Provinciale milieuverordening Noord-Brabant

Provinciale Milieuverordening Noord-Brabant

Geldig sinds 01 januari 2005. Versies
Geldig tot 01 juli 2006.

Inhoud van deze regeling

Provinciale Staten van Noord-Brabant

  • gelezen het voorstel van Gedeputeerde Staten, d.d. 23 november 2004;

  • overwegende dat de tekst en de toelichting van de Provinciale Milieuverordening (PMV), zoals deze sinds 1 augustus 2004 geldt, op enkele plaatsen niet geheel correct is;

  • dat het wenselijk is de tekst en de toelichting aan te passen;

  • dat de strekking van de PMV onveranderd blijft en dat wijzigingen van zodanige aard zijn dat er uitsluitend sprake is van een technische aanpassing;

  • dat het om die reden niet noodzakelijk is een nieuwe openbare voorbereidingsprocedure te volgen;

  • gelet op de bepalingen uit de Algemene wet bestuursrecht, de Provinciewet, de Wet milieubeheer en diverse Algemene Maatregelen van Bestuur;

  • gelet op het advies van de Commissie voor Ruimte en Milieu d.d. 1 december 2004;

Besluiten:

1) vast te stellen de navolgende technische aanpassing van de Provinciale milieuverordening (PMV);

2) dit besluit bekend te maken door publicatie in het Provinciaal Blad en in werking te laten treden per 1 januari 2005.

Provinciale Milieuverordening Noord-Brabant

Hoofdstuk 1. Algemeen

Artikel 1.1

In deze verordening wordt verstaan onder:

a. de wet: de Wet milieubeheer;

b. de commissie: de Provinciale commissie voor milieu en water Noord-Brabant, bedoeld in artikel 2.1;

c. Gedeputeerde Staten: Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant;

d. provinciaal milieuprogramma: het provinciale milieuprogramma als bedoeld in artikel 4.14 van de wet;

e. een saneringsplan: een plan, bedoeld in artikel 39, eerste lid, van de Wet bodembescherming;

f. servicecentrum: servicecentrum als bedoeld in de Wet bodembescherming.

g. bijzonder gebied: een gebied als bedoeld in artikel 5.1.1 lid 1;

h. kwetsbaar gebied: een gebied als bedoeld in artikel 5.1.1 lid 2;

i. afvalwater: alle water waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen;

j. huishoudelijk afvalwater: afvalwater afkomstig van particuliere huishoudens en ander afvalwater dat naar zijn aard en samenstelling overeenkomt met afvalwater afkomstig van een particulier huishouden;

k. bedrijfsafvalwater: afvalwater, niet zijnde huishoudelijk afvalwater;

l. (gecertificeerde) IBA-III: een zuiveringssysteem voor de Individuele Behandeling van afvalwater met een zuiveringsrendement van 95 – 98 %;

m. de grondwateronttrekker: de houder van een inrichting als bedoeld in art. 15.34, tweede lid, van de wet.

Hoofdstuk 2. Provinciale commissie voor milieu en water Noord-Brabant

Artikel 2.1

  1. Er is een Provinciale commissie voor milieu en water Noord-Brabant.

  2. De commissie wordt vooraf door Gedeputeerde Staten gehoord over vraagstukken die van betekenis zijn voor het provinciale milieubeheer en het provinciale beleid inzake de waterhuishouding.

  3. Indien aan de besluitvorming over vraagstukken waarover de commissie adviseert een openbare voorbereidingsprocedure als bedoeld in de afdelingen 3.4 en 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht voorafgaat, wordt de commissie in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen zowel over het ontwerp dat ter inzage wordt gelegd, alsmede over het ontwerp na verwerking van de ingebrachte zienswijzen.

  4. De commissie is bevoegd Gedeputeerde Staten uit eigen beweging van advies te dienen omtrent vraagstukken betreffende het provinciaal beleid op het terrein van het milieubeheer en van de waterhuishouding.

  5. Voor de uitvoering van het gestelde in artikel 2.1, tweede tot en met vierde lid, verstrekken Gedeputeerde Staten de commissie informatie over alle zaken en ontwikkelingen die voor de uitvoering van haar taak van belang zijn.

  6. De commissie evalueert haar functioneren tenminste uiterlijk aan het einde van haar zittingsperiode, als bedoeld in artikel 2.3, en zendt het verslag van haar bevindingen aan Gedeputeerde Staten.

Artikel 2.2

  1. De commissie is als volgt samengesteld:

    a. een technisch voorzitter: het lid van het college van Gedeputeerde Staten belast met de portefeuille voor milieu;

    b. ambtshalve stemgerechtigd lid:

    c. de inspecteur van de Volksgezondheid belast met het toezicht op de hygiene van het milieu;

    d. overige stemgerechtigde leden:

    1. de directeur van het Ministerie van Landbouw, natuur en visserij, directie Zuid;

    2. de hoofdingenieur-directeur van de Rijkswaterstaat, directie Noord-Brabant;

    3. een lid op voordracht van de hoofdingenieur-directeur van het Rijksinstituut voor Integraal Zoetwaterbeheer en Afvalwaterbehandeling;

    4. van het Ministerie van Economische Zaken, het hoofd van de regio Zuid;

    5. twee leden op voordracht van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, Afdeling Noord-Brabant uit de samenwerkingsgebieden als bedoeld in artikel 2 van de Wet Gemeenschappelijke Regelingen en gemeentelijke kring;

    6. twee leden op gezamenlijke voordracht van de Brabantse Kamers van Koophandel uit respectievelijk de werkgevers- en werknemerszijde;

    7. een lid op voordracht van het georganiseerde landbouwbedrijfsleven in Noord-Brabant;

    8. een lid op voordracht van de particuliere natuurbeschermings- en milieuorganisaties in Noord-Brabant;

    9. een lid op voordracht van de gezamenlijke waterleiding- en waterwinningbedrijven in Noord-Brabant;

    10. twee leden op voordracht van de Noord-Brabantse waterschapsbond;

    11. een lid uit het technisch wetenschappelijk onderwijs op voordracht van de Technische Universiteit Eindhoven;

    12. een lid uit het maatschappij-wetenschappelijk onderwijs op voordracht van de Universiteit van Tilburg;

  2. Aan de commissie worden ambtshalve toegevoegd:

    a. adviseur: de directeur van de dienst Waterstaat, Milieu en Vervoer van de provincie Noord-Brabant, tevens vertegenwoordigende de dienst Ruimte, Economie en Welzijn;

    b. een secretaris: een door Gedeputeerde Staten aangewezen provinciaal ambtenaar;

    c. een plaatsvervangend secretaris: een door Gedeputeerde Staten aangewezen provinciaal ambtenaar.

  3. Op voorstel van de commissie kunnen Gedeputeerde Staten andere organisaties uitnodigen een lid voor te dragen.

  4. Een lid van het provinciaal bestuur van Noord-Brabant of een persoon die is aangesteld in dienst van de provincie Noord-Brabant kan niet stemgerechtigd lid zijn van de commissie.

Artikel 2.3

  1. De leden, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder c, worden door Gedeputeerde Staten benoemd voor vier jaar en kunnen telkens herbenoemd worden; tussentijdse benoemingen geschieden voor het nog resterende deel van de zittingsperiode. De in dit artikellid bedoelde leden hebben zitting op persoonlijke titel.

  2. De leden bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder b en c, onder 1, 2, 3 en 4, kunnen een plaatsvervangend lid ter benoeming voordragen. Het vorige lid is van overeenkomstige toepassing.

  3. Ten behoeve van de samenstelling van de commissie verzoeken Gedeputeerde Staten de betrokken organisaties een voordracht voor benoeming te doen.

  4. Indien binnen vier maanden na datum van het verzoek van Gedeputeerde Staten, als bedoeld in het derde lid, geen voordracht van de betrokken organisaties is ontvangen, kunnen Gedeputeerde Staten zelf in de betreffende vacature(s) voorzien.

  5. In dat geval horen Gedeputeerde Staten de commissie, zoals op dat moment samengesteld.

  6. De instanties genoemd in artikel 2.2, eerste lid, onder c, onder 5 tot en met 12, hebben het recht Gedeputeerde Staten te verzoeken het lidmaatschap aan door hen voorgedragen leden van de commissie te ontnemen. Tegelijkertijd met dit verzoek wordt een nieuwe voordracht voor benoeming gedaan. Het vierde lid van dit artikel is van overeenkomstige toepassing.

  7. In het tijdvak liggende tussen het ontstaan van een vacature en de voorziening daarin, wordt de commissie geacht volledig te zijn samengesteld.

Artikel 2.4

  1. De leden, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder c, kunnen te allen tijde ontslag nemen door een schriftelijke kennisgeving aan Gedeputeerde Staten.

  2. Artikel 2.3, eerste tot en met vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.5

Voor de ondersteuning van de voorzitter bij de voorbereiding van vergaderingen kiest de commissie uit haar midden drie leden, die samen met de voorzitter de agendacommissie vormen, bijgestaan door de secretaris of plaatsvervangend secretaris.

Artikel 2.6

De voorzitter wordt bij verhindering vervangen door een van de leden van de agendacommissie, als bedoeld in artikel 2.5. In voorkomende gevallen behouden zij hun stemrecht.

Artikel 2.7

  1. De commissie en de agendacommissie kunnen voor de voorbereiding van bepaalde onderwerpen subcommissies instellen. Deze subcommissies worden gevormd uit de leden van de commissie.

  2. De agendacommissie, commissie en subcommissie kunnen ten behoeve van de advisering deskundigen inschakelen. De deskundigen hebben in de commissie en de subcommissies geen stemrecht.

  3. Leden van Gedeputeerde Staten en personen in dienst van de provincie Noord-Brabant kunnen ter vergadering desgevraagd toelichting en informatie verstrekken.

Artikel 2.8

De commissie vergadert zo vaak de agendacommissie dan wel de voorzitter dat nodig oordeelt of ten minste drie leden van de commissie daarom schriftelijk en met opgave van redenen hebben verzocht. In het laatste geval wordt de vergadering binnen een maand na indiening van het verzoek gehouden.

Artikel 2.9

  1. De vergaderingen van de commissie zijn openbaar.

  2. Een vergadering of een gedeelte daarvan is niet openbaar in gevallen waarin de in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur (Stb. 1978, 581) genoemde belangen op de in dat artikel bedoelde wijze kunnen worden geschaad.

  3. Afgezien van het in het tweede lid bepaalde, worden de deuren gesloten wanneer de voorzitter of tenminste twee leden van de commissie het nodig achten. De vergadering besluit vervolgens of zij met gesloten deuren zal beraadslagen.

  4. Over punten, in besloten vergadering behandeld, kan daarin ook een besluit genomen worden.

  5. De commissie, dan wel het college van Gedeputeerde Staten, kunnen omtrent het in besloten vergadering behandelde en omtrent de inhoud van de stukken welke aan de commissie worden voorgelegd, geheimhouding opleggen. Zij wordt zowel door de leden die bij de behandeling aanwezig waren als door de leden die op andere wijze van het behandelde of van de stukken kennis nemen in acht genomen, totdat de commissie respectievelijk, het college, haar opheft.

  6. Gedeputeerde Staten kunnen bij hun verzoek om advies, vragen om het desbetreffende onderwerp met gesloten deuren te behandelen.

  7. De agendacommissie dan wel de voorzitter kan de commissie verzoeken advies uit te brengen op basis van een schriftelijke raadpleging van de leden.

Artikel 2.10

  1. De commissie kan alleen adviseren in die gevallen waarbij meer dan de helft van de stemgerechtigde leden aanwezig is.

  2. De adviezen van de commissie worden schriftelijk en ondertekend door de secretaris dan wel plaatsvervangend secretaris, uitgebracht.

Artikel 2.11

De commissie stelt zo nodig nadere regelen betreffende haar werkwijze en die van de subcommissies en doet daarvan mededeling aan Gedeputeerde Staten.

Hoofdstuk 3. Inspraak bij besluiten van algemene strekking

Titel 3.1 Voorbereiding

Artikel 3.1.1

Op de totstandkoming van een provinciaal milieubeleidsplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing met dien verstande dat:

a. het ontwerp van het plan gedurende acht weken ter inzage wordt gelegd ten kantore van de provincie en ten kantore van de in de provincie liggende gemeenten;

b. Gedeputeerde Staten voorafgaande aan de terinzagelegging in ieder geval kennis geven van het ontwerp van het plan in de Staatscourant;

c. een ieder in de gelegenheid wordt gesteld zijn zienswijze naar keuze mondeling of schriftelijk naar voren te brengen;

d. Gedeputeerde Staten een overzicht opstellen van de ingebrachte zienswijzen en van hetgeen zij naar aanleiding daarvan hebben overwogen;

e. Gedeputeerde Staten zo spoedig mogelijk een afschrift van het overzicht als bedoeld onder d toesturen aan degenen die hun zienswijze over het ontwerp van het plan hebben kenbaar gemaakt. Artikel 3:44, derde lid, Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.1.2

Artikel 3.1.1 is van overeenkomstige toepassing op:

a. een besluit tot wijziging van het plan;

b. een besluit tot vaststelling van het provinciaal milieuprogramma als bedoeld in artikel 4.14 van de wet, voor zover dat betrekking heeft op gevallen als bedoeld in het tweede lid, onder a, sub 1 van dat artikel, met dien verstande dat de terinzagelegging van het ontwerp plaatsvindt gedurende een termijn van vier weken;

c. een besluit tot wijziging van de provinciale milieuverordening, met dien verstande dat de terinzagelegging van het ontwerp plaatsvindt gedurende een door Gedeputeerde Staten te bepalen termijn van tenminste vier weken, en ten aanzien van de besluiten als bedoeld onder b en c het bepaalde in artikel 3.1.1, onder b, niet geldt.

Titel 3.2 Beklag

Artikel 3.2

  1. Een ieder kan schriftelijk en gemotiveerd zijn beklag doen over de uitvoering van dit hoofdstuk van de verordening.

  2. De Verordening voor de Commissie van klachten en verzoeken is van toepassing op het beklag als bedoeld in lid 1.

Hoofdstuk 4. Algemeen provinciaal milieubeleid

Titel 4.1 Milieukwaliteitseisen

Gereserveerd

Titel 4.2 Instructies voor vergunningen voor inrichtingen en voor lozingen op oppervlaktewateren

Artikel 4.2.1

In deze titel wordt verstaan onder:

a. wet: de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (wet van 13 november 1969, houdende regelen omtrent de verontreiniging van oppervlaktewateren);

b. lozing: een lozing van huishoudelijk- of bedrijfsafvalwater die rechtstreeks of via een werk op oppervlaktewater plaatsvindt. Via een werk kan zijn dat het afvalwater via een op een vaste plaats gelegen afvoer of lozingspijp en al dan niet na voorzuivering op oppervlaktewater wordt geloosd. Indien door de waterkwaliteitsbeheerder voor de lozing een vervuilingheffing wordt geheven, wordt de lozing gezien als een oppervlaktewaterlozing.

Artikel 4.2.2

  1. Indien het bevoegd gezag een vergunning krachtens artikel 1 van de wet verleent voor een lozing in kwetsbaar gebied, wordt aan de vergunning het voorschrift verbonden dat lozing geschiedt via een voorziening die voldoet aan de eisen van een (gecertificeerde) IBA-III.

  2. Het in het voorgaande lid genoemde voorschrift wordt alleen aan de vergunning verbonden indien niet op grond van andere regelgeving de verplichting tot aansluiting op de riolering bestaat.

  3. Het in het eerste lid genoemde voorschrift wordt door het bevoegd gezag uiterlijk binnen het nog niet verstreken deel van een redelijke afschrijvingstermijn van de voorziening verbonden aan reeds voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel verleende vergunningen voor lozingen op oppervlaktewater anders dan via een voorziening die voldoet aan de eisen van een (gecertificeerde) IBA-III.

Titel 4.3 Afvalstoffen

Artikel 4.3.0

In deze titel wordt verstaan onder:

a. inzamelen: ophalen van bedrijfs- of gevaarlijke afvalstoffen bij een persoon die zich van die afvalstoffen ontdoet door afgifte aan degene die die afvalstoffen ophaalt;

b. [Vervallen]

c. meldingenpunt: de Stichting Landelijk Meldingenpunt Afvalstoffen, opgericht door de gezamenlijke provincies;

d. [Vervallen]

e. Groene lijst van afvalstoffen: bijlage II van de verordening (EEG) nr. 259/93 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 1 februari 1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap (PbEG L30);

f. het Bouwstoffenbesluit: Het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterbescherming (Stb. 1995, 567);

g. bouwstof: een bouwstof als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b. van het Bouwstoffenbesluit, voorzover niet zijnde een primaire grondstof;

h. bouw- en slooplocatie: een samenhangend geheel van sloop- en bouwwerkzaamheden op één duidelijk begrensde aaneengesloten locatie;

i. secundaire grondstoffen: de na bewerking door een mobiele puinbreekinstallatie verkregen granulaten;

j. doelmatige wijze toepassen: het rechtstreeks ter plaatse van de bouw- en slooplocatie (doen) aanbrengen en (doen) houden van secundaire grondstoffen, conform het Bouwstoffenbesluit, welke een omvang hebben van meer dan vijftig gewichtsprocenten van het totaal op deze locatie vrijgekomen en bewerkt steenachtig materiaal, waarbij niet meer secundaire grondstoffen worden gebruikt dan uit civieltechnisch én bouwkundig oogpunt strikt noodzakelijk is;

k. werk: een werk als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a van het Bouwstoffenbesluit;

l. standaard RAW-bepalingen: standaardbepalingen van de RAW 2000;

m. BRL SBC-SL007: beoordelingsrichtlijn van de Stichting Beheer Certificatie voor het procescertificaat slopen;

n. BRL 2506: beoordelingsrichtlijn voor het KOMO-productcertificaat voor BSA-granulaten voor toepassing in de betonbouw en wegenbouw en voor het KOMO-attest met productcertificaat voor BSA-granulaten voor toepassing in de wegenbouw en voor het KOMO-attest met productcertificaat voor BSA-granulaten voor toepassing in de grondbouw;

o. Menggranulaat: granulaat voortkomend uit het breken van metselwerk en beton, zodanig dat het mengsel voor ten minste 45 procent (m/m) uit beton bestaat.

§ 4.3.1 Huishoudelijke afvalstoffen

Artikel 4.3.1.1

  1. Bij de gemeentelijke verordening als bedoeld in artikel 10.10 van de wet worden regels gesteld omtrent de verwijdering van de volgende bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen direct na het ontstaan ervan en de afzonderlijke inzameling van die bestanddelen:

    a. afvalstoffen als bedoeld in artikel 3 van het Besluit aanwijzing gevaarlijke afvalstoffen (Stb. 1993, 617), welke vallen onder de werking van artikel 4, eerste lid, van dat besluit (klein chemisch afval);

    b. glas;

    c. oud papier en karton;

    d. textiel;

    e. wit- en bruingoed waarop het Besluit verwijdering wit-en bruingoed (Stb. 1998, 238) van toepassing is;

    f. asbesthoudend materiaal.

  2. Bij de gemeentelijke verordening kan voor bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen als bedoeld in het eerste lid in het belang van de doelmatige verwijdering van die afvalstoffen worden bepaald dat:

    a. deze bestanddelen moeten worden afgegeven aan een door de gemeente aangewezen inzameldienst of persoon dan wel moeten worden gebracht naar een daartoe door de gemeente aangewezen plaats;

    b. regels als bedoeld in het eerste lid niet gelden voor daarbij aangewezen categorieen van personen.

  3. Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels stellen omtrent de inhoud van de in het eerste en tweede lid bedoelde regels.

Artikel 4.3.1.2

Elke gemeente draagt er, al dan niet in samenwerking met andere gemeenten, zorg voor dat asbesthoudend materiaal, voor zover afkomstig uit particuliere huishoudens, kan worden achtergelaten op een daartoe door de gemeente aangewezen plaats.

Artikel 4.3.1.3

Burgemeester en wethouders brengen binnen de gemeente of binnen de gemeenten waarmee wordt samengewerkt een plaats tot stand en houden deze in stand, waar een leverancier als bedoeld in het Besluit verwijdering wit- en bruingoed een van een particulier huishouden teruggenomen product als bedoeld in genoemd Besluit kan achterlaten.

Artikel 4.3.1.4

  1. Burgemeester en Wethouders doen jaarlijks vóór 1 juni aan Gedeputeerde Staten of een door Gedeputeerde Staten aangewezen instantie een opgave van de huishoudelijke afvalstoffen, inclusief hun bestemming, die in het daaraan voorafgaande jaar door of namens de gemeente zijn ingezameld of aan de gemeente of een persoon die in opdracht van de gemeente werkt, zijn afgegeven.

  2. Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels stellen aan de in het eerste lid bedoelde opgave. Tot deze eisen kan behoren dat in de opgave onderscheid moet worden gemaakt naar daarbij aangewezen bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen.

Artikel 4.3.1.5

Paragraaf 4.3.3 Bedrijfsafvalstoffen is tevens van toepassing op ingezamelde of afgegeven huishoudelijke afvalstoffen.

§ 4.3.2 Afvalwater

Artikel 4.3.2.1

  1. De aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 10.33, tweede lid, van de wet wordt in vijfvoud ingediend.

  2. De aanvraag bevat ten minste de volgende gegevens en bescheiden:

    a. het gemeentelijk rioleringsplan bedoeld in artikel 4.22 van de wet of, indien het plan nog niet is vastgesteld, een overzicht van de aanwezige voorzieningen en de overige gegevens, bedoeld in artikel 4.22, tweede lid, van de wet, voor dat deel van de gemeente waarop de aanvraag om ontheffing betrekking heeft;

    b. een overzicht van de lozingssituatie in dat deel van de gemeente waarop het verzoek om ontheffing betrekking heeft;

    c. een overzicht van de gevolgen voor het milieu wanneer geen voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater worden getroffen;

    d. een overzicht van alternatieve voorzieningen voor verwerking van het afvalwater van de betreffende percelen;

    e. indien over het voornemen van de gemeente tot het achterwege laten van de voorzieningen overleg is gevoerd met de betrokken waterkwantiteitsbeheerder en waterkwaliteitsbeheerder als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de waterhuishouding: de resultaten van dat overleg.

Artikel 4.3.2.2

  1. Op de voorbereiding van een beschikking op de aanvraag om ontheffing als bedoeld in artikel 10.33, tweede lid, van de wet, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

  2. Het ontwerp-besluit ligt gedurende vier weken ter inzage ten kantore van de provincie en ten kantore van de betrokken gemeente. Artikel 3:22, eerste lid, tweede en derde volzin, van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.

  3. Gedurende de in het tweede lid genoemde termijn kan een ieder zijn zienswijze omtrent het ontwerp naar voren brengen bij Gedeputeerde Staten.

  4. Gedeputeerde Staten stellen de betrokken waterkwantiteitsbeheerder en waterkwaliteitsbeheerder, als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de waterhuishouding, en de inspecteur in de gelegenheid advies uit te brengen met betrekking tot de aanvraag om ontheffing en het daarop te nemen besluit.

Artikel 4.3.2.3

  1. Gedeputeerde Staten beslissen op een aanvraag om ontheffing binnen een termijn van twaalf weken na ontvangst van de aanvraag.

  2. Zij kunnen deze termijn eenmaal met ten hoogste twaalf weken verlengen.

  3. Van een verlenging van de termijn stellen Gedeputeerde Staten de aanvrager en de adviseurs, bedoeld in artikel 4.3.2.2, vierde lid, op de hoogte.

Artikel 4.3.2.4

Gedeputeerde Staten kunnen beleidsregels vaststellen waarin de uitoefening van hun bevoegdheden op grond van deze paragraaf nader worden uitgewerkt

§ 4.3.3 Bedrijfsafvalstoffen

Afdeling 1 Algemeen

Artikel 4.3.3.1

In deze paragraaf wordt onder bedrijfsafvalstoffen mede verstaan ingezamelde of afgegeven huishoudelijke afvalstoffen.

Artikel 4.3.3.2

Als categorieën van inrichtingen waarop de regels van deze paragraaf rechtstreeks van toepassing zijn, worden aangewezen de categorieën van inrichtingen die zijn genoemd in bijlage I en II van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer.

Afdeling 2 Het gescheiden houden van bedrijfsafvalstoffen

Artikel 4.3.3.3

Een persoon aan wie bedrijfsafvalstoffen worden afgegeven die behoren tot een categorie die is genoemd in bijlage 4, onderdeel A, is - indien die afvalstoffen hem gescheiden van andere stoffen en afvalstoffen die niet behoren tot dezelfde categorie, zijn aangeboden - verplicht die afvalstoffen gescheiden te houden van andere stoffen en afvalstoffen die behoren tot een andere categorie, en gescheiden af te geven wanneer hij zich daarvan ontdoet.

Artikel 4.3.3.4

Een persoon die bedrijfsafvalstoffen transporteert die behoren tot een categorie die is genoemd in bijlage 4, onderdeel A, is - indien die afvalstoffen hem gescheiden van andere stoffen en afvalstoffen die niet behoren tot dezelfde categorie, zijn aangeboden - verplicht die afvalstoffen gescheiden te houden van andere stoffen en afvalstoffen die behoren tot een andere categorie.

Artikel 4.3.3.5

Gedeputeerde Staten kunnen met betrekking tot daarbij aangewezen categorieën van bedrijfsafvalstoffen, voor daarbij aangegeven categorieën van gevallen en voor een daarbij te bepalen termijn vrijstelling verlenen van de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 4.3.3.3 en 4.3.3.4, indien het belang van de doelmatige verwijdering van die afvalstoffen zich daartegen niet verzet.

Artikel 4.3.3.6

Op de voorbereiding van een beschikking op de aanvraag om ontheffing, op grond van artikel 10.47 van de wet, van de verplichtingen bedoeld in de artikelen 4.3.3.3 en 4.3.3.4, dan wel de voorbereiding van een beschikking tot wijziging of intrekking van een ontheffing, is afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

Afdeling 3 Het inzamelen van bedrijfsafvalstoffen

Artikelen 4.3.3.7 tot en met 4.3.3.9

[Vervallen]

Afdeling 4 De melding inzake de afgifte en ontvangst van bedrijfsafvalstoffen

Artikel 4.3.3.10

Paragraaf 10.5.2 van de wet met betrekking tot de melding inzake de afgifte en ontvangst van gevaarlijke afvalstoffen is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de categorieën van bedrijfsafvalstoffen die in bijlage 4, onderdeel B, zijn aangewezen, met dien verstande dat

a. voor "persoon als bedoeld in artikel 10.30, tweede lid," wordt gelezen "persoon als bedoeld in artikel 10.19, tweede lid, onder a tot en met d";

b. de datum van afgifte niet behoeft te worden gemeld.

Artikel 4.3.3.11

De verplichting van artikel 10.31 van de wet tot het melden van de afgifte van bedrijfsafvalstoffen geldt niet in het geval de afgifte geschiedt aan een persoon als bedoeld in artikel 10.19, tweede lid, onder a tot en met d, van de wet.

Artikel 4.3.3.12

  1. De verplichting van artikel 10.32, aanhef en onder a. van de wet tot het verstrekken van een omschrijving van de afvalstoffen aan een persoon als bedoeld in artikel 10.19, tweede lid, onder a tot en met d, geldt met betrekking tot bedrijfsafvalstoffen niet

    a. voor de afgifte door overheidsorganen van onbeheerd achtergelaten of in beslag genomen afvalstoffen;

    b. voor de afgifte van scheepsafvalstoffen vanaf zee- en binnenvaartschepen;

    c. voor de afgifte van afvalstoffen die behoren tot een categorie als bedoeld in bijlage 4, onderdeel C, en bestemd zijn voor hergebruik, terugwinning dan wel andere handelingen gericht op het verkrijgen van herbruikbare stoffen, voor zover deze afvalstoffen niet zijn gemengd met andere stoffen of afvalstoffen die behoren tot een andere categorie;

    d. voor de afgifte van afvalstoffen aan degene die deze afvalstoffen rechtstreeks toepast als bouwstof in een werk als bedoeld in het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterbescherming (Stb. 1995, 567);

    e. voor de afgifte van afvalstoffen in een hoeveelheid van minder dan 2000 liter per afgifte;

    f. voor afvalstoffen die worden vervoerd in een motorrijtuig van de rijbewijscategorie B;

    g. indien de afgifte geschiedt aan een persoon die binnen de inrichting waarin de afvalstoffen zijn ontstaan, is gevestigd.

  2. De verplichting van artikel 10.32, aanhef en onder b, van de wet om de vervoerder een begeleidingsbrief te verstrekken, geldt met betrekking tot bedrijfsafvalstoffen niet, indien de afvalstoffen:

    b. buiten Nederlands grondgebied worden gebracht en vergezeld gaan van een afschrift of een exemplaar van het begeleidend document als bedoeld in de EEG-verordening overbrenging van afvalstoffen;1)

    c. worden vervoerd in een motorrijtuig van de rijbewijscategorie B;

    d. worden vervoerd in een hoeveelheid van niet meer dan 2000 liter op een andere wijze dan in een motorrijtuig van de rijbewijscategorie B

    e. noot 1 EEG-verordening nr. 259/93 (PbEG 1993, L 30/1)

Artikel 4.3.3.13

  1. Voor de in artikel 10.32, aanhef en onder a, van de wet bedoelde verstrekking van gegevens met betrekking tot de afgifte van bedrijfsafvalstoffen wordt gebruik gemaakt van een gegevensdrager die is goedgekeurd door Gedeputeerde Staten of een door hen aangewezen instantie.

  2. De gegevens worden verstrekt voorafgaand aan de daadwerkelijke afgifte.

Artikel 4.3.3.14

  1. Een persoon als bedoeld in artikel 10.19, tweede lid, onder b tot en met d, van de wet verstrekt:

    a. voorafgaand aan de afgifte van afvalstoffen een afvalstroomnummer voor de afgifte van die afvalstoffen aan degene die zich van die afvalstoffen ontdoet, of, indien het tweede lid van dit artikel van toepassing is, aan degene die de afvalstoffen inzamelt;

    b. de in het artikel 4.3.3.13, eerste lid, bedoelde gegevens alsmede het afvalstroomnummer, uiterlijk binnen twee weken na afloop van het kwartaal waarin de afgifte heeft plaatsgevonden, aan Gedeputeerde Staten of een door Gedeputeerde Staten aan te wijzen instantie;

  2. Voor zover bedrijfsafvalstoffen worden ingezameld die tijdens het transport worden gemengd met van anderen afkomstige ingezamelde afvalstoffen die behoren tot dezelfde categorie, vraagt de persoon die de afvalstoffen inzamelt een afvalstroomnummer aan voor dat transport.

  3. Een persoon die conform het tweede lid afvalstoffen inzamelt, vermeldt het afvalstroomnummer op de factuur die hij verstrekt aan degene die zich van die afvalstoffen ontdoet.

  4. De verstrekking van gegevens geldt met betrekking tot de afgiften van de omschreven afvalstoffen voor onbepaalde tijd, tenzij gedurende achttien maanden geen afgifte met gebruikmaking van dat nummer heeft plaats gevonden.

Artikel 4.3.3.15

Gedeputeerde Staten kunnen met betrekking tot daarbij aangewezen categorieën van bedrijfsafvalstoffen voor daarbij aangegeven categorieën van gevallen en voor een daarbij te bepalen termijn vrijstelling verlenen van de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 4.3.3.14, eerste tot en met derde lid, indien het belang van een doelmatige verwijdering van die afvalstoffen zich daartegen niet verzet.

Artikel 4.3.3.16

  1. De verplichting van artikel 10.33 van de wet tot het melden van de afgifte van bedrijfsafvalstoffen geldt, onverminderd het bepaalde in het tweede en derde lid van dit artikel, niet:

    a. voor de afgifte door overheidsorganen van onbeheerd achtergelaten of in beslag genomen afvalstoffen;

    b. voor de afgifte van scheepsafvalstoffen vanaf zee- en binnenvaartschepen;

    c. voor de afgifte van afvalstoffen die behoren tot een categorie als bedoeld in bijlage 4, onderdeel C, en bestemd zijn voor hergebruik, terugwinning dan wel andere handelingen gericht op het verkrijgen van herbruikbare stoffen, voor zover deze afvalstoffen niet zijn gemengd met andere stoffen of afvalstoffen die behoren tot een andere categorie;

    d. voor de afgifte van afvalstoffen aan degene die deze afvalstoffen rechtstreeks toepast als bouwstof in een werk als bedoeld in het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterbescherming (Stb. 1995, 567);

    e. voor de afgifte van afvalstoffen aan een inzamelaar die tijdens het transport zijn gevoegd bij van anderen afkomstige ingezamelde afvalstoffen die behoren tot dezelfde categorie;

    f. voor de afgifte van afvalstoffen in een hoeveelheid van minder dan 2000 liter per afgifte;

    g. indien de afvalstoffen worden vervoerd in een motorrijtuig van de rijbewijscategorie B;

    h. indien de afgifte geschiedt aan een persoon die binnen de inrichting waarin de afvalstoffen zijn ontstaan, is gevestigd;

  2. Een persoon die afvalstoffen in ontvangst neemt die behoren tot een categorie als bedoeld in het eerste lid, onder a of b, of op een wijze als bedoeld in dat lid onder e, f of g, doet binnen twee weken na afloop van elk kwartaal aan Gedeputeerde Staten of een door Gedeputeerde Staten aangewezen instantie een opgave van de aard en in kilogrammen uitgedrukte hoeveelheid afvalstoffen die hij in dat kwartaal heeft ontvangen.

  3. Een persoon die afvalstoffen in ontvangst neemt die behoren tot een categorie als bedoeld in het eerste lid, onder c of d, doet binnen een maand na een daartoe strekkend verzoek van Gedeputeerde Staten of een door Gedeputeerde Staten aangewezen instantie een opgave van de aard en de in kilogrammen uitgedrukte hoeveelheid van die afvalstoffen die hij heeft ontvangen in de periode die in het verzoek wordt genoemd.

Artikel 4.3.3.17

  1. Een melding als bedoeld in artikel 10.33 van de wet met betrekking tot de afgifte van bedrijfsafvalstoffen wordt gedaan aan Gedeputeerde Staten of aan een door Gedeputeerde Staten aan te wijzen instantie.

  2. De melding vindt plaats uiterlijk twee weken na afloop van het kwartaal waarin de afgifte heeft plaatsgevonden.

  3. Voor de melding wordt gebruik gemaakt van een gegevensdrager die is goedgekeurd door Gedeputeerde Staten of een door hen aangewezen instantie.

Artikel 4.3.3.18

Personen die ingevolge de artikelen 4.3.3.11 en 4.3.3.16 vrijgesteld zijn van de verplichting de afgifte van bedrijfsafvalstoffen te melden, registreren de in de artikelen 10.31 en 10.33 van de wet bedoelde gegevens op een zodanige wijze dat controle daarvan door de krachtens artikel 18.4 van de wet aangewezen ambtenaren binnen een redelijke termijn mogelijk is.

Artikel 4.3.3.19

  1. De verplichting van artikel 10.34 van de wet om een begeleidingsbrief bij de afvalstoffen aanwezig te hebben geldt met betrekking tot bedrijfsafvalstoffen niet voor degene die

    a. afvalstoffen binnen Nederlands grondgebied of buiten Nederlands grondgebied brengt en deze vergezeld laat gaan van een afschrift of een exemplaar van het begeleidend document als bedoeld in de EEG-verordening overbrenging van afvalstoffen;

    b. afvalstoffen vervoert in een motorrijtuig van de rijbewijscategorie B;

    c. afvalstoffen vervoert in een hoeveelheid van niet meer dan 2000 liter op een andere wijze dan in een motorrijruig van de rijbewijscategorie B.

  2. Voor de begeleidingsbrief, bedoeld in artikel 10.34 van de wet, wordt gebruik gemaakt van een gegevensdrager die is goedgekeurd door Gedeputeerde Staten of een door hen aangewezen instantie.

  3. De goedkeuring als bedoeld in het tweede lid is niet vereist voor het vervoer van afvalstoffen die behoren tot een categorie als bedoeld in bijlage 4, onderdeel C, en bestemd zijn voor hergebruik, terugwinning dan wel andere handelingen gericht op het verkrijgen van herbruikbare stoffen, voor zover deze afvalstoffen niet zijn gemengd met andere stoffen of afvalstoffen die behoren tot een andere categorie;

Artikel 4.3.3.20

Een ieder die uitvoering geeft aan de meld- en registratieverplichtingen van deze afdeling, is verplicht:

a. indien hij gegevens registreert daarbij gebruik te maken van de Afvalstofcodelijst, die is opgenomen in de Handleiding afvalstofcode, uitgave december 1996 of een latere uitgave, dan wel de door Gedeputeerde Staten of een door hen aangewezen instantie goedgekeurde lijst.

b. de daarop betrekking hebbende gegevensdragers ten minste gedurende drie jaar te bewaren.

Artikel 4.3.3.21

  1. In het belang van een goede uitvoering van deze afdeling kunnen door Gedeputeerde Staten of door een door hen aangewezen instantie nadere regels worden gesteld ten aanzien van de gegevens die ingevolge deze afdeling moeten worden gemeld of geregistreerd, de begeleidingsbrief en de facturen en de in deze afdeling genoemde gegevensdragers.

  2. Gedeputeerde Staten kunnen met betrekking tot daarbij aangewezen categorieën van bedrijfsafvalstoffen voor daarbij aangegeven categorieën van gevallen en voor een daarbij te bepalen termijn vrijstelling verlenen van de verplichtingen, bedoeld in paragraaf 10.5.2 van de wet en in de artikelen 4.3.3.13, 4.3.3.16, tweede lid, 4.3.3.17, 4.3.3.18 en 4.3.3.20, indien het belang van een doelmatige verwijdering van die afvalstoffen zich daartegen niet verzet.

Afdeling 5 Provinciegrensoverschrijdend verkeer van bedrijfsafvalstoffen

Artikelen 4.3.3.22 tot en met 4.3.3.25

[Vervallen]

Afdeling 6 Mobiele installaties

Artikel 4.3.3.26 tot en met 4.3.3.29

[Vervallen]

§ 4.3.4 Gevaarlijke afvalstoffen

Afdeling 1 Algemeen

Artikel 4.3.4.1

Als categorieën van inrichtingen waarop de regels van deze paragraaf rechtstreeks van toepassing zijn, worden aangewezen de categorieën van inrichtingen die zijn genoemd in de bijlagen I en II van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer.

Afdeling 2 De melding inzake de afgifte en ontvangst van gevaarlijke afvalstoffen

Artikel 4.3.4.2

  1. Voor de in artikel 10.32, aanhef en onder a, van de wet bedoelde verstrekking van gegevens wordt gebruik gemaakt van een door het meldingenpunt goedgekeurde gegevensdrager. De gegevens worden verstrekt voorafgaand aan de daadwerkelijke afgifte.

  2. Voor de begeleidingsbrief, bedoeld in artikel 10.34 van de wet, wordt gebruik gemaakt van een door het meldingenpunt goedgekeurde gegevensdrager.

Artikel 4.3.4.3

  1. Een melding als bedoeld in artikel 10.31, respectievelijk artikel 10.33 van de wet wordt gedaan aan het meldingenpunt.

  2. De melding vindt plaats binnen zes weken na de dag waarop de afgifte heeft plaatsgevonden.

  3. Voor de melding wordt gebruik gemaakt van een door het meldingenpunt goedgekeurde gegevensdrager.

Artikel 4.3.4.4

De verplichtingen ingevolge de artikelen 10.31 en 10.33 van de wet tot het melden van de afgifte, respectievelijk de ontvangst, van gevaarlijke afvalstoffen, gelden niet indien de afgifte geschiedt aan :

a. een persoon die binnen de inrichting waarin de afvalstoffen zijn ontstaan, is gevestigd;

b. een depot dat - voor zover het de opslag van gevaarlijke afvalstoffen betreft - uitsluitend bestemd is voor het bewaren van gevaarlijke afvalstoffen die

  1. voor de ontvangst werden aangemerkt als klein chemisch afval als bedoeld in het Besluit Kca-logo (Stb. 1994, 22) en

  2. in een hoeveelheid van ten hoogste 50 kilogram in totaal, per afgifte bij het depot worden afgegeven door degene die zich daarvan ontdoet.

c. een persoon die per afgifte niet meer dan maximaal 50 kilogram in totaal inzamelt.

Artikel 4.3.4.5

De verplichting tot het melden van de afgifte van gevaarlijke afvalstoffen ingevolge artikel 10.31 van de wet geldt niet in geval de afgifte geschiedt door:

a. [Vervallen]

b. een depot als bedoeld in artikel 4.3.4.4, onder b;

c. een persoon als bedoeld in artikel 4.3.4.4, onder c.

Artikel 4.3.4.6

De verplichting van artikel 10.32, aanhef en onder a, van de wet om een omschrijving van de afvalstoffen aan de ontvanger te verstrekken, geldt niet voor:

a. de afgifte door overheidsorganen van onbeheerd achtergelaten of in beslag genomen afvalstoffen;

b. de afgifte van scheepsafvalstoffen als bedoeld in bijlage 5, onder 1, vanaf zee- en binnenvaartschepen.

c. de afgifte aan een persoon als bedoeld in artikel 4.3.4.4, onder a;

d. de afgifte aan een depot als bedoeld in artikel 4.3.4.4, onder b;

e. de afgifte aan een persoon als bedoeld in artikel 4.3.4.4, onder c.

Artikel 4.3.4.7

De verplichting van artikel 10.33 van de wet tot het melden van de ontvangst van gevaarlijke afvalstoffen geldt niet voor de afgifte van poetsdoeken door en waarvan de afgifte met het oog op de reiniging daarvan plaatsvindt.

Artikel 4.3.4.8

Personen als bedoeld in de artikelen 10.31, eerste lid, en 10.33, eerste lid, van de wet, die ingevolge de artikelen 4.3.4.4, 4.3.4.5 of 4.3.4.7 vrijgesteld zijn van de verplichting de afgifte, respectievelijk de ontvangst van gevaarlijke afvalstoffen te melden, registreren de in die wetsartikelen bedoelde gegevens op een zodanige wijze dat controle daarvan door de krachtens artikel 18.4 van de wet aangewezen ambtenaren binnen een redelijke termijn mogelijk is.

Artikel 4.3.4.9

Degene die uitvoering geeft aan de artikelen 10.31, 10.32, 10.33, of 10.34 van de wet is verplicht:

a. indien hij gegevens registreert daarbij gebruik te maken van de Afvalstofcodelijst, die is opgenomen in de door het meldingenpunt opgestelde Handleiding afvalstofcode, uitgave december 1996 of een latere uitgave dan wel de door het algemeen bestuur van het Samenwerkingsverband Interprovinciaal Overleg aangewezen lijst die met betrekking tot dat onderwerp de geldende norm is;

b. de daarop betrekking hebbende gegevensdragers ten minste gedurende drie jaar te bewaren.

Afdeling 3 Het inzamelen van gevaarlijke afvalstoffen

Artikelen 4.3.4.10 tot en met 4.3.4.16

[Vervallen]

§ 4.3.5 Voorschriften voor inrichtingen

Artikel 4.3.5.1

[Vervallen]

§ 4.3.6 Gemeentelijke samenwerking

Gereserveerd

Titel 4.4 Gebruik van gesloten stortplaatsen

Artikel 4.4.1. Begripsbepaling

In deze titel wordt verstaan onder:

a. voormalige stortplaats : een stortplaats waar vóór 1 september 1996 het storten van afval is beëindigd;

b. gesloten stortplaats : een stortplaats als bedoeld in artikel 8.47, eerste lid, onder c., van de wet;

c. hergebruik : nieuwe gebruiksfunctie voor een voormalige of gesloten stortplaats;

d. hergebruikplan : het plan, bedoeld in artikel 4.4.5;

e. Nota : de Nota “Hergebruik van stortplaatsen”, vastgesteld bij besluit van Gedeputeerde Staten van …. nr…. ….;

f. Nazorgplan : het nazorgplan bedoeld in artikel 8.49, derde lid, van de wet;

g. nazorgvoorzieningen : de voorzieningen ter bescherming van het milieu, bedoeld in artikel 8.49, eerste en tweede lid, van de wet, dan wel soortgelijke voorzieningen die zijn aangebracht op een voormalige stortplaats;

h. werk : grondwerk, wegenbouwkundig werk, waterbouwkundig werk of bouwwerk.

Artikel 4.4.2 Verbodsbepaling

  1. Het is verboden in, op, onder of over een plaats waar de in artikel 8.49 van de wet bedoelde zorg met betrekking tot een gesloten stortplaats wordt uitgevoerd

    a. werken te maken of te behouden;

    b. stoffen of voorwerpen, niet zijnde afvalstoffen, te storten, te plaatsen of neer te leggen, of deze te laten staan of liggen;

    c. andere dan de onder a of b bedoelde handelingen te verrichten of handelingen na te laten indien ten gevolge daarvan de instandhouding van de maatregelen, bedoeld in artikel 8.49, eerste lid, van de wet, belemmerd kan worden, dan wel de aanwezige nazorgvoorzieningen beschadigd kunnen worden.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op:

    a. het treffen van maatregelen volgens een nazorgplan waarmee gedeputeerde staten hebben ingestemd;

    b. handelingen waarvoor het in artikel 8.1, eerste lid, van de wet gestelde verbod geldt;

    c. handelingen verricht binnen een inrichting waarvoor een vergunning krachtens artikel 8.1. van de wet is verleend;

    d. handelingen ter uitvoering van maatregelen welke zijn opgenomen in een beschikking als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Wet bodembescherming.

Artikel 4.4.3

  1. Het is verboden in, op, onder of over een voormalige stortplaats

    a. werken te maken of te behouden;

    b. stoffen of voorwerpen, niet zijnde afvalstoffen, te storten, te plaatsen of neer te leggen, of deze te laten staan of liggen;

    c. andere dan de onder a of b bedoelde handelingen te verrichten of handelingen na te laten indien ten gevolge daarvan de aanleg van nazorgvoorzieningen verhinderd kan worden, dan wel de aanwezige nazorgvoorzieningen beschadigd kunnen worden.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op:

    a. het treffen van maatregelen volgens een hergebruikplan waarmee gedeputeerde staten hebben ingestemd;

    b. handelingen waarvoor het in artikel 8.1, eerste lid, van de wet gestelde verbod geldt;

    c. handelingen verricht binnen een inrichting waarvoor een vergunning krachtens artikel 8.1. van de wet is verleend;

    d. handelingen ter uitvoering van maatregelen welke zijn opgenomen in een beschikking als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Wet bodembescherming.

Artikel 4.4.4 Ontheffing

  1. Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van de in artikel 4.4.2, eerste lid en artikel 4.4.3, eerste lid, gestelde verboden indien het belang dat de gesloten of voormalige stortplaats geen nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt, zich daartegen niet verzet.

  2. Aan een ontheffing worden in ieder geval voorschriften verbonden die tot doel hebben:

    a. de bereikbaarheid van de nazorgvoorzieningen te garanderen;

    b. aantasting van de nazorgvoorzieningen te voorkomen;

    c. te voorkomen dat de uitvoering van de nazorg anderszins wordt belemmerd.

  3. Op de voorbereiding van een beschikking op de aanvraag om ontheffing, dan wel tot wijziging of intrekking van een ontheffing is de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing.

Artikel 4.4.5 Over te leggen gegevens

  1. De aanvraag voor de ontheffing, bedoeld in artikel 4.4.4, wordt in drievoud bij Gedeputeerde Staten ingediend.

  2. In de aanvraag worden de volgende gegevens overgelegd:

    a. naam en adres van de aanvrager;

    b. een beschrijving van het voorgenomen gebruik van de gesloten of voormalige stortplaats en – indien van toepassing - van het gebied waarin de nazorgvoorzieningen zijn gelegen;

    c. het adres, de kadastrale aanduiding en een kadastrale kaart, waarop het voorgenomen gebruik als bedoeld onder b. is aangegeven;

    d. de naam en het adres van een ieder die een zakelijk of een persoonlijk recht heeft op het grondgebied onder c;

    e. een overzicht van de benodigde vergunningen, meldingen en toestemmingen om het voorgenomen gebruik en, indien van toepassing, de aanleg van nazorgvoorzieningen te kunnen realiseren;

    f. de maatregelen die worden getroffen om:

    g. 1º (indien van toepassing) de aanleg van nazorgvoorzieningen te realiseren;

    h. 2º de bereikbaarheid van de nazorgvoorzieningen te garanderen;

    i. 3º aantasting van de nazorgvoorzieningen te voorkomen;

    j. 4º anderszins de uitvoering van de nazorg niet te belemmeren;

    k. de wijze van evaluatie van en rapportage over de uitvoering van de onder f bedoelde maatregelen.

  3. De bij de aanvraag om ontheffing behorende stukken worden door of namens de aanvrager gekenmerkt als behorende tot de aanvraag.

Artikel 4.4.6 Hergebruikplan

  1. Degene die een aanvraag om ontheffing als bedoeld in artikel 4.4.4 indient teneinde de voormalige of gesloten stortplaats voor hergebruik in te richten, overlegt tevens een hergebruikplan.

  2. In het hergebruikplan wordt tot uitdrukking gebracht op welke wijze voldaan wordt aan de randvoorwaarden voor hergebruik van voormalige en gesloten stortplaatsen als omschreven in de Nota.

  3. Het hergebruikplan wordt door of namens de aanvrager gekenmerkt als behorende tot de aanvraag om ontheffing.

Artikel 4.4.7 Relatie met vergunningverlening

  1. Het bevoegd gezag dat een besluit neemt op een aanvraag om vergunning krachtens artikel 8.1 van de wet voor een inrichting die behoort tot een categorie die is genoemd in bijlage 1 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, en die zal zijn gelegen op een voormalige of gesloten stortplaats, betrekt bij het besluit het in de Nota opgenomen beleid.

  2. Het bevoegd gezag verbindt aan een vergunning voor een inrichting bedoeld in het eerste lid voorschriften die tot doel hebben:

    a. de bereikbaarheid van de nazorgvoorzieningen te garanderen;

    b. aantasting van de nazorgvoorzieningen te voorkomen;

    c. te voorkomen dat de uitvoering van de nazorg anderszins wordt belemmerd.

  3. Het bevoegd gezag kan afwijken van het gestelde in het tweede lid indien het belang dat de voormalige of gesloten stortplaats geen nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt, zich daartegen niet verzet.

  4. Indien het bevoegd gezag, niet zijnde gedeputeerde staten, voornemens is de vergunning te verlenen, stelt het daarvan gedeputeerde staten in kennis.

Titel 4.5 Overige algemene regels

Gereserveerd

Hoofdstuk 5. Bijzondere gebieden

Titel 5.1 Aanwijzing van bijzondere en kwetsbare gebieden

Artikel 5.1.1

  1. Bijzondere gebieden zijn die gebieden die als zodanig zijn aangewezen in bijlage 6;

  2. Kwetsbare gebieden zijn die gebieden die als zodanig zijn aangewezen in bijlage 6A

  3. De aanwijzing van de gebieden als bedoeld in lid 1 en 2 geschiedt ter bescherming van het milieu en in het bijzonder ter bescherming van de belangen die voor elk van die gebieden in de genoemde bijlagen zijn aangeduid. Gedeputeerde Staten zijn bevoegd de in de bijlagen 6 en 6A aangegeven grenzen van de gebieden uit te werken.

  4. In afwijking van het bepaalde in artikel 3.1.2 sub c juncto artikel 3.1.1 sub a en c, worden alleen belanghebbenden bij de aanwijziging, inclusief wijziging van een bijzonder gebied, in de gelegenheid gesteld hun zienswijze(n) naar keuze schriftelijk of mondeling naar voren te brengen en wordt de aanwijzing en/of wijziging alleen in de betreffende gemeente(n) ter inzage gelegd.

Artikel 5.1.2

  1. Indien het gebied is aangewezen ter voorkoming of beperking van geluidhinder, dragen Gedeputeerde Staten er zorg voor dat het bijzondere gebied als zodanig goed zichtbaar is aangeduid door middel van borden, waarvan het model door hen wordt vastgesteld.

  2. Indien het gebied een beschermingszone of waterwingebied betreft dat als zodanig is aangewezen in bijlage 6, draagt de grondwateronttrekker er zorg voor dat het bijzondere gebied als zodanig goed zichtbaar is aangeduid door middel van borden, waarvan het model wordt vastgesteld door Gedeputeerde Staten.

  3. De in het eerste en tweede lid bedoelde borden worden geplaatst langs alle verharde openbare wegen en vaarwegen die tot het gebied toegang geven dan wel daaraan grenzen, op of nabij de grens van het gebied.

Titel 5.2 Milieukwaliteitseisen voor bijzondere gebieden

Gereserveerd

Titel 5.3 Milieu-effectrapportage

§ 5.3.1 Activiteiten en besluiten ten aanzien waarvan het maken van een milieu-effectrapport verplicht is

Artikel 5.3.1.1

  1. Activiteiten als bedoeld in artikel 7.6 van de wet zijn de activiteiten die behoren tot een categorie die in bijlage 8 is omschreven en die zullen worden uitgevoerd in een in die bijlage aangewezen gebied.

  2. De besluiten van die bestuursorganen ter zake van die activiteiten, bij de voorbereiding waarvan een milieu-effectrapport moet worden gemaakt, zijn de besluiten die in bijlage 8 bij de betrokken categorie van activiteiten zijn vermeld.

  3. Voor zover in bijlage 8 bij een categorie van activiteiten gevallen zijn aangegeven, geldt de verplichting tot het maken van een milieu-effectrapport slechts in zodanige gevallen.

  4. De krachtens deze verordening geldende verplichting tot het maken van een milieu-effectrapport geldt niet voor activiteiten die reeds zijn aangewezen op grond van artikel 7.2 van de wet.

§ 5.3.2 Nadere regels omtrent de indiening en behandeling van een verzoek om een ontheffing van de verplichting tot het maken van een milieu-effectrapport

Artikel 5.3.2.1

  1. Een verzoek om ontheffing ingevolge artikel 7.8, eerste lid, van de wet wordt in vijfvoud bij Gedeputeerde Staten ingediend.

  2. Met betrekking tot de inhoud van het verzoek is artikel 5 van het Besluit milieu-effectrapportage 1994 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5.3.2.2

Indien gebruik wordt gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen als bedoeld in artikel 7.8, tweede lid van de wet, wordt het advies binnen vijf weken na de datum waarop daarom is verzocht, aan Gedeputeerde Staten gezonden.

Artikel 5.3.2.3

Op de totstandkoming van een besluit tot verlening of weigering van een ontheffing als bedoeld in artikel 7.8, eerste lid van de wet, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing met dien verstande dat:

a. het ontwerp van het besluit gedurende vijf weken ter inzage wordt gelegd ten kantore van de provincie en ten kantore van de gemeente(n) waarin de voorgenomen activiteit zal plaatsvinden;

b. een ieder in de gelegenheid wordt gesteld gedurende de termijn van terinzagelegging zijn zienswijze naar keuze mondeling of schriftelijk naar voren te brengen.

§ 5.3.3 Overige bepalingen

Artikel 5.3.3.1

Het maken van een milieu-effectrapport bij de voorbereiding van een besluit zoals is aangewezen in bijlage 8, is niet verplicht in de gevallen waarin:

a. de aanvraag voor het verlenen van het besluit bij het bevoegd gezag is ingediend voor inwerkingtreding van de aanwijzing krachtens artikel 5.3.1.1;

b. het besluit na de inwerkingtreding van de aanwijzing voor dezelfde activiteit opnieuw moet worden genomen omdat het besluit slechts geldt voor een daarin aangegeven termijn.

Titel 5.4 Instructies voor vergunningen voor inrichtingen in bijzondere gebieden

Artikel 5.4.1

  1. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder een inrichting verstaan een inrichting die behoort tot een categorie van inrichtingen die is aangewezen in bijlage 9. Voor zover in die bijlage bij een categorie van inrichtingen categorieen van gevallen zijn aangewezen, zijn de volgende leden van dit artikel slechts in zodanige gevallen van toepassing.

  2. Indien het bevoegd gezag een vergunning krachtens artikel 8.1 van de wet verleent voor een inrichting die is of zal zijn gelegen in een bijzonder gebied, worden aan de vergunning in ieder geval de beperkingen aangebracht en de voorschriften verbonden waarvan de inhoud is aangegeven in bijlage 9, voor zover in die bijlage is aangegeven dat deze van toepassing zijn op de betreffende categorie van inrichtingen.

  3. Het bevoegd gezag kan, voor zover dit is aangegeven in bijlage 9, afwijken van de beperkingen en voorschriften als bedoeld in het tweede lid, dan wel nadere eisen stellen. Een nadere eis wordt gesteld als voorschrift dat aan de vergunning wordt verbonden.

  4. De in het tweede lid bedoelde beperkingen en de in dat lid bedoelde voorschriften worden door het bevoegd gezag binnen 10 jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel aan de reeds op dat moment verleende vergunningen voor inrichtingen aangebracht respectievelijk verbonden, tenzij in bijlage 9 daarvoor een ander tijdstip is aangegeven.

Titel 5.4A Instructies voor vergunningen voor inrichtingen in kwetsbare gebieden

Artikel 5.4A.1

  1. voor de toepassing van dit artikel wordt onder een inrichting verstaan een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, gelegen in de bij verordening aangewezen kwetsbare gebieden.

  2. Als categorieën van gevallen worden aangewezen die inrichtingen die huishoudelijk afvalwater of bedrijfsafvalwater lozen, zoals bedoeld in art. 1.1 PMV.

  3. Indien het bevoegd gezag een vergunning krachtens artikel 8.1 van de wet verleent voor een inrichting als bedoeld in het eerste lid, wordt in de vergunning bepaald dat men zich dient te ontdoen van huishoudelijk- of bedrijfsafvalwater door middel van lozing op het gemeentelijke rioolstelsel of door middel van lozing via een voorziening die voldoet aan de eisen van een (gecertificeerde) IBA-III.

  4. Het voorgaande lid is niet van toepassing op bij de inwerkingtreding van deze bepaling bestaande wettelijk toegestane alternatieven binnen de agrarische bedrijfsvoering.

  5. Het in het derde lid genoemde voorschrift wordt door het bevoegd gezag uiterlijk binnen het nog niet verstreken deel van een redelijke afschrijvingstermijn van de voorziening verbonden aan reeds voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel verleende vergunningen voor lozingen in de bodem anders dan via een voorziening die voldoet aan de eisen van een (gecertificeerde) IBA-III.

Titel 5.5 Rechtstreeks werkende regels voor gedragingen in bijzondere gebieden

Artikel 5.5.1

  1. Ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten in een bijzonder gebied het bijzondere belang met het oog waarop het gebied als bijzonder gebied is aangewezen, wordt of kan worden geschaad, is verplicht dergelijk handelen achterwege te laten -behoudens voor zover dat ingevolge deze verordening uitdrukkelijk is toegestaan- dan wel, indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die schade te voorkomen, dan wel indien die schade zich voordoet, deze zoveel mogelijk te beperken en de gevolgen daarvan zoveel mogelijk te beperken en ongedaan te maken.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing:

    a. op handelingen verricht in inrichtingen waarvoor het in artikel 8.1, eerste lid, van de wet gestelde verbod geldt;

    b. op de agrarische bedrijfsvoering in gebieden als bedoeld in artikel 1.2, vijfde lid, laatste volzin, van de wet;

    c. voor zover artikel 2 van de Wet milieugevaarlijke stoffen, artikel 14 van de Wet bodembescherming of artikel 10.3 van de wet van toepassing is.

Artikel 5.5.2

  1. In een bijzonder gebied gelden de in bijlage 10 omschreven regels voor zover deze regels in bijlage 6 voor dat gebied van toepassing zijn verklaard.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op:

    a. de agrarische bedrijfsvoering in gebieden als bedoeld in artikel 1.2, vijfde lid, laatste volzin, van de wet;

    b. gedragingen die betrekking hebben op het oprichten, veranderen of in werking hebben van een inrichting, tenzij in bijlage 10 anders is bepaald.

Titel 5.5A Rechtstreeks werkende regels voor gedragingen in kwetsbare gebieden

Artikel 5.5A.1

  1. In kwetsbare gebieden is het lozen van huishoudelijk- of bedrijfsafvalwater in de bodem of op het oppervlaktewater verboden, tenzij lozing plaatsvindt via een voorziening die voldoet aan de eisen van een (gecertificeerde) IBA-III.

  2. Het verbod op grond van het eerste lid geldt met ingang van de eerste dag volgend op het nog niet verstreken deel van een redelijke afschrijvingstermijn van een reeds voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel geplaatste voorziening.

  3. Het eerste lid is niet van toepassing indien lozen is toegestaan op grond van andere wettelijke bepalingen.

  4. Het eerste lid is tevens niet van toepassing indien op grond van wettelijke bepalingen aansluiting op de riolering verplicht is, dan wel aansluiting op de riolering binnen een in die wettelijke bepalingen vastgelegde termijn verplicht wordt.

Titel 5.6 Overige regels in bijzondere gebieden

§ 5.6.1 Toetsing ammoniakreductie-plannen

Artikel 5.6.1.1

[Vervallen]

§ 5.6.2 Adviseurs bij vergunningverlening in bijzondere gebieden

Artikel 5.6.2.1

Met betrekking tot een aanvraag om een vergunning voor een inrichting gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied, waarop Burgemeester en Wethouders of Gedeputeerde Staten bevoegd zijn te beslissen, wordt naast de in artikel 8.7, eerste lid, onder a en b, van de wet aangewezen adviseurs tevens als adviseur aangewezen het waterleidingbedrijf dat in het betreffende gebied een inrichting ten behoeve van de grondwateronttrekking heeft met het oog waarop dit gebied wordt beschermd.

Hoofdstuk 6. Bodemsanering

Titel 6.1 Voorbereiding

Artikel 6.1.1

  1. Op de voorbereiding van een beschikking als bedoeld in de artikelen 29 en 39, tweede lid, van de Wet bodembescherming is afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de ontwerp-beschikking gedurende vier weken ter inzage wordt gelegd ten kantore van het provinciehuis en ten kantore van de gemeente waar een onderzoeksgeval, saneringsonderzoek of sanering aan de orde is.

  2. De indiening van het rapport van het nader onderzoek, de indiening van de melding als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Wet bodembescherming en het saneringsplan als bedoeld in artikel 39 van de Wet bodembescherming, worden voor de toepassing van de Algemene wet bestuursrecht aangemerkt als een aanvraag tot het nemen van een besluit.

  3. Gedeputeerde Staten kunnen besluiten dat de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure niet wordt toegepast indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat aan de toepassing van die procedure geen behoefte bestaat.

  4. Indien Gedeputeerde Staten toepassing geven aan het derde lid, vermelden zij dit in de kennisgeving, bedoeld in artikel 28, vijfde lid, van de Wet bodembescherming.

Artikel 6.1.2

  1. Voordat Gedeputeerde Staten overgaan tot sanering van een geval van ernstige verontreiniging stellen zij een saneringsplan vast.

  2. Op de voorbereiding van een besluit tot vaststelling van een saneringsplan is de in de afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing.

  3. Artikel 6.1.1, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  4. Indien Gedeputeerde Staten toepassing geven aan het derde lid, doen zij hiervan mededeling in één of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huis-bladen.

Titel 6.2 Indiening van bescheiden

Artikel 6.2

  1. Voor de melding als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Wet bodembescherming wordt gebruik gemaakt van een door Gedeputeerde Staten vastgesteld formulier.

  2. Het meldingsformulier, het rapport van het nader onderzoek en het saneringsplan inclusief daaraan ten grondslag liggende onderzoeken worden minimaal in vijfvoud bij Gedeputeerde staten ingediend.

Titel 6.3 Het saneringsplan

Artikel 6.3.1

Het saneringsplan gaat vergezeld van:

a. eerder met betrekking tot het geval van verontreiniging uitgevoerd onderzoek;

b. de adviesaanvrage als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de Wet bodembescherming, tenzij die adviesaanvrage achterwege kan blijven op grond van het tweede lid van dat artikel juncto artikel 28, derde lid, van de Wet bodembescherming of op grond van de regeling omtrent beoordeling reinigbaarheid grond;

c. het advies van het servicecentrum indien dit is uitgebracht.

Artikel 6.3.2

  1. In het saneringsplan worden de volgende gegevens vermeld:

    a. Algemene gegevens:

    1° het adres, kadastrale aanduiding (incl. jaartal) en de ligging van het grondgebied waarop de verontreiniging zich bevindt;

    2° een kadastrale kaart, waarop het geval van verontreiniging is aangegeven, die uiterlijk drie maanden voor de indiening van het saneringsplan door het kadaster is afgegeven;

    3° een uitreksel van het kadaster waaruit de huidige eigendomssituatie blijkt, dat uiterlijk drie maanden voor de indiening van het saneringsplan door het kadaster is afgegeven

    4° het gebruik van de locatie;

    5° de naam en het adres van degene in wiens opdracht de sanering zal plaatsvinden;

    6° de naam en het adres van degene die een zakelijk of een persoonlijk recht heeft op het grondgebied als bedoeld onder 1º, alsmede van de gebruiker daarvan;

    7° een beschrijving van de bodemkundige opbouw en de geohydrologische situatie;

    8° een tijdschema met een eventuele fasering, waarbij in ieder geval zijn aangegeven de datum waarop met de sanering naar verwachting zal worden begonnen en de datum waarop de sanering naar verwachting zal zijn afgerond;

    9° een specificatie van de bij de uitvoering van de sanering betrokken bedrijven en instanties;

    10° een overzicht van de benodigde vergunningen, meldingen en toestemmingen om het werk te kunnen uitvoeren;

    11° een beschrijving van werkzaamheden op grond waarvan Gedeputeerde Staten nadien bij het evaluatierapport kunnen beoordelen of de sanering volgens het plan is uitgevoerd, tot welke werkzaamheden in ieder geval behoren:

    -een beschrijving van de wijze waarop de milieukundige begeleiding plaatsvindt;

    -het opstellen van een ontgravingskaart en een grondwateronttrekkingskaart.

    12° voor zover de sanering betrekking heeft op vluchtige organische stoffen en/of asbest: een omgevingsplan, dat aangeeft hoe de risico’s en hinder voor de omgeving tijdens de uitvoering van de sanering zo veel mogelijk worden voorkomen dan wel beperkt.

    b. Keuze saneringsvariant:

    1° de gekozen saneringsvariant met het saneringsdoel;

    2° indien de functionele eigenschappen die de bodem voor mens, plant of dier heeft, niet worden hersteld de argumentatie op grond waarvan dat niet gebeurt, met een analyse van de risico's voor mens, plant of dier;

    3° indien de sanering in fasen worden uitgevoerd: de voorgenomen fasering, alsmede het verzoek om een besluit als bedoeld in artikel 38, vierde lid, van de Wet bodembescherming.

    c. Beschrijving saneringsmaatregelen:

    1° een beschrijving van de wijze waarop de sanering zal worden uitgevoerd en van de maatregelen die de sanering mogelijk moeten maken;

    2° een beschrijving van de effecten die met de te treffen saneringsmaatregelen worden beoogd, waaronder mede begrepen een nadere beschrijving van de kwaliteit van de bodem die met de sanering zal worden bereikt;

    3° een beschrijving van de te treffen hydrologische voorzieningen met de gekozen dimensionering en de invloed hiervan op de omgeving;

    4° indien verontreinigde grond zal worden afgegraven of verontreinigd grondwater zal worden onttrokken:

    -de bestemming van die grond of dat grondwater;

    -indien de grond of het grondwater geheel of gedeeltelijk niet zal worden gereinigd, de redenen daarvoor;

    5° gegevens over de bestemming van overige afvalstromen die, naast de verontreinigde grond, vrijkomen bij de sanering;

    6° gegevens over de kwaliteit van de eventueel te gebruiken aanvulgrond;

    7° indien na de sanering verontreiniging in de bodem aanwezig blijft, een nazorgplan met een beschrijving van de technische, juridische, financiële en organisatorische aspecten van:

    -de wijze waarop de instandhouding van de isolerende voorzieningen worden gewaarborgd;

    -de wijze waarop het betrokken grondgebied in verband met het isoleren van die verontreiniging zal worden beheerd;

    -de maatregelen die zullen worden genomen in verband met beperkingen die de verontreiniging voor het gebruik van de bodem met zich brengt;

    8° een beschrijving van de maatregelen die overlast als gevolg van de sanering voorkomen of zoveel mogelijk beperken;

    9° een beschrijving van de veiligheids- en arbeidshygiënische aspecten;

    10° een beschrijving van de ligging van kabels en leidingen;

    11° een beschrijving van de wijze waarop de voortgang van de grondwatersanering wordt gecontroleerd en hoe over de voortgang wordt gerapporteerd.

    d. Financiële gegevens: een begroting van de kosten van sanering en een overzicht van de financiële middelen ter dekking van de saneringskosten.

  2. [Vervallen]

  3. Onverminderd het bepaalde in artikel 39, eerste lid, van de Wet bodembescherming kan het vermelden in het saneringsplan van gegevens, als bedoeld in het eerste lid, achterwege blijven indien:

    a. bij indiening van het plan wordt aangegeven welke gegevens ontbreken, en

    b. daarbij de reden wordt aangegeven waarom de gegevens ontbreken, en

    c. die gegevens naar het oordeel van Gedeputeerde Staten niet noodzakelijk zijn voor de beoordeling van het saneringsplan.

Artikel 6.3.3

  1. Indien de sanering, geheel of gedeeltelijk plaatsvindt binnen het waterwingebied (titel 2 van bijlage 10B), de 25-jaars beschermingszone (titel 3 van bijlage 10B) of de 100-jaars beschermingszone (titel 3A van bijlage 10B) dient het saneringsplan gericht te zijn op volledige verwijdering van de verontreiniging. Als dit niet kosteneffectief is, dient het saneringsplan gericht te zijn op een stabiele eindsituatie, inhoudende dat de contouren van een eventuele restverontreiniging zich niet verspreiden.

  2. Ingeval van sanering van grondwater in de gebieden als hiervoor in lid 1 genoemd dient het saneringsplan gericht te zijn op het bereiken van de streefwaarde of de (verhoogde) achtergrondwaarde. Indien dit niet haalbaar blijkt, dient te worden aangegeven op welke wijze de risico’s voor het grondwater, als grondstof voor drinkwater, worden weggenomen.

  3. Indien de sanering, geheel of gedeeltelijk plaatsvindt binnen het waterwingebied (titel 2 van bijlage 10B), de 25-jaars beschermingszone (titel 3 van bijlage 10B) of de 100-jaars beschermingszone (titel 3A van bijlage 10B) dient uit het saneringsplan te blijken dat:

    -hulpstoffen voor een in-situ-sanering geen risico vormen voor het grondwater als grondstof voor drinkwater;

    -ijkmomenten zijn aangegeven bij het verloop van de sanering;

    -de afbraak van restproducten inzichtelijk wordt gemaakt;

    -een terugvalscenario voor een conventionele sanering is opgenomen voor het geval dat de saneringsdoelstelling niet door middel van de in-situ-sanering kan worden behaald.

Titel 6.4 Betrokkenheid bij de uitvoering

Artikel 6.4.1

  1. Indien Gedeputeerde Staten opdracht geven om een nader onderzoek, een saneringsonderzoek of een sanering uit te voeren, stellen zij ter begeleiding van dat onderzoek respectievelijk die sanering een projectgroep in, tenzij redelijkerwijs kan worden aangenomen dat daaraan geen behoefte bestaat.

  2. In andere gevallen dan bedoeld in het eerste lid bevorderen Gedeputeerde Staten dat degene die een nader onderzoek, een saneringsonderzoek of een sanering laat uitvoeren, ter begeleiding van dat onderzoek respectievelijk die sanering een projectgroep instelt, tenzij redelijkerwijs kan worden aangenomen dat daaraan geen behoefte bestaat.

Artikel 6.4.2

  1. Een projectgroep heeft tot taak degene die het onderzoek respectievelijk de sanering laat uitvoeren, haar zienswijze te geven over de uitvoering van dat onderzoek respectievelijk die sanering.

  2. Een projectgroep bestaat ten minste uit:

    a. een vertegenwoordiger van degene die het onderzoek respectievelijk de sanering laat uitvoeren;

    b. een vertegenwoordiger van de ingezetenen van die gemeente en anderen bij de uitvoering van het nader onderzoek, het saneringsonderzoek of de sanering van dat geval betrokken belang hebbende natuurlijke en rechtspersonen.

  3. Indien Gedeputeerde Staten of Burgemeester en Wethouders van de betrokken gemeente niet het onderzoek respectievelijk de sanering laten uitvoeren, worden zij in de gelegenheid gesteld een vertegenwoordiger aan te wijzen die de vergaderingen van de projectgroep kan bijwonen.

Artikel 6.4.3

Gedeputeerde Staten brengen jaarlijks in het provinciaal milieujaarverslag verslag uit over de uitvoering van de artikelen 6.4.1 en 6.4.2.

Titel 6.5 Beklag

Artikel 6.5

  1. Een ieder kan schriftelijk en gemotiveerd zijn beklag doen over de uitvoering van de artikelen 6.4.1, 6.4.2 en 6.4.3.

  2. Artikel 3.2, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

Titel 6.6 Bijzondere regels inzake sanering van de waterbodem

Artikel 6.6.1

Op het saneringsplan als bedoeld in artikel 63e van de Wet bodembescherming, is artikel 6.3.2, van overeenkomstige toepassing. Daarnaast gelden aanvullend de navolgende gegevens:

a. de naam en de functie van het oppervlaktewater;

b. de wijze waarop de waterkwantiteitsbeheerder van het beheersgebied waarin zich de verontreiniging bevindt, en de betrokken waterkwaliteitsbeheerder - voor zover deze niet zelf met de sanering is belast - bij de uitvoering van de sanering worden betrokken;

c. de hoeveelheid te verwijderen baggerspecie, onderverdeeld in de hoeveelheid onderhoudsbaggerspecie en de hoeveelheid saneringspecie;

Artikel 6.6.2

Met betrekking tot het instemmen met het saneringsplan is artikel 6.1.1 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6.6.3

De waterkwaliteitsbeheerder verschaft Gedeputeerde Staten de informatie omtrent de resultaten van de door hem uitgevoerde sanering en de besteding van de daarvoor aan hem toegekende gelden, overeenkomstig de voorschriften die Gedeputeerde Staten stellen bij het verlenen van een bijdrage.

Artikel 6.6.4

In de aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 63i, eerste lid, onder c, van de Wet bodembescherming worden vermeld:

a. de risico's ten aanzien van de verspreiding van de achterblijvende ernstige verontreinigingen, alsmede de wijze waarop deze risico's worden geminimaliseerd;

b. de bestemming van de vrijkomende baggerspecie en de eventuele fracties daarvan.

Titel 6.7. Toezicht en handhaving

Artikel 6.7.1

De uitvoerder van een grond- en/of grondwatersanering draagt er zorg voor dat de sanering wordt uitgevoerd overeenkomstig het ingediende saneringsplan en de voorwaarden die zijn verbonden aan de instemming van Gedeputeerde Staten met dit plan.

Artikel 6.7.2

  1. De uitvoerder van een grond- en/of grondwatersanering doet tenminste twee en ten hoogste zes weken voor aanvang van de sanering hiervan mededeling aan Gedeputeerde Staten. Hij meldt tevens uiterlijk 48 uur tevoren het bereiken van de einddiepte bij een ontgraving, alsmede het volledige voltooien van een grondsanering na aanvulling tot peil. Gedeputeerde Staten stellen voor deze mededelingen een formulier vast.

  2. Indien zich bij de uitvoering van de sanering feiten of omstandigheden voordoen als gevolg waarvan moet worden afgeweken van het saneringsplan, doet de uitvoerder hiervan onmiddellijk schriftelijk mededeling aan Gedeputeerde Staten.

  3. Tijdens en na de uitvoering van een sanering draagt de uitvoerder zorg voor het indienen van voortgangs- en evaluatierapporten:

    -bij een sanering met een duur van 6 maanden of korter: een evaluatierapport;

    -bij een sanering met een langere duur dan 6 maanden: iedere 6 maanden een voortgangsrapport en na de afronding van de sanering een evaluatierapport;

    -indien een grondsanering wordt uitgevoerd in combinatie met een daarna nog doorlopende grondwatersanering en de totale sanering langer duurt dan 6 maanden: een tussentijds evaluatierapport na afronding van de grondsanering, iedere 6 maanden een voortgangsrapportage over de grondwatersanering en een eindevaluatie na afronding van de totale sanering.

  4. De voortgangs- en evaluatierapporten dienen opgesteld te worden overeenkomstig de aanwijzingen in het geldende Toezichtsplan Bodemsanering op basis van een door de uitvoerder op de locatie bij te houden logboek.

  5. Voortgangsrapportages worden ingediend binnen een maand na afloop van de periode waar zij betrekking op hebben; evaluatierapporten worden ingediend binnen twee maanden na afronding van de sanering, dan wel het deel van de sanering waar zij betrekking op hebben.

  6. Gedeputeerde Staten kunnen in hun beschikking over het saneringsplan specifieke aanwijzingen geven over de opzet en inhoud van de vereiste rapportages en afwijkende termijnen stellen.

  7. Gedeputeerde Staten kunnen naar aanleiding van de voortgangs- en evaluatierapporten aanwijzingen geven over de saneringsvoortgang binnen het kader van de afgegeven beschikking.

Hoofdstuk 7. Ontheffingen

Artikel 7.0

Van de bepalingen van deze verordening en van de daarvan deel uitmakende bijlagen kan een ontheffing als bedoeld in artikel 1.3 van de wet worden verleend voor zover dat bij die bepalingen is aangegeven. Dit hoofdstuk is van toepassing op de totstandkoming van de beschikking op de aanvraag tot het geven van een ontheffing en van de beschikking tot wijziging of intrekking van een ontheffing.

Artikel 7.1

Het bevoegd gezag houdt bij het besluit op de aanvraag om ontheffing in ieder geval rekening met het voor hem geldende milieubeleidsplan.

Artikel 7.2

De ontheffing wordt geweigerd indien door het stellen van beperkingen of voorschriften niet voldoende kan worden tegemoet gekomen aan het belang dat beschermd wordt door de bepaling waarvan ontheffing wordt gevraagd.

Artikel 7.3

  1. Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Dit is slechts mogelijk in het belang ter bescherming waarvan de bepaling van welke ontheffing wordt verleend, is gesteld. Aan een ontheffing worden de voorschriften verbonden, die ter bescherming van dat belang nodig zijn.

  2. Met betrekking tot de ontheffing, de beperkingen waaronder de ontheffing wordt verleend en de aan de ontheffing te verbinden voorschriften zijn de artikelen 8.11, 8.12, 8.13 en 8.16 van de wet van overeenkomstige toepassing.

Artikel 7.4

Een ontheffing geldt voor degene aan wie zij is verleend of voor zijn rechtsopvolgers, tenzij bij de ontheffing anders is bepaald.

Artikel 7.5

  1. Op aanvraag van de houder van een ontheffing kan het bevoegd gezag beperkingen waaronder de ontheffing is verleend, en voorschriften die daaraan zijn verbonden, wijzigen, aanvullen of intrekken, dan wel alsnog beperkingen aanbrengen of voorschriften aan de ontheffing verbinden.

  2. Het bevoegd gezag kan - anders dan op aanvraag van de houder - beperkingen waaronder een ontheffing is verleend, en voorschriften die daaraan zijn verbonden, wijzigen, aanvullen of intrekken, dan wel alsnog beperkingen aanbrengen of voorschriften aan een ontheffing verbinden in het belang dat beschermd wordt door de bepaling waarvan ontheffing is verleend.

Artikel 7.6

  1. Het bevoegd gezag kan een ontheffing geheel of gedeeltelijk intrekken op aanvraag van de houder van de ontheffing, indien het belang dat beschermd wordt door de bepaling waarvan ontheffing is verleend, zich daartegen niet verzet.

  2. Het bevoegd gezag kan - anders dan op aanvraag van de houder - een ontheffing geheel of gedeeltelijk intrekken indien:

    a. het gebruik maken van de ontheffing ontoelaatbaar nadelige gevolgen heeft voor het belang dat beschermd wordt door de bepaling waarvan ontheffing is verleend, en toepassing van artikel 7.5 redelijkerwijs daarvoor geen oplossing biedt;

    b. gedurende drie jaar geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de ontheffing;

    c. in gevallen dat artikel 7.4, tweede lid, van toepassing is of bij de ontheffing is bepaald dat zij niet geldt voor de rechtsopvolgers van degene aan wie zij is verleend: de houder van de ontheffing niet meer degene is die de gedraging waarvoor ontheffing is verleend, uitvoert.

Artikel 7.7

Met betrekking tot de totstandkoming van een beschikking op grond van artikel 7.5 of 7.6 zijn de artikelen 7.1 tot en met 7.3 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 7.8

  1. Een aanvraag om een ontheffing waarvan op de voorbereiding de procedure van afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is, wordt in vijfvoud ingediend bij het bevoegd gezag. Andere aanvragen worden in drievoud ingediend, tenzij in deze verordening anders is bepaald.

  2. Een aanvraag bevat in ieder geval:

    a. een beschrijving van de gedraging waarvoor een ontheffing wordt verzocht, daaronder begrepen gegevens omtrent constructie, afmetingen en het gebruik van installaties of andere werken;

    b. een of meer kaarten op een zodanige schaal dat een duidelijk beeld wordt verkregen van de plaats waar de gedraging zal plaatsvinden;

    c. een opgave van de hoeveelheid, de aard en de samenstelling van stoffen ten aanzien waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze van belang zijn voor de nadelige gevolgen voor het milieu die de gedraging kan veroorzaken, alsmede van de te verwachten emissies.

Artikel 7.9

  1. Indien afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is op de totstandkoming van het besluit om een ontheffing te verlenen, stelt het bevoegd gezag

    a. de inspecteur;

    b. Burgemeester en Wethouders van de gemeente waarin de gedraging waarvoor ontheffing wordt gevraagd, plaatsvindt of zal plaatsvinden, in gevallen waarin zij niet het bevoegd gezag zijn, of

    c. Gedeputeerden Staten in gevallen waarin ontheffing wordt gevraagd voor een gedraging die plaats vindt of zal plaatsvinden in een bijzonder gebied en zij niet het bevoegd gezag zijn, in de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van de beschikking op de aanvraag.

  2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van het voornemen een beschikking te geven op grond van artikel 7.5 of 7.6.

Artikel 7.10

  1. In het geval een aanvraag om ontheffing of een voornemen een beschikking te geven op grond van artikel 7.5 of 7.6, betrekking heeft op een in bijlage 10, onderdeel B, gesteld verbod, stelt het bevoegd gezag:

    a. de inspecteur;

    b. Burgemeester en Wethouders van de gemeente waarin de gedraging waarvoor ontheffing wordt gevraagd, plaatsvindt of zal plaatsvinden;

    c. de grondwateronttrekker;

    d. in de gelegenheid advies uit te brengen naar aanleiding van die aanvraag respectievelijk over dat voornemen.

  2. Het bevoegd gezag geeft de beschikking op de aanvraag om ontheffing van een in bijlage 10, onderdeel B, gesteld verbod uiterlijk vier maanden na ontvangst van de aanvraag.

  3. Het bevoegd gezag geeft een beschikking als bedoeld in artikel 7.5 of 7.6 ten aanzien van een ontheffing van een in bijlage 10, onderdeel B, gesteld verbod uiterlijk vier maanden nadat het toepassing heeft gegeven aan het eerste lid.

Hoofdstuk 8. Vergoeding van kosten en schade

Artikel 8.1

Dit hoofdstuk is van toepassing op de totstandkoming van beschikkingen van Gedeputeerde Staten ingevolge artikel 15.21 juncto artikel 15.20 en ingevolge artikel 15.22 van de wet met betrekking tot de vergoeding van kosten of schade door het van toepassing worden van bepalingen van deze verordening.

Artikel 8.2

De aanvraag om vergoeding van kosten of schade bevat tenminste de volgende gegevens:

a. de bepalingen van deze verordening door het van toepassing worden waarvan de aanvrager zich voor kosten ziet gesteld, dan wel schade lijdt;

b. de aard en de omvang van de kosten dan wel de schade;

c. de wijze waarop de kosten dan wel de schade naar het oordeel van de aanvrager dienen onderscheidenlijk dient te worden vergoed en, zo een vergoeding in geld wordt gewenst, het bedrag dat naar zijn oordeel voor vergoeding in aanmerking komt.

Artikel 8.3

  1. Gedeputeerde Staten kunnen deskundigen aanwijzen die zijn belast met het adviseren inzake het geven van een beschikking als bedoeld in artikel 8.1.

  2. Gedeputeerde Staten kunnen het advies inwinnen van de in het eerste lid bedoelde deskundigen omtrent een aanvraag om vergoeding of omtrent het voornemen tot een toekenning daarvan uit eigen beweging.

  3. Indien toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, wordt de aanvrager van de beschikking in de gelegenheid gesteld aan die deskundigen zijn aanvraag toe te lichten. Indien Gedeputeerde Staten voornemens zijn uit eigen beweging een beschikking te geven, wordt degene tot wie de beschikking zal zijn gericht, in de gelegenheid gesteld zijn opvattingen omtrent het voornemen aan de deskundigen kenbaar te maken.

  4. Indien de aanvraag om vergoeding of het voornemen tot de toekenning daarvan uit eigen beweging betrekking heeft op kosten dan wel schade door het van toepassing worden van bepalingen van bijlage 10, onderdeel B, en deskundigen zijn aangewezen die zijn belast met het adviseren inzake de toekenning van die vergoeding, wordt de betrokken grondwateronttrekker in de gelegenheid gesteld zijn opvattingen over die aanvraag of dat voornemen aan die deskundigen kenbaar te maken.

  5. De deskundigen brengen advies uit inzake:

    a. de vraag of de kosten zijn gemaakt, dan wel de schade is geleden door het van toepassing worden van bepalingen van deze verordening;

    b. de omvang van de kosten dan wel de schade;

    c. de vraag of de kosten dan wel de schade niet of niet geheel ten laste van de benadeelde behoren onderscheidenlijk behoort te blijven;

    d. de vraag in hoeverre op een andere wijze in een redelijke vergoeding is of kan worden voorzien;

    e. de vraag of er aanleiding is voor maatregelen of voorzieningen waardoor de kosten dan wel de schade, anders dan door een vergoeding in geld, kunnen onderscheidenlijk kan worden beperkt of ongedaan gemaakt;

    f. de hoogte van de toe te kennen vergoeding.

  6. De deskundigen brengen hun advies zo snel mogelijk uit aan Gedeputeerde Staten, doch in elk geval binnen dertien weken na ontvangst van het verzoek om advies. Gedeputeerde Staten zenden een afschrift van het advies aan degene tot wie de beschikking zal zijn gericht, en in een geval als bedoeld in artikel 8.3, vierde lid, tevens aan de grondwateronttrekker. Gedeputeerde Staten vermelden daarbij de termijn waarbinnen zij hun opvattingen omtrent het advies kenbaar kunnen maken.

Artikel 8.4

Indien geen toepassing is gegeven aan artikel 8.3, tweede lid, stellen Gedeputeerde Staten de betrokken grondwateronttrekker in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen voordat zij een beslissing nemen met betrekking tot een vergoeding van kosten dan wel schade door het van toepassing worden van bepalingen van bijlage 10, onderdeel B.

Artikel 8.5

  1. Indien een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 15.20, eerste lid, van de wet, Gedeputeerde Staten verzoekt in te stemmen met de toekenning van een vergoeding van kosten dan wel schade door het aanbrengen van beperkingen of verbinden van voorschriften, waarvan de inhoud is aangegeven in bijlage 9, dient dat verzoek tenminste vergezeld te gaan van:

    a. indien het bestuursorgaan een aanvraag om een vergoeding heeft ontvangen: een afschrift van die aanvraag en de daarbij gevoegde stukken;

    b. indien de grondwateronttrekker schriftelijk zijn opvattingen over de aanvraag of het voornemen om een vergoeding toe te kennen heeft kenbaar gemaakt: een afschrift van die opvattingen;

    c. indien het bestuursorgaan een advies van deskundigen als bedoeld in artikel 15.20, vierde lid, van de wet heeft ingewonnen: een afschrift van dat advies;

    d. het ontwerp van de beschikking houdende de toekenning van een vergoeding, dan wel, indien het bestuursorgaan de beschikking reeds heeft gegeven, een afschrift van die beschikking.

  2. Indien bij het verzoek niet een afschrift van de opvattingen van de grondwateronttrekker is gevoegd, stellen Gedeputeerde Staten hem in de gelegenheid zijn zienswijze over het verzoek naar voren te brengen.

  3. Gedeputeerde Staten geven de beschikking op het verzoek uiterlijk twee maanden na ontvangst van dat verzoek, of, indien toepassing wordt gegeven aan artikel 8.3, tweede lid, binnen vijf maanden na ontvangst van het verzoek.

Hoofdstuk 9. Handhaving

Artikel 9.1

Een gedraging in strijd met:

a. artikel 4.3.3.3, 4.3.3.4, 4.3.3.13, 4.3.3.14, 4.3.3.16, tweede en derde lid, 4.3.3.17, 4.3.3.18, 4.3.3.19, tweede en derde lid, 4.3.3.20, 4.3.4.2, 4.3.4.3, 4.3.4.8, 4.3.4.9, 4.4.2 eerste lid, 4.4.3 eerste lid, 5.5.1, 5.5A.1, 6.7.1, 6.7.2 of

b. een op grond van artikel 5.5.2 geldende verbodsregel uit bijlage 10 is een strafbaar feit

Hoofdstuk 10. Overgangs- en slotbepalingen

**Artikel 10.1 **

[Vervallen]

Artikel 10.2

[Vervallen]

Artikel 10.3

  1. Ontheffingen op grond van de Verordening grondwaterbeschermingsgebieden Noord-Brabant die handelingen betreffen die niet betrekking hebben op een inrichting als aangewezen krachtens artikel 1.1, derde lid, van de wet, worden gelijk gesteld aan een ontheffing van het bepaalde in onderdeel B van bijlage 10.

  2. Indien de aanvraag tot het geven of wijzigen van een ontheffing van de verordening als bedoeld in het eerste lid is ingediend of het ambtshalve voornemen daartoe is bekend gemaakt voor het tijdstip waarop dit artikel in werking treedt 2), blijft het voor dat tijdstip ten aanzien van zodanige ontheffingen geldende recht van toepassing tot het tijdstip waarop de beschikking onherroepelijk is geworden. Noot 2) Inwerkingtreding 1 maart 1995; Provinciale milieuverordening tranche 2A (prov. Blad nr. 23/95)

Artikel 10.4

De verboden gesteld in de bepalingen 2.1 tot en met 2.5 van bijlage 10 onder A gelden niet ten aanzien van een gedraging die is toegestaan voor het tijdstip waarop die bepalingen ten aanzien van het gebied waarbinnen de gedraging plaats vindt, in werking treden, gedurende zes maanden na dat tijdstip.

Artikel 10.5

[Vervallen]

Artikel 10.6

[Vervallen]

Artikel 10.7

Gedeputeerde Staten hebben de bevoegdheid de verwijzingen in deze verordening naar de diverse wetten overeenkomstig de definitieve wetsteksten te vernummeren.

Artikel 10.8

Deze verordening kan worden aangehaald als: Provinciale milieuverordening Noord-Brabant.

’s Hertogenbosch, 4 juni 2004

Provinciale Staten voornoemd,

griffier de voorzitter

E.M.W.J. Wöltgens J.R.H. Maij-Weggen

Dit regelingenbestand is geen bekendmaking als bedoeld in artikel 136 van de Provinciewet. De wettelijke bekendmakingen vinden uitsluitend plaats in de provinciale bladen. De provincie aanvaardt geen aansprakelijkheid voor verschillen tussen de teksten in dit bestand en die in de provinciale bladen.