;
NPR 3221: Nederlandse praktijkrichtlijn van het Nederlands Normalisatie Instituut, Buitenriolering onder over- en onderdruk "Ontwerpcriteria, aanleg en onderhoud" eerste druk, juni 1986, dan wel de door Gedeputeerde Staten aangewezen richtlijn van dat instituut, die met betrekking tot dat onderwerp de geldende norm is;
NPR 3398: Nederlandse praktijkrichtlijn van het Nederlands Normalisatie Instituut, Buitenriolering "Inspectie en toestandsbeoordeling", eerste druk, april 1992, dan wel de door Gedeputeerde Staten aangewezen richtlijn van dat instituut, die met betrekking tot dat onderwerp de geldende norm is;
NEN: een door het Nederlands Normalisatie Instituut uitgegeven norm;
NVN: een door het Nederlands Normalisatie Instituut uitgegeven voornorm;
VPR: voorlopige Praktijk Richtlijn, zoals beschreven in de reeks "Bodembescherming" deel SSB, min. van VROM;
schadelijke stoffen, dierlijke of andere meststoffen en bestrijdingsmiddelen: hetgeen daaronder wordt verstaan in bijlage 10, onderdeel B, van deze verordening.
MVR-grond: grond als bedoeld in de ministeriële Vrijstellingsregeling Samenstellings- en immissiewaarden Bouwstoffenbesluit (25 juni 1999);
Schone grond: grond als bedoeld in artikel 1, 1e lid onder h. van het Bouwstoffenbesluit;
Categorie 1 bouwstof: bouwstof als bedoeld in artikel 1, 1e lid onder j. van het Bouwstoffenbesluit (waaronder grond).
B. Aanwijzing van categorieën van activiteiten in inrichtingen (artikel 5.4.1, eerste lid)
| Categorieën van Inrichtingen | Categorieën van gevallen | Volgnr. | |
|---|---|---|---|
| Ligging | Activiteit | ||
| 1 t/m 29 als bedoeld in bijlage I, behorende bij het Inrichtingen en Vergunningen-Besluit milieubeheer (Ivb) | ligging in beschermingszone (25 en 100 jaar) | Het op- en overslaan van vloeibare aardolieprodukten in emballage | A1 |
| Het op- en overslaan van vloeibare aardolieprodukten in ondergrondse tanks | A2 | ||
| het op- en overslaan van vloeibare aardolieprodukten in bovengrondse tanks | A3 | ||
| het op- en overslaan van vloeibare schadelijke stoffen, niet zijnde vloeibare aard-olieprodukten, en vloeibare afvalstoffen in emballage | A4 | ||
| het op- en overslaan van vloeibare schadelijke stoffen, niet zijnde vloeibare aard-olieprodukten, en vloeibare afvalstoffen in ondergrondse tanks | A5 | ||
| het op- en overslaan van vloeibare schadelijke stoffen, niet zijnde vloeibare aard-olieprodukten, en vloeibare afvalstoffen in bovengrondse tanks | A6 | ||
| het op- en overslaan van vaste schadelijke stoffen en vaste afvalstoffen in emballage | A7 | ||
| het op- en overslaan van vaste schadelijke stoffen en vaste afvalstoffen anders dan in emballage | A8 | ||
| het op- en overslaan van dierlijke vaste mest | A9 | ||
| het op- en overslaan van meststoffen, niet zijnde dierlijke meststoffen en niet zijnde overige organische meststoffen als bedoeld in BOOM | A10 | ||
| het op- en overslaan van zuiveringsslib en compost | A11 | ||
| het opslaan dan wel stallen van vaar-, vlieg- of motorvoertuigen of onderdelen daarvan voorzover het wrakken betreft of voertuigen die ter reparatie worden aangeboden | A12 | ||
| het gebruiken t.b.v. het produktieproces (in ruime zin) van vloeibare aardolie-produkten en andere schadelijke stoffen | A13 | ||
| het tot stand brengen, hebben of gebruiken van leidingen t.b.v. het transport van schadelijke stoffen, niet zijnde afvalwater (productleidingen) | A14 | ||
| het tot stand brengen, hebben of gebruiken van leidingen t.b.v. het transport van afvalwater (zoals bedrijfsriolering) | A15 | ||
| het tot stand brengen, hebben of gebruiken van niet eerder genoemde werken om schadelijke stoffen te vervoeren, te bergen, over te slaan te storten of te infiltreren | A16 | ||
| het tot stand brengen, hebben of gebruiken van parkeerterreinen of terreinen voor gemotoriseerd verkeer | A17 | ||
| het toepassen van bouwstoffen | A20 | ||
| het verrichten van mechanische ingrepen in de bodem dieper dan 2 meter | A21 | ||
| ligging in de boringsvrije zone | het verrichten van mechanische ingrepen in de bodem dieper dan 10 meter | A22 | |
| ligging in waterwingebied | het op of in de bodem brengen van meststoffen | A23 | |
| het gebruik van bestrijdingsmiddelen | A24 | ||
| het verrichten van mechanische ingrepen in de bodem dieper dan 2 meter | A25 |
C. Omschrijving van beperkingen en voorschriften (artikel 5.4.1, tweede lid)
| Voorschriften te verbinden aan de milieuvergunning | VolgNummer |
|---|---|
| Voorschriften inhoudende de verplichting extra bodembeschermende maatregelen en voorzieningen te treffen, zoals die in hoofdstuk 9 van de CPR-richtlijn 9-1 (vijfde druk, uitgave 1993) zijn aangegeven, waarbij 9.2.2 niet wordt toegepast en in plaats daarvan 9.2.3 geldt. | B1 |
| Voorschriften inhoudende de verplichting extra bodembeschermende maatregelen en voorzieningen te treffen, zoals die in hoofdstuk 4, paragraaf 4.7 van de CPR-richtlijn 9-6 (tweede druk 1999) zijn aangegeven. | B2 |
| Voorschriften inhoudende de verplichting de bodem te monitoren op de aanwezigheid van de stoffen die zijn opgeslagen, door het nemen van grondwatermonsters volgens de NEN- en VPR-richtlijnen die daarop van toepassing zijn; de artikelen 2.27 en 2.28 van Bijlage 1 behorende bij het Besluit opslaan in ondergrondse tanks zijn van overeenkomstige toepassing. | B4 |
| Voorschriften inhoudende de verplichting dat het onklaar maken of verwijderen van de tank dient te worden uitgevoerd door een door KIWA-erkend tanksaneringsbedrijf (REIS). | B5 |
| Voorschriften inhoudende de verplichting: | |
| -indien aan de tank een afleverinstallatie met een doorzet van meer dan 10.000 liter per jaar is verbonden, de maatregelen en voorzieningen te treffen zoals die in hoofdstuk 8.28, onder artikel 8.28.5 van de CPR-richtlijn 9-1 zijn aangegeven; | B6 |
| -indien aan de tank een afleverinstallatie met een doorzet van 10.000 liter of minder per jaar is verbonden, de maatregelen en voorzieningen te treffen zoals die in hoofdstuk 4.3, artikel 4.3.10 van de CPR-richtlijn 9-6 zijn aangegeven; indien daar sprake is van "aaneengesloten verharding" moet daar voor worden gelezen "vloeistofdichte verharding". | B6 |
| Voorschriften inhoudende de verplichting de bodembeschermende maatregelen en voorzieningen te treffen zoals weergegeven in de CPR-richtlijn 9-1. | B7 |
| Voorschriften inhoudende de verplichting extra bodembeschermende maatregelen en voorzieningen te treffen zoals die in hoofdstuk 4, artikelen 4.7.2 en 4.7.3 van de CPR-richtlijn 9 6 zijn aangegeven. | B8 |
| Voorschriften inhoudende de verplichting de bodembeschermende maatregelen en voorzieningen te treffen als bedoeld in de CPR-richtlijnen 15-1, 15-2 of 15-3. | B9 |
| Voorschrift inhoudende de verplichting dat de opslag moet plaatsvinden in een vloeistofdichte bak die tenminste de totale hoeveelheid opgeslagen vloeistof kan bevatten. | B10 |
| Voorschriften inhoudende de verplichting dat voorzieningen dienen te zijn of te worden aangebracht welke duurzaam voorkomen dat schadelijke stoffen in de bodem kunnen komen, alsmede voorschriften inhoudende de verplichting een regelmatige controle uit te voeren ten aanzien van het functioneren van deze voorzieningen. | B12 |
| Voorschriften inhoudende de verplichting leidingen ten behoeve van het transport van schadelijke stoffen, niet zijnde aardolieprodukten en afvalwater, zodanig aan te leggen en te onderhouden dat het gehele stelsel duurzaam vloeistofdicht is, alsmede voorschriften inhoudende de verplichting leidingen voor de ingebruikname en vervolgens om de vijf jaar te inspecteren op het aspect vloeistofdichtheid. | B13 |
| Voorschriften inhoudende de verplichting dat de aanleg, het beheer en het onderhoud van leidingen c.a. ten behoeve van het transport van afvalwater plaats vinden overeenkomstig de van toepassing zijnde Praktijkrichtlijnen NPR 3218, NPR 3220, NPR 3221 en NPR 3398. Voor het ontwerp van een vloeistofdichte riolering dient te worden verwezen naar hoofdstuk 7 van de Nederlandse Richtlijnen Bodembescherming (NRB) en de CUR/PBV-aanbeveling 51 (Milieutechnische ontwerp-criteria voor bedrijfsriolering, Stichting CUR, 1998. | B14 |
| Voorschriften inhoudende de verplichting dat schadelijke stoffen afkomstig van de verhardingen zodanig dienen te worden afgevoerd dat deze niet in de bodem terecht kunnen komen. | B15 |
| Voorschriften inhoudende de verplichting dat: | |
| -tijdens de mechanische ingreep geen verontreiniging van de bodem plaatsvindt of kan plaatsvinden; | B16 |
| -de mate van doorlaatbaarheid van de weerstandbiedende lagen na de ingreep niet groter is dan daarvoor; | B16 |
| -zodanige voorzieningen moeten worden getroffen dat tijdens het gebruik van het boorgat geen verontreinigende stoffen via dit boorgat in de bodem kunnen komen; | B16 |
| -Warmtepompsystemen met een bodemwarmtewisslaar (gesloten systemen) dienen zodanig te worden uitgevoerd dat er geen bodembedreigende stoffen door lekkage of calamiteiten in het grondwater kunnen geraken. | B16 |
| -een boring ten behoeve van een grondwateronttrekking die vergunningplichtig is ingevolgde de Grondwaterwet en de Verordening waterhuishouding Noord-Brabant slechts mag worden uitgevoerd nadat de grondwateronttrekkingsvergunning is verleend. | B16 |
| -het tijdstip van de uitvoering van de boring en de buitengebruikstelling van een put vooraf bij het bevoegd gezag wordt gemeld. | B16 |
| -bij de beëindiging van het gebruik van een boring het ontstane boorgat volledig afsluitend wordt opgevuld | B16 |
| Voorschriften inhoudende een verbod op het oprichten van warmtepompsystemen met een bodemwarmtewisselaar (gesloten systemen) | B17 |
| Voorschriften inhoudende de verplichting dat: | |
| -de op of onder het maaiveld toe te passen bouwstoffen slechts mogen bestaan uit schone grond, MVR-grond of categorie 1 bouwstoffen (inclusief grond) als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder h, respectievelijk j, van het Bouwstoffenbesluit met uitzondering van (ontzilt) zeezand; | B20 |
| - Hergebruik van (licht) verontreinigde grond als bodem slechts is toegestaan indien deze afkomstig is van binnen het grondwaterbeschermingsgebied en voldaan is aan de eisen van de Vrijstellingsregeling Grondverzet (Stcrt. 1999, nr. 180). | B20 |
| Voorschriften inhoudende de verplichting dat | |
| -het wassen van motorvoertuigen en motorwerktuigen alleen mag plaatsvinden op of in de daarvoor bestemde wasplaats; | B21 |
| -voorzieningen dienen te worden getroffen zodat de nevel ten gevolge van het wassen zich niet buiten de wasplaats kan verspreiden; | B21 |
| -de vloer waarop het wassen plaatsvindt, vloeistofdicht moet zijn; | B21 |
| -de vloer afwaterend moet zijn gelegd naar een of meer schrobputten of afvoergoten, die zijn aangesloten op de bedrijfsriolering. Doorvoeringen van kabels of leidingen moeten vloeistofdicht zijn afgewerkt; | B21 |
| -oliën, vetten, modder of water niet over de rand van de vloer van de wasplaats anders dan in een schrobput of afvoergoot mogen worden geveegd of geschrobd. | B21 |
| Voorschriften of beperkingen inhoudende een verbod op het op of in de bodem brengen van dierlijke of andere meststoffen | B22 |
| Voorschriften of beperkingen inhoudende een verbod op het gebruik van bestrijdingsmiddelen | B23 |
| Voorschriften inhoudende de verplichting dat wordt voorkomen dat afstromend hemelwater in contact kan komen met schadelijke stoffen, waaronder begrepen uitloogbare bouwmaterialen | B24 |
D. Instructiebepalingen
| Activiteit | De van toepassing zijnde voorschriften | Afwijkingen/nadere eisen | Termijn waarbinnen bestaande vergunningen moeten worden aangepast |
|---|---|---|---|
| A1 | B9 | ||
| A2 | B1, B6 | B6 alleen opnemen indien van toepassing. | |
| A3 | B2, B6 | ||
| A4 | B9, B10 | ||
| A5 | B4, B5, B7 | Bij B7 gelden de artt. 9.2.1 en 9.2.3 van de CPR-richtlijn 9-1 alleen voor nieuw te installeren tanks. Bij B7, de artt. 9.3.1.1 t/m 9.3.1.4 van de CPR-richtlijn 9-1, kan de controle op water achterwege worden gelaten bij opslag van waterhoudende schadelijke stoffen. | |
| A6 | B8 | ||
| A7 | B9 | ||
| A8 | B12, B15 | Bij bestaande en nieuwe opslag in silo's, kelders of vergelijkbare inpandige vloeistofdiche constructies (ter beoordeling van het bevoegd gezag) waarbij al is voldaan aan B12 hoeft B15 niet te worden opgenomen. | |
| A9 | B12, B15 | ||
| A10 | B12, B15 | Indien de opslag < 250 kg hoeven B12 en B15 niet te worden opgenomen. | |
| A11 | B12, B15 | ||
| A12 | B12, B15 | 5 jaar | |
| A13 | B12, B15 | ||
| A14 | B13 | Indien het minder risicovolle leidingen betreft kan met betrekking tot de inspectie ook een periode van 10 jaar worden opgenomen. | |
| A15 | B14 | ||
| A16 | B12, B15, B24 | B12, B15 en B24 alleen opnemen indien van toepassing. | |
| A17 | B12, B15, B20 | Indien de totale oppervlakte 300 m2 niet te boven gaat, danwel indien het gaat om een bestaande situatie, kan worden volstaan met een aaneengesloten verharding, niet zijnde vloeistofdicht. | |
| A20 | B20 | ||
| A21 | B16 | ||
| A22 | B16 | ||
| A23 | B22 | B22 is niet van toepassing indien voor de betreffende inrichting op het moment van rechtskracht krijgen van onderhavige bijlage 9 ingevolge de Verordening grondwaterbeschermingsgebieden provincie Noord-Brabant een ontheffing gold voor het op of in de bodem brengen van dierlijke of andere meststoffen | |
| A24 | B23 | B23 is niet van toepassing indien voor de betreffende inrichting op het moment van rechtskracht krijgen van onderhavige bijlage 9 ingevolge de Verordening grondwaterbeschermingsgebieden provincie Noord-Brabant een ontheffing gold voor het gebruik van bestrijdingsmiddelen. | |
| A25 | B17 | 5 jaar |
A. Regels inzake het voorkomen of beperken van geluidhinder (stiltegebieden)
Titel 1 Algemene bepaling
Bepaling 1.1
In dit onderdeel van de bijlage wordt verstaan onder:
a. geluidsapparaat, toestel, motorvoertuig en bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet geluidhinder;
b. openbare weg: hetgeen in artikel 1, eerste lid, sub b, van de Wegenverkeerswet 1994 wordt verstaan onder het begrip "wegen", met uitzondering van die wegen die krachtens de Wegenverkeerswet 1994 alleen openstaan voor voetgangers of fietsers.
Titel 2 Verbodsbepalingen
Bepaling 2.1
Het is verboden een toestel te gebruiken waardoor de ervaring van de natuurlijke geluiden kan worden verstoord.
Tot een toestel als bedoeld in het eerste lid behoren in ieder geval:
a. airgun- en andere knalapparatuur en een motorisch aangedreven werktuig met bijbehorende transportmiddelen, te gebruiken in het kader van seismologisch onderzoek en opsporingsonderzoek naar of ontginning van de in de bodem aanwezige stoffen;
b. een motorisch aangedreven werktuig, te gebruiken in het kader van de aanleg van kabels en buisleidingen in of op de bodem;
c. een omroepinstallatie, sirene, hoorn en een ander daarmee vergelijkbaar toestel bestemd om geluid te versterken of voort te brengen;
d. een modelvliegtuig, modelboot of modelauto, indien deze wordt aangedreven door een verbrandingsmotor;
e. een muziekinstrument en een ander daarmee vergelijkbaar geluidsapparaat, al dan niet gekoppeld aan een geluidsversterker;
f. een jetski die wordt aangedreven door een verbrandingsmotor;
g. een schietwapen.
Gedeputeerde Staten kunnen andere toestellen aanwijzen waarvoor het in het eerste lid gestelde verbod geldt.
Bepaling 2.2
Het is verboden zich met een motorvoertuig of bromfiets te bevinden buiten de openbare weg of buiten andere voor bestemmingsverkeer openstaande wegen of terreinen.
Bepaling 2.3
Het is verboden een toertocht voor motorvoertuigen of bromfietsen te houden.
Het is verboden deel te nemen aan een toertocht voor motorvoertuigen of bromfietsen waarvoor geen ontheffing is verleend.
Bepaling 2.4
Het is verboden vuurwerk te gebruiken.
Bepaling 2.5
Het is verboden met een speedboat sneller te varen dan 6 kilometer per uur.
Het eerste lid geldt niet in gebieden waarop de Vaartuigenverordening De Brabantse Biesbosch 1984 van toepassing is.
Titel 3 Vrijstellingen
Bepaling 3.1
De in de bepalingen 2.1, eerste lid, en 2.2 gestelde verboden gelden niet voorzover zij betrekking hebben op een toestel dat wordt gebruikt ten behoeve van:
a. de uitoefening van land-, tuin- of bosbouw of beroepsmatige visserij;
b. de grondwateronttrekking in een gebied dat in bijlage 6 is aangewezen ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning, voorzover dat gebruik redelijkerwijs noodzakelijk is voor de normale werking van de inrichting, gericht op de openbare drinkwaterproductie;
c. het onderhoud van het gebied of van de daarin aanwezige bouwwerken en andere constructies.
Bepaling 3.2
Het in bepaling 2.1, eerste lid, gestelde verbod geldt voorts niet voor zover het betrekking heeft op:
a. een werktuig als bedoeld in bepaling 2.1, tweede lid, onder b, dat wordt gebruikt ten behoeve van directe woonaansluitingen;
b. het gebruik van een toestel als bedoeld in bepaling 2.1, tweede lid, onder c, indien dat noodzakelijk is ter afwending van dreigend gevaar of anderszins uit een oogpunt van algemene veiligheid;
c. een geluidsapparaat als bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, onder e, dat wordt gebruikt binnen 50 meter van een woonhuis en mits niet hoorbaar op een afstand van meer dan 50 meter van het apparaat;
d. een schietwapen als bedoeld in bepaling 2.1, tweede lid, onder g, indien dat wordt gebruikt:
1 door een persoon met opsporingsbevoegdheid in de uitoefening van zijn functie;
2 in geval het een noodseinmiddel betreft: in geval van nood;
3 met inachtneming van het bepaalde in de Jachtwet of de Vogelwet.
Bepaling 3.3
Het in bepaling 2.4 gestelde verbod geldt niet indien het gebruik van vuurwerk noodzakelijk is ter oproeping van personen of ter afwending van dreigend gevaar, dan wel plaats vindt ter gelegenheid van de jaarwisseling gedurende een bij gemeentelijke verordening aangewezen periode.
Titel 4 Ontheffingen
Bepaling 4.1
Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van de in titel 2 gestelde verboden.
Op de voorbereiding van een beschikking op de aanvraag om ontheffing, dan wel tot wijziging of intrekking van een ontheffing is de in afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure niet van toepassing, tenzij het een aanvraag betreft om ontheffing van het in bepaling 2.3, eerste lid, gestelde verbod.
B. Regels ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning (grondwaterbeschermingsgebieden)
Titel 1 Algemene bepalingen
Bepaling 1.1
In dit onderdeel van de bijlage wordt verstaan onder:
a. waterwingebieden, 25- en 100-jaars-beschermingszones en boringsvrije zones: zones van grondwaterbeschermingsgebieden die als zodanig zijn aangewezen in bijlage 6;
b. schadelijke stoffen: stoffen, combinaties van stoffen, preparaten of andere producten, in welke vorm ook, waarvan hetzij in het algemeen, hetzij in het gegeven geval kan worden verwacht dat ze - op of in de bodem gebracht of gerakend - de bodem verontreinigen of kunnen verontreinigen;
c. bodem: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Wet bodembescherming.
d. dierlijke of andere meststoffen: hetgeen daaronder wordt verstaan bij of krachtens de Meststoffenwet en de Meststoffenwet 1947;
e. bestrijdingsmiddelen: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Bestrijdingsmiddelenwet 1962;
f. compost, zwarte grond en zuiveringsslib: hetgeen daaronder wordt verstaan in het Besluit kwaliteit en gebruik overige organische meststoffen;
g. reconstrueren: het aanbrengen van wijzigingen op of aan een weg, parkeergelegenheid, terrein voor gemotoriseerd verkeer, waterweg of spoorweg, die verandering brengt in de bestaande of te verwachten risico's voor de grondwaterkwaliteit; onder reconstrueren wordt niet verstaan het uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden;
h. lozing in de bodem: het definitief in de bodem brengen van vloeistoffen, met uitzondering van de lozingen als bedoeld in artikel 2 van het Lozingenbesluit bodembescherming;
i. lozingseenheid: lozingseenheid als bedoeld in het Lozingenbesluit bodembescherming;
j. onderhoudsspecie klasse 1, onderhoudsspecie klasse 2: hetgeen hieronder wordt verstaan in het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen;
k. verspreiden van onderhoudsspecie: zich ontdoen van onderhoudsspecie door deze buiten een inrichting op of in de bodem te brengen;
l. (licht) verontreinigde grond: grond, geen schone grond zijnde als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder h., van het Bouwstoffenbesluit, en geen MVR-grond zijnde als bedoeld in de ministeriële Vrijstellingsregeling, Samenstelings- en immissiewaarden Bouwstoffenbesluit (25 juni 1999);
m. secundaire grondstof: bouwstof als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b., van het Bouwstoffenbesluit (Stb. 1995, 567), voorzover niet zijnde primaire grondstof;
n. categorie 1 secundaire bouwstof: categorie-1 bouwstof als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder j., van het bouwstoffenbesluit; categorie 2 secundaire bouwstof: categorie 2-bouwstof als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder k van het Bouwstoffenbesluit;
o. streefwaarden: de streefwaarden zoals vastgelegd in de Notitie milieukwaliteitsdoelstellingen bodem en water (kamerstukken II 1990/91 21990, nr. 1), dan wel de door Gedeputeerde Staten aangewezen notitie die als opvolger van genoemde Notitie geldt;
p. werk: grondwerk, wegenbouwkundig werk, waterbouwkundig werk of bouwwerk.
Onder op of in de bodem brengen van dierlijke meststoffen wordt niet verstaan beweiding.
Bepaling 1.2
Onder schadelijke stoffen worden in elk geval verstaan de stoffen, combinaties van stoffen, preparaten of andere producten die voorkomen op een door Gedeputeerde Staten vastgestelde lijst.
Voorafgaand aan het vaststellen, aanvullen of wijzigen van een in het eerste lid bedoelde lijst, winnen Gedeputeerde Staten het advies in van de commissie en de inspecteur.
Gedeputeerde Staten maken een lijst als bedoeld in het eerste lid, alsmede de aanvullingen en wijzigingen, bekend in het provinciaal blad.
Titel 2 Waterwingebieden
Paragraaf 2.1 Inrichtingen
Bepaling 2.1.1
Het is verboden in waterwingebieden een inrichting als bedoeld in de bijlagen I, II en III, behorende bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, op te richten.
Het is verboden in waterwingebieden een inrichting als bedoeld in het eerste lid of de werking van een inrichting als bedoeld in het eerste lid te veranderen, indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat die verandering wat betreft aard of omvang nadelige gevolgen heeft of kan hebben voor de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning.
Bepaling 2.1.2
De verboden in bepaling 2.1.1, eerste en tweede lid, gelden niet met betrekking tot inrichtingen ten behoeve van de grondwateronttrekking, met het oog waarop het betreffende gebied wordt beschermd, voor zover een in het eerste lid bedoelde inrichting of een in het tweede lid bedoelde verandering redelijkerwijs noodzakelijk is voor de normale werking van de inrichting, gericht op de openbare drinkwaterproductie.
Paragraaf 2.2 Gedragingen buiten inrichtingen
Bepaling 2.2.1
Het is verboden in waterwingebieden buiten inrichtingen:
a. schadelijke stoffen te hebben, te gebruiken, te vervoeren of op of in de bodem te brengen;
b. dierlijke of andere meststoffen op of in de bodem te brengen;
c. constructies van welke aard dan ook - leidingen en installaties daaronder begrepen - tot stand te brengen, te hebben of te gebruiken met het doel het vervoeren, bergen, opslaan, overslaan, storten of verzinken van schadelijke stoffen door, op of in de bodem mogelijk te maken;
d. begraafplaatsen als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging of terreinen voor de uitstrooiing van as als bedoeld in artikel 10 van het Besluit op de lijkbezorging op te richten, te hebben of te gebruiken;
e. boorputten op te richten, in exploitatie te nemen of te hebben;
f. de grond dieper te roeren dan 2 meter onder het maaiveld of anderszins werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren; onder deze werken worden in elk geval verstaan bodemstabiliseringswerken, grond- en funderingswerken en het plaatsen en verwijderen van damwanden en heipalen;
g. nieuwe watergangen en waterplassen, die een risico vormen voor het grondwater, uit te voeren zonder toereikende bodemafdichting
h. wegen, parkeergelegenheden, terreinen voor zover deze - al dan niet tijdelijk - voor gemotoriseerd verkeer openstaan, waterwegen of spoorwegen aan te leggen, te hebben of te reconstrueren;
i. kampeergelegenheden, recreatiecentra of kampementen aan te leggen, te hebben, in exploitatie te nemen of te exploiteren;
j. een gebouw in de zin van de Woningwet tot stand te brengen;
k. een lozing in de bodem uit te voeren;
l. onderhoudsspecie klasse 1 of onderhoudsspecie klasse 2 te verspreiden;
m. licht verontreinigde grond, ontzilt zeezand of andere secundaire bouwstoffen als bodem of in werken te gebruiken;
n. warmtepompsystemen met een bodemwarmtewisselaar (gesloten systemen) op te richten
o. enigerlei handeling te verrichten of te doen verrichten waarvan men weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zij de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning nadelig kan beinvloeden.
Waar in het eerste lid sprake is van oprichten, tot stand brengen of aanleggen, wordt daaronder mede verstaan wijzigen of uitbreiden.
Bepaling 2.2.2
Het in bepaling 2.2.1, eerste lid, onder a, gestelde verbod geldt niet voor:
a. het voorhanden hebben, gebruiken en vervoeren van schadelijke stoffen die redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor drinkwaterproduktie;
b. geringe hoeveelheden schadelijke stoffen in en bij woningen en andere gebouwen, die dienen of gediend hebben voor normaal gebruik ter plaatse, mits bewaard in een deugdelijke verpakking en afdoende beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden;
c. schadelijke stoffen aanwezig in en benodigd voor het doen functioneren van motorvoertuigen, motorwerktuigen of bromfietsen;
d. het verspreiden van wegenzout ter bestrijding van gladheid van wegen;
e. het vervoeren van schadelijke stoffen in afgesloten en vloeistofdichte tanks of in een deugdelijk gesloten verpakking, mits deugdelijk geladen, afdoende beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden en op zodanige wijze dat geen gevaar voor verspreiding of verstuiving bestaat.
De in bepaling 2.2.1, eerste lid, onder e en f, gestelde verboden gelden niet voor:
a. het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van grondwateronttrekkingen met het oog op de openbare drinkwaterproductie;
b. het saneren van de bodem dan wel het verrichten van handelingen door het bevoegd gezag tengevolge waarvan een verontreiniging van de bodem wordt verminderd of verplaatst, indien voor dat saneren of die handelingen door het bevoegd gezag in het kader van de Wet bodembescherming opdracht of toestemming is gegeven;
Het in bepaling 2.2.1, eerste lid, onder j, gestelde verbod geldt niet voor een door het bevoegd gezag geregistreerde lozing die bestaat op het tijdstip waarop die bepaling voor het gebied waarbinnen de lozing plaatsvindt, in werking treedt.
Bepaling 2.2.3
Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van:
a. de in bepaling 2.2.1, eerste lid, onder a, c, e, f, en o gestelde verboden;
b. de in bepaling 2.2.1, eerste lid, onder d en i, gestelde verboden, voor begraafplaatsen, dierenbegraafplaatsen of terreinen voor de uitstrooiing van as respectievelijk voor kampeergelegenheden, recreatiecentra of kampementen die op het tijdstip van in werking treden van deze verordening, dan wel op het tijdstip van de aanwijzing van een gebied als waterwingebied bestaan of in aanleg zijn;
c. het in bepaling 2.2.1, eerste lid, onder h gestelde verbod, voor de daar genoemde objecten die op het tijdstip van in werking treden van deze verordening, dan wel op het tijdstip van de aanwijzing van een gebied als waterwingebied, bestaan of in aanleg zijn, alsmede voor wegen of parkeergelegenheden bestemd voor inrichtingen ten behoeve van de grondwateronttrekking, met het oog waarop het betreffende gebied wordt beschermd;
d. het in bepaling 2.2.1, eerste lid onder j gestelde verbod, voor een gebouw dat op het tijdstip van in werking treden van deze verordening, dan wel op het tijdstip van de aanwijzing van een gebied als waterwingebied, bestaat of gebouwd wordt, alsmede voor een gebouw ten behoeve van het waterleidingbedrijf dat in het waterwingebied gevestigd is.
In afwijking van het eerste lid kunnen Gedeputeerde Staten geen ontheffing verlenen ten behoeve van:
a. de ondergrondse opslag van schadelijke stoffen;
b. het gebruik van bestrijdingsmiddelen.
Op de voorbereiding van een beschikking op de aanvraag om ontheffing, dan wel tot wijziging of intrekking van een ontheffing is de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure niet van toepassing.
Titel 3 Beschermingszones (25-jaars beschermingszones)
Paragraaf 3.1 Inrichtingen
Bepaling 3.1.1
Het is verboden in beschermingszones een inrichting op te richten, indien die inrichting behoort tot een categorie van inrichtingen die is aangewezen in de in bijlage 10.B.1 van deze verordening opgenomen lijst.
Bepaling 3.1.2
Het verbod in bepaling 3.1.1 geldt niet met betrekking tot inrichtingen ten behoeve van de grondwateronttrekking, met het oog waarop het betreffende gebied wordt beschermd, voor zover een dergelijke inrichting redelijkerwijs noodzakelijk is voor de normale werking van de inrichting, gericht op de openbare drinkwaterproductie.
Het verbod in bepaling 3.1.1 geldt eveneens niet met betrekking tot inrichtingen, voor zover er sprake is van een verplaatsing van een inrichting van de ene locatie binnen een beschermingszone naar een andere locatie binnen diezelfde beschermingszone, mits redelijkerwijs kan worden aangenomen dat die verplaatsing wat betreft aard of omvang geen nadelige gevolgen heeft of kan hebben voor de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning.
In situaties als bedoeld in het tweede lid is het verboden na de verplaatsing activiteiten te verrichten op de oude locatie. Daartoe dient in ieder geval, wanneer er sprake is van een inrichting op de oude locatie waarvoor een vergunning ingevolge artikel 8.1 van de wet geldt, de houder van die vergunning overeenkomstig artikel 8.26 van de wet een verzoek tot gehele intrekking van die vergunning in bij het betreffende bevoegd gezag. Het bevoegd gezag inzake de vergunning ingevolge artikel 8.1 van de wet voor de inrichting op de nieuwe locatie, verleent de vergunning niet eerder dan wanneer de vergunning als bedoeld in de vorige volzin is ingetrokken.
Het verbod in bepaling 3.1.1 geldt niet met betrekking tot inrichtingen, te vestigen op bedrijventerreinen waar de vestiging van de betreffende inrichting in de toekomst volgens het in procedure gebracht zijnde bestemmingsplan zal zijn toegestaan en ten aanzien waarvan, op het moment dat het verbod van toepassing wordt, een positief advies op het punt van de planologische en milieutechnische aanvaardbaarheid door de Provinciale Planologische Commissie is uitgebracht
Het verbod in bepaling 3.1.1 geldt niet met betrekking tot nog niet gerealiseerde inrichtingen die, op het moment dat het verbod van toepassing wordt, op grond van het vigerende bestemmingsplan voor het betreffende bedrijventerrein op dat terrein gevestigd mogen worden.
Het verbod in bepaling 3.1.1 geldt niet met betrekking tot een inrichting waarop het verbod als bedoeld in artikel 8.1. van de wet van toepassing is en ten aanzien waarvan, op het moment dat het verbod als bedoeld in bepaling 3.1.1 van toepassing wordt, een ontwerp-besluit, strekkende tot verlening van de vergunning, bekend is gemaakt.
Het verbod in bepaling 3.1.1 geldt niet met betrekking tot een inrichting waarop het verbod als bedoeld in artikel 8.1 van de wet niet van toepassing is en ten aanzien waarvan het oprichten tevens geldt als bouwen in de zin van de Woningwet, voor zover op het moment dat het verbod als bedoeld in bepaling 3.1.1 van toepassing wordt de bouwvergunning voor de inrichting is verleend.
In gevallen als bedoeld in het vierde lid en het vijfde lid dient redelijkerwijs te worden aangetoond dat de inrichting niet geldt als een inrichting met een verhoogde kans op bodemverontreiniging (B-inrichting) in de zin van de publicatie “Bedrijven en milieuzonering”, VNG uitgeverij, Den Haag, 2001 of de meest recente uitgave daarvan.
Een aanvraag tot wijziging van de indeling in bodemindex, als bedoeld in het achtste lid, wordt ter goedkeuring ingediend bij Gedeputeerde Staten. Gedeputeerde Staten stellen de VROM-inspectie regio Zuid en de betreffende grondwateronttrekker in de gelegenheid over dit verzoek advies uit te brengen.
Bepaling 3.1.3
Het is verboden in beschermingszones een inrichting of de werking van een inrichting te veranderen, voor zover die verandering leidt tot een vergroting van de capaciteit voor de ondergrondse opslag van vloeibare aardolieprodukten.
Het verbod in het eerste lid geldt niet voor motorbrandstofverkooppunten, mits het aantal aanwezige tanks noch het aantal aftappunten, zijnde de slangen met vulafsluiters bestemd voor de aflevering van motorbrandstof, toeneemt.
Het is verboden in beschermingszones een inrichting op te richten of de werking van een inrichting te veranderen, voor zover die oprichting of verandering leidt tot de installering van een ondergrondse tank van kunststof voor de opslag van vloeibare aardolieprodukten.
Bepaling 3.1.4
Het is verboden in beschermingszones een inrichting waarvoor het in artikel 8.1 van de wet gestelde verbod niet geldt in werking te hebben.
Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover wordt voldaan aan de algemene voorschriften die overeenkomstig bepaling 5.1 door Gedeputeerde Staten zijn vastgesteld.
Paragraaf 3.2 Gedragingen buiten inrichtingen
Bepaling 3.2.1
Het is verboden in beschermingszones buiten inrichtingen:
a. schadelijke stoffen te hebben, te gebruiken, te vervoeren of op of in de bodem te brengen;
b. dierlijke of andere meststoffen op of in de bodem te brengen;
c. constructies van welke aard dan ook leidingen en installaties daaronder begrepen tot stand te brengen, te hebben of te gebruiken met het doel het vervoeren, bergen, opslaan, overslaan, storten of verzinken van schadelijke stoffen door, op of in de bodem mogelijk te maken;
d. begraafplaatsen als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging of terreinen voor de uitstrooiing van as als bedoeld in artikel 10 van het Besluit op de lijkbezorging of dierenbegraafplaatsen op te richten;
e. boorputten op te richten, in exploitatie te nemen of te hebben dieper dan 2 meter onder het maaiveld;
f. de grond dieper te roeren dan 2 meter onder het maaiveld of anderszins werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren, waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van de slecht doorlatende bodemlagen kunnen aantasten; onder deze werken worden in elk geval verstaan ontgrondingen, bodemstabiliseringswerken, grond en funderingswerken en het plaatsen en verwijderen van damwanden en heipalen;
g. nieuwe watergangen en waterplassen, die een risico vormen voor het grondwater uit te voeren zonder toereikende bodemafdichting;
h. wegen, parkeergelegenheden, terreinen voorzover deze al dan niet tijdelijk voor gemotoriseerd verkeer openstaan, waterwegen of spoorwegen aan te leggen, te hebben of te reconstrueren;
i. kampeergelegenheden, recreatiecentra of kampementen aan te leggen, te hebben, in exploitatie te nemen of te exploiteren;
j. een lozing in de bodem uit te voeren;
k. onderhoudsspecie klasse 2 te verspreiden;
l. (licht) verontreinigde grond en ontzilt zeezand als bodem of in werken te gebruiken;
m. overige secundaire bouwstoffen in werken te gebruiken;
n. warmtepompsystemen met een bodemwarmtewisselaar (gesloten systemen) op te richten;
o. enigerlei handeling te verrichten of te doen verrichten waarvan men weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zij de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning nadelig kan beïnvloeden.
Waar in het eerste lid sprake is van oprichten, tot stand brengen of aanleggen, wordt daaronder mede verstaan wijzigen of uitbreiden.
Bepaling 3.2.2
Het in bepaling 3.2.1, eerste lid, onder a, gestelde verbod geldt niet voor:
a. het voorhanden hebben, gebruiken en vervoeren van schadelijke stoffen ten behoeve van de grondwateronttrekking, met het oog waarop het betreffende gebied wordt beschermd, voor zover deze stoffen redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor de normale werking van de inrichting, gericht op de openbare drinkwaterproductie;
b. geringe hoeveelheden schadelijke stoffen in en bij woningen en andere gebouwen, die dienen of gediend hebben voor normaal gebruik ter plaatse, mits bewaard in een deugdelijke verpakking en afdoende beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden;
c. schadelijke stoffen aanwezig in en benodigd voor het doen functioneren van motorvoertuigen, motorwerktuigen of bromfietsen;
d. het verspreiden van wegenzout ter bestrijding van gladheid van wegen;
e. het vervoeren van schadelijke stoffen in afgesloten en vloeistofdichte tanks of in een deugdelijk gesloten verpakking, mits deugdelijk geladen, afdoende beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden en op zodanige wijze dat geen gevaar voor verspreiding of verstuiving bestaat;
f. het gebruik van krachtens de Bestrijdingsmiddelenwet in grondwaterbeschermingsgebieden toegestane bestrijdingsmiddelen.
Het in bepaling 3.2.1, eerste lid, onder b, gestelde verbod geldt niet voor het normaal landbouwkundig gebruik van kunstmest en dierlijke mest.
Het in bepaling 3.2.1, eerste lid, onder c, gestelde verbod geldt niet voor rioolleidingen met een vuillast kleiner dan 10 lozingseenheden per aansluiting.
De in bepaling 3.2.1, eerste lid, onder e en f, gestelde verboden gelden niet voor:
a. bezit en exploitatie van boorputten die op het moment dat het verbod als bedoeld in bepaling 3.2.1, eerste lid onder e in werking treedt wettig aanwezig zijn;
b. het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van grondwateronttrekkingen met het oog op de openbare drinkwaterproductie;
c. het oprichten van boorputten ten behoeve van het grondwaterbeheer voor zover daarvoor een vergunning krachtens de Grondwaterwet is vereist of algemene voorschriften krachtens de Wet bodembescherming gelden;
d. het saneren van de bodem dan wel het verrichten van handelingen tengevolge waarvan een verontreiniging van de bodem wordt verminderd of verplaatst, indien voor dat saneren of die handelingen door het bevoegd gezag in het kader van de Wet bodembescherming opdracht of toestemming is gegeven;
Het in bepaling 3.2.1, eerste lid onder h gestelde verbod geldt niet voor binnen een gebied op het tijdstip dat die bepaling voor dat gebied in werking treedt wettig aanwezige infrastructurele werken en de infrastructurele werken die op dat tijdstip in aanleg zijn of reeds zijn aanbesteed
Het in bepaling 3.2.1 , eerste lid onder i gestelde verbod geldt niet voor het bezit en de exploitatie van kampeergelegenheden, recreatiecentra of kampementen die op het moment dat die bepaling voor het gebied in werking treedt reeds wettig aanwezig zijn.
Het in bepaling 3.2.1, eerste lid, onder j, gestelde verbod geldt niet voor een door het bevoegd gezag geregistreerde lozing die bestaat op het tijdstip waarop die bepaling voor het gebied waarbinnen die lozing plaatsvindt, in werking treedt.
De in bepaling 3.2.1, eerste lid, gestelde verboden gelden niet voor zover wordt voldaan aan de algemene voorschriften die overeenkomstig bepaling 5.1 door Gedeputeerde Staten zijn vastgesteld.
Bepaling 3.2.3
Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van de in bepaling 3.2.1, eerste lid, onder a, b, c, d, e, f, g, h, i, l (met uitzondering van gebruik van ontzilt zeezand als bodem of in werken), m (met uitzondering van categorie 2 bouwstoffen en bijzondere categorie bouwstoffen), n en o gestelde verboden.
Op de voorbereiding van een beschikking op de aanvraag om ontheffing, dan wel tot wijziging of intrekking van een ontheffing is de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure niet van toepassing.
Titel 3A Beschermingszones (100-jaarsbeschermingszones)
Paragraaf 3A.1 Inrichtingen
Bepaling 3A.1.1
Het is verboden in 100 jaarsbeschermingszones een inrichting op te richten, indien die inrichting behoort tot een categorie van inrichtingen die is aangewezen als zwarte lijst inrichting in de in bijlage 10.B.1 van deze verordening opgenomen lijst.
Bepaling 3A.1.2
Het verbod in bepaling 3A.1.1 geldt niet met betrekking tot inrichtingen ten behoeve van de grondwateronttrekking, met het oog waarop het betreffende gebied wordt beschermd, voor zover een dergelijke inrichting redelijkerwijs noodzakelijk is voor de normale werking van de inrichting, gericht op de openbare drinkwaterproduktie.
Het verbod in bepaling 3A.1.1 geldt eveneens niet met betrekking tot inrichtingen, voorzover er sprake is van een verplaatsing van een inrichting van de ene locatie binnen een beschermingszone naar een andere locatie binnen diezelfde beschermingszone, mits redelijkerwijs kan worden aangenomen dat die verplaatsing wat betreft aard of omvang geen nadelige gevolgen heeft of kan hebben voor de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning
In situaties als bedoeld in het tweede lid is het verboden na de verplaatsing activiteiten te verrichten op de oude locatie. Daartoe dient in ieder geval, wanneer er sprake is van een inrichting op de oude locatie waarvoor een vergunning ingevolge artikel 8.1 van de wet geldt, de houder van die vergunning overeenkomstig artikel 8.26 van de wet een verzoek tot gehele intrekking van die vergunning in bij het betreffende bevoegd gezag. Het bevoegd gezag inzake de vergunning ingevolge artikel 8.1 van de wet voor de inrichting op de nieuwe locatie, verleent de vergunning niet eerder dan wanneer de vergunning als bedoeld in de vorige volzin is ingetrokken.
Het verbod in bepaling 3A.1.1 geldt niet met betrekking tot inrichtingen te vestigen op bedrijventerreinen waar de vestiging van de betreffende inrichting in de toekomst volgens het in procedure gebracht zijnde bestemmingsplan zal zijn toegestaan en ten aanzien waarvan, op het moment dat het verbod van toepassing wordt, een positief advies op het punt van de planologische en milieutechnische aanvaardbaarheid door de Provinciale Planologische Commissie is uitgebracht.
Het verbod in bepaling 3A.1.1 geldt niet met betrekking tot nog niet gerealiseerde inrichtingen, die, op het moment dat het verbod van toepassing wordt, op grond van het vigerende bestemmingsplan voor het betreffende bedrijventerrein op dat terrein gevestigd mogen worden.
Het verbod in bepaling 3A.1.1 geldt niet met betrekking tot een inrichting waarop het verbod als bedoeld in artikel 8.1. van de wet van toepassing is en ten aanzien waarvan, op het moment dat het verbod als bedoeld in bepaling 3A.1.1 van toepassing wordt een ontwerp-besluit, strekkende tot verlening van de vergunning, bekend is gemaakt.
Het verbod in bepaling 3A.1.1 geldt niet met betrekking tot een inrichting waarop het verbod als bedoeld in artikel 8.1 van de wet niet van toepassing is en ten aanzien waarvan het oprichten tevens geldt als bouwen in de zin van de Woningwet, voor zover op het moment dat het verbod als bedoeld in bepaling 3A.1.1 van toepassing wordt de bouwvergunning voor de inrichting is verleend.
In gevallen als bedoeld in het vierde lid en het vijfde lid dient redelijkerwijs te worden aangetoond dat de inrichting niet geldt als een inrichting met een verhoogde kans op bodemverontreiniging (B-inrichting) in de zin van de publicatie “Bedrijven en milieuzonering”, VNG uitgeverij, Den Haag, 2001 of de meest recente uitgave daarvan.”
Een aanvraag tot wijziging van de indeling in bodemindex, als bedoeld in het achtste lid, wordt ter goedkeuring ingediend bij Gedeputeerde Staten. Gedeputeerde Staten stellen de VROM-inspectie regio Zuid en de betreffende grondwateronttrekker in de gelegenheid over dit verzoek advies uit te brengen.
Bepaling 3A.1.3
Het is verboden in beschermingszones een inrichting waarvoor het in artikel 8.1 van de wet gestelde verbod niet geldt in werking te hebben.
Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover wordt voldaan aan de algemene voorschriften die overeenkomstig bepaling 5.1 door Gedeputeerde Staten zijn vastgesteld.
Paragraaf 3A.2 Gedragingen buiten inrichtingen
Bepaling 3A.2.1
Het is verboden in beschermingszones buiten inrichtingen:
a. schadelijke stoffen te hebben, te gebruiken, te vervoeren of op of in de bodem te brengen;
b. constructies van welke aard dan ook leidingen en installaties daaronder begrepen tot stand te brengen, te hebben of te gebruiken met het doel het vervoeren, bergen, opslaan, overslaan, storten of verzinken van schadelijke stoffen door, op of in de bodem mogelijk te maken;
c. boorputten op te richten, in exploitatie te nemen of te hebben;
d. de grond dieper te roeren dan 2 meter onder het maaiveld of anderszins werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren, waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van de slecht doorlatende bodemlagen kunnen aantasten; onder deze werken worden in elk geval verstaan bodemstabiliseringswerken, grond en funderingswerken en het plaatsen en verwijderen van damwanden en heipalen;
e. nieuwe watergangen en waterplassen, die een risico vormen voor het grondwater uit te voeren zonder toereikende bodemafdichting;
f. wegen, parkeergelegenheden, terreinen voorzover deze al dan niet tijdelijk voor gemotoriseerd verkeer openstaan, waterwegen of spoorwegen aan te leggen, te hebben of te reconstrueren;
g. een lozing in de bodem uit te voeren;
h. onderhoudsspecie klasse 2 te verspreiden indien verder dan 20 meter uit de slootkant;
i. (licht) verontreinigde grond als bodem of in werken te gebruiken;
j. categorie 2 bouwstoffen in werken of ontzilt zeezand als bodem of in werken te gebruiken;
k. warmtepompsystemen met een bodemwarmtewisselaar (gesloten systemen) op te richten;
l. enigerlei handeling te verrichten of te doen verrichten waarvan men weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zij de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning nadelig kan beïnvloeden.
Waar in het eerste lid sprake is van oprichten, tot stand brengen of aanleggen, wordt daaronder mede verstaan wijzigen of uitbreiden.
Bepaling 3A.2.2
Het in bepaling 3A.2.1, eerste lid, onder a, gestelde verbod geldt niet voor:
a. het voorhanden hebben, gebruiken en vervoeren van schadelijke stoffen ten behoeve van de grondwateronttrekking, met het oog waarop het betreffende gebied wordt beschermd, voor zover deze stoffen redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor de normale werking van de inrichting, gericht op de openbare drinkwaterproduktie;
b. geringe hoeveelheden schadelijke stoffen in en bij woningen en andere gebouwen, die dienen of gediend hebben voor normaal gebruik ter plaatse, mits bewaard in een deugdelijke verpakking en afdoende beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden;
c. schadelijke stoffen aanwezig in en benodigd voor het doen funktioneren van motorvoertuigen, motorwerktuigen of bromfietsen;
d. het verspreiden van wegenzout ter bestrijding van gladheid van wegen;
e. het vervoeren van schadelijke stoffen in afgesloten en vloeistofdichte tanks of in een deugdelijk gesloten verpakking, mits deugdelijk geladen, afdoende beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden en op zodanige wijze dat geen gevaar voor verspreiding of verstuiving bestaat;
f. het gebruik van krachtens de Bestrijdingsmiddelenwet in grondwaterbeschermingsgebieden toegestane bestrijdingsmiddelen.
Het in bepaling 3A.2.1, eerste lid, onder b, gestelde verbod geldt niet voor rioolleidingen met een vuillast kleiner dan 10 lozingseenheden per aansluiting.
De in bepaling 3A.2.1, eerste lid, onder c en d, gestelde verboden gelden niet voor:
a. bezit en exploitatie van boorputten die op het moment dat het verbod als bedoeld in bepaling 3A.2.1, eerste lid onder c in werking treedt reeds aanwezig zijn;
b. het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van grondwateronttrekkingen met het oog op de openbare drinkwaterproduktie;
c. het oprichten van boorputten ten behoeve van het grondwaterbeheer voor zover daarvoor een vergunning krachtens de Grondwaterwet is vereist of algemene voorschriften krachtens de Wet bodembescherming gelden;
d. het saneren van de bodem dan wel het verrichten van handelingen tengevolge waarvan een verontreiniging van de bodem wordt verminderd of verplaatst, indien voor dat saneren of die handelingen door het bevoegde gezag in het kader van de Wet bodembescherming opdracht of toestemming is gegeven;
Het in bepaling 3A.2.1, eerste lid onder f gestelde verbod geldt niet voor binnen een gebied op het tijdstip dat die bepaling voor dat gebied in werking treedt reeds aanwezige infrastructurele werken en de infrastructurele werken die op dat tijdstip in aanleg zijn of reeds zijn aanbesteed;
Het in bepaling 3A.2.1, eerste lid, onder g, gestelde verbod geldt niet voor een door het bevoegd gezag geregistreerde lozing die bestaat op het tijdstip waarop die bepaling voor het gebied waarbinnen die lozing plaatsvindt, in werking treedt.
De in bepaling 3A.2.1, eerste lid, gestelde verboden gelden niet voor zover wordt voldaan aan de algemene voorschriften die overeenkomstig bepaling 5.1 door Gedeputeerde Staten zijn vastgesteld.
Bepaling 3A.2.3
Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van de in bepaling 3A.2.1, eerste lid, onder a, b, c, d, e, f, i, k en l gestelde verboden.
Op de voorbereiding van een beschikking op de aanvraag om ontheffing, dan wel tot wijziging of intrekking van een ontheffing is de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure niet van toepassing.
Titel 4 Boringsvrije zones
Bepaling 4.1
Het is verboden in boringsvrije zones een inrichting waarvoor het in artikel 8.1 van de wet gestelde verbod niet geldt in werking te hebben, indien en voor zover niet wordt voldaan aan de aan de algemene voorschriften die overeenkomstig bepaling 5.1 door Gedeputeerde Staten voor de boringsvrije zone zijn vastgesteld.
Bepaling 4.2
Het is verboden in boringsvrije zones buiten inrichtingen:
a. boorputten op te richten, in exploitatie te nemen of te hebben dieper dan 10 meter onder het maaiveld;
b. de grond dieper te roeren dan 10 meter onder het maaiveld of anderszins werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren; onder deze werken worden in elk geval verstaan ontgrondingen, bodemstabiliseringswerken, grond en funderingswerken en het plaatsen en verwijderen van damwanden en heipalen.
c. warmtepompsystemen met een bodemwarmtewisselaar (gesloten systemen) op te richten
Bepaling 4.3
De in bepaling 4.2 gestelde verboden gelden niet voor:
a. het oprichten van boorputten ten behoeve van het grondwaterbeheer voor zover daarvoor een vergunning krachtens de Grondwaterwet is vereist of algemene voorschriften krachtens de Wet bodembescherming gelden;
b. het saneren van de bodem dan wel het verrichten van handelingen tengevolge waarvan een verontreiniging van de bodem wordt verminderd of verplaatst, indien voor dat saneren of die handelingen door het bevoegd gezag in het kader van de Wet bodembescherming opdracht of toestemming is gegeven;
De in bepaling 4.2 gestelde verboden gelden niet voor zover wordt voldaan aan de algemene voorschriften die overeenkomstig bepaling 5.1 door Gedeputeerde Staten zijn vastgesteld.
Bepaling 4.4
Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van de in bepaling 4.2 gestelde verboden.
Op de voorbereiding van een beschikking op de aanvraag om ontheffing, dan wel tot wijziging of intrekking van een ontheffing is de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure niet van toepassing.
Titel 5 Algemene voorschriften
Bepaling 5.1
Gedeputeerde Staten kunnen ten aanzien van inrichtingen of gedragingen als bedoeld in:
a. bepaling 3.1.4, eerste lid,
b. bepaling 3.2.1, eerste lid,
c. bepaling 3A.1.3 eerste lid en bepaling 3A.2.1 eerste lid, en
d. bepaling 4.1 en bepaling 4.2
algemene voorwaarden vaststellen.
Tot de voorschriften bedoeld in het eerste lid kan behoren de verplichting de inrichting of gedragingen te melden aan Gedeputeerde Staten of een door Gedeputeerde Staten aangewezen instantie.
Voorafgaand aan het gebruik maken van de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid winnen Gedeputeerde Staten het advies in van de commissie en de inspecteur.
Gedeputeerde Staten maken de algemene voorschriften, bedoeld in het eerste lid, bekend in het provinciaal blad.
Categorieen van inrichtingen waarvoor ingevolge bepaling 3.1.1 respectievelijk 3A.1.1 een oprichtingsverbod in de 25- respectievelijk 100-jaarsbeschermingszone van grondwaterbeschermingsgebieden geldt.
Opslag gevaarlijke stoffen
ondergrondse opslag van brandbare vloeistoffen (k1, k2 en k3) t.b.v. de verkoop
de opslag van meer dan 2500 kilogram bestrijdingsmiddelen in emballage
Installaties
vatenspoelinstallaties
motorbrandstofpompen t.b.v. de verkoop
11 Delfstoffenwinning
12.01 aardoliewinputten
12.03 aardolie- en gasexploratie (tijdelijke activiteit)
19.02 zoutwinning (putten)
24 Lederwarenindustrie
24.1 lederfabrieken
25 Hout en meubelindustrie
25.23 houtconserveringsbedrijven (druk/vacuumprocessen of drenken e.d.)
28 Aardolie en steenkoolverwerkende industrie
28.1 aardolieraffinaderijen
28.21 cokesfabrieken
29 Chemische industrie
29.2 kunstharsenfabrieken e.d.
29.3 kleur en verfstoffenfabrieken
29.49.3 grondstoffenfabrieken voor geneesmiddelen en fijnchemicalien v.z.v.: p.c. .≥ 1.000 t/j
29.8 chemische bestrijdingsmiddelenfabrieken
29.91 lijm en plakmiddelenfabrieken
29.93 poetsmiddelenfabrieken
29.94 fotochemische productenfabrieken
29.95 springstoffen , vuurwerkfabrieken e.d.
33 Basis metaalindustrie
33.1 ruwijzer- en staalfabrieken
33.2 stalenbuizenfabrieken v.z.v.: p.o.> 2.000 m²
33.41 non-ferro-metaalerts-voorbewerkingsbedrijven v.z.v.: p.c > 1.000 t/j
33.42 primaire non-ferro-metaalfabrieken v.z.v.: p.c.>1.000 t/j
33.43 non-ferro metaalsmelterijen e.d. v.z.v.: p.c.>4.000 t/j
34 Metalenproductenindustrie
34.4 overige constructiewerkplaatsen (excl. lakken) v.z.v.: p.o .≥ 2.000 m²
34.6 metalen emballage industrie (incl. lakken en moffelen)
34.93 metaaloppervlaktebehandelingsbedrijven v.z.v.:
anodiseren, eloxeren
chemische oppervlaktebehandeling
galvaniseren (vernikkelen, verchromen, verzinken, verkoperen e.d.)
36 Elektrotechnische industrie
36.21 elektromotoren en generatorenfabrieken
36.22 schakel en installatiemateriaalfabrieken
36.92 lampenfabrieken
36.95.1 fabrieken voor gedrukte bedrading
37 Transportmiddelenindustrie
37.41-
37.45 scheepsbouw en reparatiebedrijven v.z.v.:
metalen schepen ≥ 25 meter
met proefdraaien verbrandingsmotoren ≥ 1 MW
37.47 scheepssloperijen
61/62 Groothandel
62.91-
62.92 schroot v.z.v.:
met schredders, persen
autosloperijen
73 Zeevaart
73.3 zeevaart laad , los en overslagbedrijven v.z.v.:
steenkool
olie, LPG e.d.
tankercleaning
74 Binnenvaart
74.2 binnenvaart laad , los en overslagbedrijven v.z.v.:
steenkool met opslag oppervlak ≥ 2.000 m²
tankercleaning
98 Overige dienstverlenende bedrijven
98.11.2 vuilstortplaatsen
98.11.4 chemisch afvaldepots
98.13 afvalbewerkingsbedrijven v.z.v.:
verwerking afgewerkte olie
Grijze lijst inrichtingen
Aanvullend op bovenstaande lijst geldt een oprichtingsverbod voor de volgende categorieën inrichtingen in de 25-jaarsbeschermingszones Boxmeer, Budel, Macharen, Nuland, Vessem, Vierlingsbeek, Vlijmen Helvoirt en Waalwijk (resp. de nummers 23, 33, 21, 17, 29, 26, 18 en 16 zie bijlage 6). Deze categorieën vormen de zogenaamde "grijze lijst" in het Provinciaal Milieubeleidsplan.
Opslag gevaarlijke stoffen
ondergrondse opslag van brandbare vloeistoffen (K1, K2 en K3)
de opslag van meer dan 250 kilogram bestrijdingsmiddelen in emballage
de opslag van meer dan 2500 kilogram gevaarlijke stoffen
bovengrondse opslag van brandbare vloeistoffen in tanks (K1, K2 en K3)
Installaties
olie en kolen gestookte stookinstallaties ≥ 50 MW
motorbrandstofpompen
01 Land en tuinbouw
01.16 intensieve veehouderij:
varkensmesterijen
kalvermesterijen
stiermesterijen
01.21/
01.27 tuinbouwbedrijven met open grondteelt
01.28 bijzondere tuinbouwbedrijven v.z.v.:
champignonkwekerijen
bloembollen droog en prepareerbedrijven
01.29 tuinbouwbedrijven met bedekte teelt (kassen):
zonder kasverwarming
met olie of kolengestookte kasverwarming
20/21 Voedings en genotmiddelenindustrie
20.51 (biet )suikerfabrieken
20.61 olie en vettenfabrieken
20.62 margarinefabrieken e.d. v.z.v.: p.c. ≥ 250.000 t/j
21.41 gist en spiritusfabrieken v.z.v.: p.c. ≥ 5.000 t/j
22 Textielindustrie
22.41 textielblekerijen, ververijen, drukkerijen
22.42 loonblekerijen, ververijen, drukkerijen
22.43 textielveredelingsbedrijven n.e.g.
25 Hout en meubelindustrie
25.71 meubelfabrieken (incl. lakspuiterij)
27 Grafische industrie en uitgeverijen
27.11 dagbladdrukkerijen
27.13 vlakdrukkerijen v.z.v..:
offset vellen drukkerijen
offset rotatie drukkerijen
27.14 rotatie diepdrukkerijen
28 Aardolie en steenkoolverwerkende industrie
28.22 bitumineus wegenbouwmaterialenfabrieken
28.23 bitumineus dakbedekkingsmaterialenfabrieken
28.24 smeeroliën en vettenfabrieken
28.29 overige aardolie en steenkoolproductenfabrieken v.z.v..:
steenkoolproductenfabrieken n.e.g.
aardolieproductenfabrieken n.e.g.
29 Chemische industrie
29.1 kunstmeststoffenfabrieken
29.42 anorganische chemische grondstoffenfabrieken n.e.g.
29.43 synthetische reuk en smaakstoffenfabrieken
29.49.1 methanolfabrieken
29.49.2 vetzuren en alkanolenfabrieken (niet synthetisch)
29.49.3 grondstoffenfabrieken voor geneesmiddelen en fijnchemicalien v.z.v.: p.c.< 1.000 t/j
29.49.4 organische chemische grondstoffenfabrieken n.e.g.
29.51 verf , lak en vernisfabrieken
29.71 zeep , was en reinigingsmiddelenfabrieken
29.92 chemische kantoorbenodigdhedenfabrieken
29.99 chemische productenfabrieken n.e.g.
30 Kunstmatige en synthetische garen en vezelfabrieken
30.0 kunstmatige en synthetische garen en vezelfabrieken
31 Rubber en kunststofverwerkende industrie
31.2 loopvlakvernieuwingsbedrijven, vloeropp. ≥ 100 m²
32.41 cementfabrieken, p.c. ≥ 100.000 t/j
32.43 gipsfabrieken, p.c. ≥ 100.000 t/j
32.52 asbestcementwarenfabrieken, p.c. ≥ 100 t/d
33 Basis metaalindustrie
33.2 stalenbuizenfabrieken v.z.v.: p.o. < 2.000 m²
33.31 koudbandwalserijen, p.o. ≥ 2.000 m²
33.32 profielzetterijen, p.o. ≥ 2.000 m²
33.33 draadtrekkerijen e.d., p.o. ≥ 2.000 m²
33.41 non ferro metaalerts voorbewerkingsbedrijven v.z.v.: p.c. < 1.000 t/j
33.42 primaire non ferro metaalfabrieken v.z.v.: p.c. < 1.000 t/j
33.43 non ferro metaalsmelterijen e.d. v.z.v.: p.c. < 4.000 t/j
33.44 non ferro metaalwalserijen, trekkerijen e.d.
34 Metaalproduktenindustrie
34.01 ijzer en staalgieterijen
34.02 non ferro metaalgieterijen
34.11 grofsmederijen, anker en kettingfabrieken v.z.v.: p.o. ≥ 2.000 m²
34.12 stamp , pers , dieptrek en forceerbedrijven
34.2 schroeven, massadraaiwerk , veren e.d. industrie
34.3 tank , reservoir en pijpleidingbouwbedrijven
34.4 overige constructiewerkplaatsen (excl. lakken) v.z.v.: p.o. < 2.000 m²
34.5 metalen meubelfabrieken e.d. (incl. lakken en moffelen)
34.7 c.v. ketel en radiatorenfabrieken (excl. moffelen)
34.8 overige metaalwarenind.
34.91 smederijen, lasinrichtingen, bankwerkerijen e.d.
34.93 metaaloppervlaktebehandelingsbedrijven v.z.v.:
mechanische oppervlaktebehandeling (slijpen, polijsten)
emailleren
metaalharden
lakspuiten en moffelen
scoperen (opspuiten van zink)
thermisch verzinken
thermisch vertinnen
35 Machine-industrie
35 machine- industrie v.z.v.:
p.o. ≥ 2.000 m²
met proefdraaien verbrandingsmotoren ≥ 1 MW
36 Elektrotechnische industrie
36.91 accumulatoren en batterijenfabrieken
36.97/
36.98 elektrische en elektrotechnische apparatenfabrieken
37 Transportmiddelenindustrie
37.1 autofabrieken en assemblagebedrijven
37.41-
37.45 scheepsbouw en reparatiebedrijven v.z.v.:
houten schepen
kunststof schepen
metalen schepen < 25 meter
37.46 scheepsschilder en schoonmaakbedrijven e.d.
37.5 wagonbouw en spoorwegwerkplaatsen (lijnwerkplaatsen)
37.7 vliegtuigbouw en –reparatiebedrijven
39 Overige Industrie
39.99.1 compostbedrijven
40 Openbare nutsbedrijven
40.11 olie en kolengestookte elektriciteitsproduktiebedrijven v.z.v. vermogen ≥ 50 MW
61/62 Groothandel
61.18 gesloten opslag van dierlijke meststoffen
61.41 ertsen (incl. overslag)
61.44 minerale olieprodukten (excl. brandstoffen)
61.45 vaste, vloeibare en gasvormige brandstoffen
61.46 vaste brandstoffen v.z.v.: kolenterminal met opslagopp. ≥ 2.000 m²
61.47 vloeibare brandstoffen
61.51 chemische grondstoffen en chemicalien voor industriele toepassing
61.52 bestrijdingsmiddelen
62.91
62.92 schroot; algemeen
68 Reparatiebedrijven voor gebruiksgoederen
68.21 autoreparatiebedrijven (excl. plaatwerken, spuiten en tectyleren)
68.29 autoreparatiebedrijven n.e.g. met tectyleerderij
72 Wegvervoer
72.3 goederenwegvervoerbedrijf met schoonmaken tanks
73 Zeevaart
73.3 zeevaart laad , los en overslagbedrijven v.z.v.:
stukgoed
ertsen, mineralen e.d.
74 Binnenvaart
74.2 binnenvaart laad , los en overslagbedrijven v.z.v.:
ertsen, mineralen e.d.
steenkool opslag opp. < 2.000 m²
olie, LPG e.d.
75 Luchtvaart
75.21.1 luchthavens
75.21.3 vliegtuigverhuurbedrijven
90 Openbaar bestuur
90.6 land , lucht en zeemachtkazernes e.d.
96 Sport en recreatie
96.12.2 sportaccomodaties v.z.v.:
skelterbanen
autocircuits, motorcrossterreinen e.d.
98 Overige dienstverlenende bedrijven
98.11.3 vuiloverslagstations
98.11.4 gemeentewerven
98.13 afvalbewerkingsbedrijven v.z.v.:
kabelbranderijen
oplosmiddelterugwinning
vuilverbrandingsinrichtingen: huisvuil, slib
vuilverbrandingsinrichtingen: chemisch afval
verwerking fotochemisch en galvano afval
98.14 ongedierte bestrijdings en ontsmettingsbedrijven
98.32 chemische wasserijen en ververijen
Gebruikte afkortingen
p.c. = produktie capaciteit
p.o. = produktie oppervlak
o.c. = opslag capaciteit
t/j = ton per jaar
t/d = ton per dag
v.z.v. = voor zover
e.d. = en dergelijke
n.e.g. = niet eerder genoemd
t.b.v. = ten behoeve van
De geïntegreerde tekst zal, inclusief kaartmateriaal, na publikatie in dit provinciaal blad en na inwerkingtreding van de verordening in ringbandvorm worden uitgebracht en aan belanghebbenden worden toegezonden.
Het is mogelijk bij het service centrum van de Provincie Noord Brabant, tegen vergoeding van kosten, een exemplaar van de integrale tekst van de PMV Noord Brabant op te vragen (tel. 073-6812525).
Dit regelingenbestand is geen bekendmaking als bedoeld in artikel 136 van de Provinciewet. De wettelijke bekendmakingen vinden uitsluitend plaats in de provinciale bladen. De provincie aanvaardt geen aansprakelijkheid voor verschillen tussen de teksten in dit bestand en die in de provinciale bladen.